26
November.
We hadden zoo'n
heerlijk theeuurtje met mekaar en zaten heel gezellig in ons hoekje,
toen Rika zonder kloppen - dat kan ik haar maar niet leeren - in de
deur verscheen.
"Daar is iemand van mevrouw Winterveld, of u Maandag-avond om zes
uur bij mevrouw van de Vereeniging komt naaien."
Ik keek Hugo verschrikt aan.
"De Vereeniging is een dames-comité, dat een paar malen
in het jaar bij elkander komt om voor armen te naaien; alle dames hiet
doen er aan mede. Je kunt er je niet aan onttrekken."
"Bah, Hugo! Ik houd daar niets van! Ik ga er niet heen en zoek
een voorwendsel. Geld kunnen ze van
[50:]
mij krijgen, maar
anders heb ik geen plezier er in."
"Maar vrouwtje, waarom niet? Je kunt toch niet vier dagen vooruit
hoofdpijn krijgen? Je moet het aannemen."
"Maar Hugo lief, een knippartij van wie weet hoeveel vrouwen
"
"Een uitstekende gelegenheid om menschen te leeren kennen, je liefhebberij
immers, wijfje! En vrouwen zijn toch ook menschen, dat heb je gisteren
nog gezegd, weet je dat wel!"
"O, jij huichelaar!" riep ik hem toe, nadat ik Rika had laten
antwoorden: "zeg maar, dat ik met plezier Maandag komen zal,"
en tot Hugo: "och, mannetje lief! Ons heerlijk theeuurtje moeten
wij nu missen en waar blijf jij dan als de vrouw uit is, zoo'n heelen
avond?"
"O, ik zal mij wel redden," verzekerde hij luchthartig; ik
vond het niet prettig, dat hij het zoo gemakkelijk opnam. Ik geloof,
dat hij het avondje vrijaf niet onaangenaam vindt, dan gaat hij naar
de sociëteit, speelt met zijn vrienden en ik moet daar met die
oude, saaie tantes zitten. Maar er was niets aan te doen.
Maandag trok ik naar mevrouw Winterveld, hoewel zonder eenig plezier
en kwam daar zoowat halfzeven aan. Ik was de laatst aangekomene en vond
het gezelschap reeds voltallig; er waren zoowat een stuk of vijftien
dames, allen om de tafel gezeten en op haar manier allen even mooi opgeprikt.
Zeer eenvoudig was ik gekleed, maar met een oogslag merkte ik dat geen
van al die poesmooie vrou
[51:]
wen zoo keurig gekapt
was als ik of in haar kostbare japonnen zoo'n goede coupe vertoonde
als in mijn eenvoudig blauw cheviot costuum zat.
Men groette mij een beetje gedwongen, het werk was al rondgedeeld; 't
maakte op mij den indruk of ik een spelbreekster was en aan de interessante
gesprekken een einde maakte, door binnen te komen.
Allen monsterden mijn toilet en vonden mij zeker erg sjofeltjes; en
dan was het ook bepaald heel pretentieus voor zoo'n jong ding, zoo laat
te komen.
"Wij hadden niet meer gedacht, mevrouw van Doornik, dat we nog
het genoegen zouden hebben, u bij ons te zien," zei de gastvrouw
een beetje snibbig.
Ik kreeg een kleur en mompelde iets van dat ik opgehouden was buiten
mijn schuld.
"Zeker door uw half dozijn kleine kinderen," zei de grove
stem van een der dames.
Ik bloosde nu van kwaadheid meer dan van verlegenheid en nam met een
heel boos gezicht mijn plaats in, naast een meisje met een lief, blond
gezichtje. Naar de voorstellingen had ik nauwelijks geluisterd; bekende
dames kregen een handje van mij, voor de anderen maakte ik maar een
stijve buiging.
"Och, mevrouw!" zeide het meisje naast mij met zoo'n sympathieke
stem, dat ik verrast opkeek, want de Bergveldsche dames hebben allemaal
scherpe of zware stemmen, "neemt u mij niet kwalijk dat ik u nog
geen visite maakte, maar Papa is op reis geweest en ik heb het zoo druk."
En ik wist haar naam niet eens, maar haar vrien
[52:]
elijke manieren
namen mij dadelijk voor haar in; ik zei dus oprecht:
"Zooeven verstond ik uw naam niet; ik heb hier zoo'n groote opschudding
gemaakt, schijnt het, door mijn late komen, dat ik wel verdiende eens
op mijn plaats te worden gezet, maar in de verwarring kon ik al die
vreemde namen niet goed onthouden."
