HOOFDSTUK VII.
Den volgenden morgen sprak Johan den Hadji weer, en deze vertelde hem van zijn zoontjes, die zulke mooie vliegers konden maken en van zijn vrouw, die de lekkerste kwee-kwee [Gebak.] uit de heele streek bakte;
[44:]
dan wist hij hem
nog meer fraais te verhalen van zijn land: hoe men de krokodillen in
de rivieren zag zwemmen en de apen en eekhoorns in de boomen klimmen.
Wanneer Johan eens mee mocht om te kijken, dan zou hij een geweer krijgen,
om er op te schieten. En dan was er een groote vijver met heel veel
goudvisschen, daarin zou hij mogen visschen naar hartelust.
"Och Hadji," zuchtte Johan, "wat helpt het mij, of je
mij dat alles vertelt, ik zal toch nooit van pa en ma daarheen mogen
gaan!"
"Neen, dat geloof ik ook niet," was het antwoord, "maar
't is erg jammer, je zoudt er zoo'n plezier hebben met mijn zoontjes
Ali en Achmet; en wat kon je dan in Holland veel vertellen, als je het
eigenlijke Java gezien had! Wat zal je beschaamd zijn, als ze daar in
Holland, dat zoo vlak is als een hollandsche kaas, je vragen hoe de
javaansche bergen er uitzien en je moet antwoorden, dat je nooit een
berg van nabij hebt gezien!"
Met het kind al deze dingen voor te spiegelen, had de Hadji zijn bedoeling.
Sinds langen tijd had 't in zijn plan gelegen, een Europeesch jongetje
machtig te worden, om hem als Javaan op te voeden en later te gebruiken
ten einde zijn landgenooten te bestrijden.
Want de Hadji had groote plannen, hij haatte de Hol
[45:]
landers en wilde
niets liever dan hen uit Indië verdrijven; sinds lang was al zijn
streven op dit doel gericht, dat hij eenmaal, al zou het dan ook na
jaren zijn, hoopte te bereiken.
Johan kwam hem hoogst geschikt voor tot dit doel, maar hij durfde hem
niet stelen; wanneer de jongen gewillig meeging, dan zou dit veel wenschelijker
voor hem wezen en daarom ging hij voort in het kind een bijna onweerstaanbaren
lust naar avonturen te ontsteken.
Den volgenden dag wilde het toeval, dat de heer en mevrouw Van Schermen
noodzakelijk uit moesten naar een bruiloft. Anders lieten zij hun kinderen
nooit alleen t'huis, nu echter meenden zij het gerust te kunnen doen.
De oude vertrouwde baboe [Kindermeid.] van Gusje zou op hen passen;
Mimi kreeg een vriendinnetje den geheelen dag over om mee te spelen;
Johan had ook een vriendje kunnen krijgen, maar hij bedankte er voor,
hij hield niet van de jongentjes zijner kennis.
Bij het heengaan kuste mevrouw Van Schermen haar kinderen hartelijk
en vermaande hen, niet te kibbelen; Johan verbood zij verder al te veel
buiten te spelen. Zij wist zelf niet hoe 't kwam, maar zij was
[46:]
ongerust. Baboe
werd ten minste voor den tienden keer op het hart gedrukt, dat zij goed
op Sinjo en Nonna passen moest; de vader voegde er nog een hartig woordje
bij, toen stapten beide ouders in het rijtuig en reden weg.
Mimi en Neilie, haar vriendinnetje, gingen dadelijk met de poppen spelen;
Jo zou zijn kleinen dos-à-dos [Een rijtuig, waarin men rug aan
rug zit, vandaar de naam.], dien hij pas gekregen had, afstaan om de
jonge dames een toertje te laten maken.
Alles ging eerst zeer goed; de jongejuffrouwen werden in den dos-à-dos
neergezet en aan banken vast gebonden. Johan spande zijn appelschimmel,
wiens huid nog maar weinig sporen van het pannekoekbeslag vertoonde,
voor het wagentje en trok toen de equipage langzaam voort. De meisjes
gingen er achter: men zou eerst toeren naar Karang Bidara, dat was in
de achtergalerij bij de kanapé, toen naar Tawang, dat beteekende
de gang en nu moest men naar Slikko rijden.
"Neen" riep Johan, "nu gaan wij den weg naar den Oenarang
op. Een, twee, drie! Hop, hop, paardje!"
En hij zette het op een loopen, hard aan het touw
[47:]
trekkend, zoodat
het wagentje met de poppen hevig heen en weer schommelde.
De meisjes begonnen te schreeuwen, liepen hem hard na en haalden hem
in, juist toen hij op de marmeren vloersteen en van de voorgalerij kwam;
gelukkig dat ze er bij tijds waren, want 't moest niet langer duren
of de poppen waren uit den dos-à-dos gevallen en haar hoofden
zouden op den marmeren vloer vrij onzacht zijn terechtgekomen.
Nu was 't lieve leventje weer aan den gang; Mimi en Nellie knorden erg
op Johan, en wilden haar kindertjes niet meer aan hem toevertrouwen;
hij beweerde, dat zij malle meiden waren en dat het den poppen niet
zou hebben geschaad, al waren zij een beetje gevallen; maar als zij
er weer in gingen zitten, dan zou hij voorzichtiger rijden.
Neen, daar wilden Mimi en Nellie niets van weten; nu dat kon hem niet
schelen en hij ging alleen met zijn leegen wagen op en neer rijden in
de galerij; maar dit flauwe spelletje verveelde hem spoedig. Hij bracht
de equipage naar den stal en daar hij beloofd had dien dag niet naar
de bijgebouwen te gaan, nam hij zijn bouwdoos en ging in de voorgalerij
een huis bouwen.