"O dat is niemendal! Ik heet Clara Sanders, maar u is de laatste
niet, straks komt mevrouw van Zevenhoven ook, die heeft beloofd nog
even te verschijnen, haar man had een jachtpartij en zoodra de heeren
aan tafel zaten, zou zij probeeren weg te sluipen."
Mijn aardig buurvrouwtje en dit belangrijke bericht, brachten mij weer
in goed humeur. Dat had ik niet kunnen denken, die deftige dame hier
aan te treffen; en dan had ik zoo'n vergadering van dames bijna te min
gevonden voor mijn nederig persoontje; ik begon van nu af veel meer
belang te stellen in mijne omgeving.
Het gesprek dat door mijn binnenkomen gestoord was begon nu weer zijn
vroegere banen in te slaan; natuurlijk liep het hoofdzakelijk over huishoudelijke
onderwerpen, een mooie voorbereiding voor de barones, die waarlijk wel
aan andere dingen gewoon zal zijn.
't Was zooals ik wel had gedacht, de geesten der laatst vertrokkene
keukenmeiden zweefden door de atmosfeer deze kamer.
Uit het algemeene koor verhief zich de stem van juffrouw Frederika,
die haar lang verhaal aldus besloot:
"En daarom zeg ik u, 't is een uitstekende proeve op de degelijkheid
van een huisvrouw of zij het beheer kan voeren over de melkrestjes."
[53:]
Een algemeen gemompel
van verontwaardiging steeg op en ik dacht in stilte en vol zelfverwijt
aan de kan die Rika eIken avond met melk liet vullen en in den loop
van den volgenden dag geregeld deed verdwijnen onverschillig of wij
veel melkkostjes hadden gebruikt of niet. Zou ik het wagen haar daarover
ter verantwoording te roepen? Neen zeker niet. Dus was ik nog heel ver
verwijderd van het toonbeeld eener goede huisvrouw.
"Ach, de melk" riep een jong vrouwtje, "die hoort nu
eenmaal tot de noodzakelijke ellenden; maar 't is toch ook maar, een
kleinigheid."
"Acht centen per dag maakt in de maand een rijksdaalder" verzekerde
juffrouw Frederike, die van haar onderwijzeressen-examen nog veel rekenkunst
schijnt overgehouden te hebben.
"Maar verbeeld u eens", ging de andere voort zonder op haar
berekening te letten "laatst kom ik in de keuken, vind het fornuis
wit gloeiend, alle pannen op het vuur en aan het overkoken. "Maar
Betje," roep ik, "wat bezielt je toch meid, zoo'n vuur te
maken?"
"Och," antwoordt zij, "er zijn nog zooveel kolen in het
kolenhok en toen dacht ik; ik zal ze maar opstoken, vóór
er nieuwe voorraad komt."
"Nu dan heeft u 't nog niet eens zoo erg gehad," zeide mevrouw
van Winterveld doodbedaard, "toen ik laatst in de studeerkamer
van mijn man kwam, trapte ik in het donker op een voet en kreeg een
doodschrik; 't was mijn keukenmeid, die in het donker in zijn clubsessel"
uitrustte van het vaten omspoelen" zooals zij zeide."
[54:]
Allen lachten en
zekere mevrouw Houtmans, een vroolijk, resoluut mensch, sprak:
"Ja, 't is erg, ik zeg maar, wie zoo als ik dertig jaar lang het
huishouden doet, die komt er langzamerhand toe, zich de eeuwige gelukzaligheid
voor te stellen als een leven zonder booien. Ik verheug er mij op want
den hemel heb ik aan mijn verschillende keukenmeiden en kinderjuffrouwen
wel verdiend."
"Mijn ondervinding heeft mij geleerd" zeide een andere dame,
"dat er twee soorten van meiden zijn, de vriendelijke, zachte,
luie, kwezelachtige, smerige, suffe en de brutale, driftige, onbeschaamde,
die goed kookt en graag poetst. Ik heb vijf en twintig jaar tusschen
de twee gebalanceerd en ben nu eens weer aan de zachte, maar een varkensstal
als zij van mijn huis maakt 't is bar en nu ga ik het tegen Februari
weer met het andere soort probeeren."
"Ik", verklaarde een andere met een martelaressengezicht de
oogen ten hemel slaande, "ik heb nog een derde soort leeren kennen,
de grove, brutale, onbeschaamde, luie, smerige in een persoon."