Druk was hij hiermede bezig, toen Mimi en Nellie, ondeugend als ze waren,
besloten hem eens te komen
[48:]
plagen, en meteen
te straffen voor het gevaar, waarin hij haar poppen had gebracht.
De voorgalerij was aan de binnenzijde door neergelaten rieten zeilen
beschermd tegen de stralen der brandende zon; nu kwamen de meisjes stilletjes
achter die zeilen staan en wierpen met keisteentjes tegen de muren van
het gebouw, dat Johan bezig was op te richten. Eerst dacht het jongetje,
dat het vogels waren, die steenen lieten vallen, maar toen er telkens
grootere steenen vielen en hij geen blok meer kon zetten of 't werd
dadelijk omgegooid, sprong hij driftig op en ging achter de zeilen kijken.
Maar de meisjes waren gauw weggeloopen.
Hij begon weer te bouwen, maar daar vloog een steen grooter dan de andere
tegen zijn huis en het zakte in elkaar; nu brak zijn woede los, hij
nam den steen en gooide dien in 't wilde terug. Een harde gil liet zich
hooren; de steen was Nellie tegen het hoofd aangekomen, en niet onzacht
ook. Beide meisjes begonnen hard te huilen. Baboe met Gusje op den arm
schoot toe, Johan zag, dat het witte boordje van Nellie met bloed bevlekt
was en nu werd hij zeer angstig.
Wat zou hij nu streng gestraft worden; stellig moest hij dadelijk naar
Holland vertrekken. Die meisjes, die meisjes. Al zijn verdriet en ongelukken
had
[49:]
hij aan de meisjes
te danken. Waarom had de Heere toch ook zulke nare, valsche schepsels
als meisjes gemaakt?
Zijn kwaadheid ging voorbij, hij was erg geschrikt en bang; hij wilde
zich verbergen, dan zou men hem misschien vergeten. Hij liep zoo hard
hij kon naar achter, naar den klappertuin. Daar zag hij den Hadji naar
zich toekomen.
"O Hadji, ik weet geen raad," begon hij, "ik heb het
vriendinnetje van mijn zusje met een steen gegooid en misschien is haar
oog er heelemaal uit. Nu word ik zeker opgesloten en dan word ik in
een schip gestopt en dan moet ik weg naar Holland!"
Hij begon erbarmelijk te huilen; de Hadji nam hem in zijn armen en sprak
hem moed in.
"Sinjo moet niet bedroefd zijn. Wil Sinjo niet met Hadji meerijden
in zijn karpeer? [Klein wagentje op twee wielen.] Hadji gaat naar zijn
land terug, Sinjo moet met hem meegaan."
"Papa zal knorren."
"En zal papa niet knorren, als Sinjo hier blijft en de Nonna's
vertellen wat er gebeurd is? 't Is veel beter, dat Sinjo meegaat met
Hadji. Kijk, daar staat de karpeer al."
[50:]
Werkelijk zag Johan
op den smallen weg, die den klappertuin begrensde, een licht net wagentje
met een klein vlug paard bespannen.
"Als jongeheer meegaat, dan wordt in dien tusschentijd Nonna beter
en als hij terugkomt, dan denkt de oude Mijnheer er niet meer aan u
te straffen!"
"En wanneer kan ik terugkomen, Hadji?"
"Wanneer u maar wilt: vanavond, morgen, zooals u het wil."
"Van avond dan maar!"
"Heel best, Sinjo!"
"En kan ik dan al 't moois zien, waarvan je mij verteld hebt?"
"Ja zeker, Sinjo!"
"Die mooie paarden van de senenan en de apen en de eekhoorntjes
en de goudvisschen?"
"Alles kan u zien."
"En op dien berg klimmen, heel hoog, tot bij den hemel?"
"Ja, als u wil, kan u dicht bij den hemel komen en kijken, hoe
't er in de maan uitziet."
De domme Johan zag den donkeren man met zijn sluwe oogen verbaasd aan.
"En dan van avond nog terug zijn?"
"O, de dagen zijn zoo lang op den berg, veel langer
[51:]
dan hier. Kom Sinjo!
het paard wordt ongeduldig. Gaat u mee of niet?"
Johan dacht even na. Wat hij deed was stellig niet goed en zijn ouders
zouden het zeker heel verkeerd vinden; maar zijn verlangen om de heerlijkheden
van den berg te zien was zoo groot en hij was zoo bang voor straf. Neen,
de Hadji had gelijk, wanneer hij terugkwam zou de wond van Nellie beter
zijn en dan werd zijn straf lichter. Hij ging spoedig naar Holland en
als hij eenmaal weg was, dan zou er nooit meer iets van komen, van den
berg zien en van de herten en de tijgers, de rhinocerossen en de apen.
Hij liet zich gewillig door den Hadji in het wagentje dragen, en vond
het erg aardig daar op het smalle bankje te zitten. De Hadji zette zich
naast hem; een kleine jongen, die voor op den bok neergehurkt zat, nam
de leidsels in de hand, legde de zweep over het paardje en daar ging
het in vluggen draf het smalle pad af, totdat men aan den weg kwam.
Johan's hartje klopte hevig, hij zag niet waarheen het karretje reed,
maar merkte, dat men Bodjong verliet en de eigenlijke stad begon te
naderen; nu ging het de stad door, een brug over rechts af, langs de
scholen van Karang Bidara, den Oenarangschen weg op.
"Waar gaan wij heen, Hadji!" vroeg hij.
[52:]
"Wacht maar!" was het antwoord; de man hield hem stevig vast en in 't diepste van zijn hartje begon Jo reeds spijt te voelen over zijn daad.