Na het gelach dat op deze woorden volgde, ontstond er een kleine pauze
en ik maakte er gebruik van om heel leuk te vragen:
"Aan wie ligt toch de schuld, dat de meiden tegenwoordig zoo slecht
zijn?"
"Dat zal ik u vertellen," antwoordde nog voór dat iemand
iets kon zeggen, de dominésvrouw, mevrouw Schoolkamp, "dat
komt alleen van de nieuwmodische begrippen, die men met alle geweld
onder de werklui en de dienstboden verspreidt. Sedert de meiden hoeden
[55:]
dragen en mantels,
die de dames nog haast te mooi voor zich zelf zouden vinden en sedert
zij van haar vrijers allerlei geavanceerde ideên uit den Werkmansbond
hooren, is het gedaan met den goeien, ouden tijd. 't Is ergerlijk als
't niet zoo belachelijk was. Een vrouw van mijn jaren hoeft er zich
eigenlijk niet koud of warm om te maken want ik beleef het niet meer,
maar de jongere dames zullen misschien nog wel eens aan mij denken,
als zij eenmaal voor geld en goede woorden niemand meer kunnen vinden,
die zich verlaagt buiswerk voor haar te doen."
En driftiger dan anders liet zij de naald op en neer gaan.
"Neemt u mij niet kwalijk mevrouw," zeide een levendig vrouwtje,
de vrouw van den redacteur van ons Bergveldsch krantje, Michaels die
tot de steunpilaren van den aangevallen Bond behoorde, "ik moet
u zeggen dat de Werkmansbond niet de minste schuld draagt aan het slechter
worden der dienstmeiden, die ik waarlijk zoo vreeselijk erg nog niet
vind. De vroegere exemplaren waren ook zulke idealen niet, "zoo
heer, zoo knecht" zegt het spreekwoord. Ik sprak eens met een zeer
ontwikkelde vrouw over de stichting van een vereeniging ter verbetering
van ons dienstpersoneel. Mijn Sientje hoorde het gesprek uit de keuken
en zeide mij later: "Dat is heel mooi zoo'n vereeniging maar er
moet dan ook een er bij gesticht worden ter verbetering van de mevrouwen."
Eenigen begonnen er om te lachen maar de dominésvrouw zei op
indrukwekkenden toon:
"Op zoo'n gezegde had ik die brutale luistervink dadelijk ontslagen."
[56:]
"Waarom?"
antwoordde de andere, "ik had geen reden het mij aan te trekken."
"Maar lieve Suze" begon nu mevrouw Lange, de logée
van mevrouw Houtmans, een zachte blondine met lijdend uitzicht en kwijnende
manieren, "u kan mij gelóoven of niet maar met de beste
behandeling is het niet mogelijk zich tegenwoordig trouwe en aanhankelijke
booien te verzekeren. Ik heb van 't begin van mijn trouwen mijn meisjes
altijd zoo humaan behandeld, als mij mogelijk was. We zijn tweemaal
verhuisd omdat ons Treesje, een meid over wie ik zeer tevreden was,
verklaarde dat de trap te hoog was en ik nam een hulp voor het grove
werk, omdat Eduard ook vond, dat het wasschen en poetsen voor haar te
zwaar zou zijn. Zij was dan ook in het begin een beste meid dat kan
ik niet anders zeggen en zij kon mij zoo hartelijk verplegen als ik
onwel was."
"En veranderde zij toen?"
"Ik heb alle moeite gedaan om haar karakter te bestudeeren en haar
geest te optwikkelen."
"Verbeeld je!" riep juffrouw Frederike, "een meid haar
karakter bestudeeren."
"Hoe meer ontwikkeling zij hebben, hoe slechter," verklaarde
mevrouw Schoolkamp op een hoogen toon van gezag.
"Ik beschouwde ze als mijn gelijke en wij behandelden haar als
een kind des huizes; zij kreeg de mooiste cadeaux en nooit een boos
woord. Eduard die dweept met volksontwikkeling -"
"Alweer zoo'n nieuwmodisch stokpaardje!"
"Eduard gaf haar goede boeken en verlangde dat
[57:]
ik haar bepaalde
uren zou toestaan om daarin te lezen."
"Verbeeld je!"
"Hoe overdreven!"
"Daar zal u pleizier van beleefd hebben."
Zoo klonk het in koor en mevrouw Lange ging zuchtend voort:
"Reeds na een half jaar begon zij bits, humeurig en bazig te worden;
zooveel mogelijk trachtte ik haar door zachtheid te winnen maar dan
kreeg ik de brutaalste antwoorden want zij had zulke vreemde principes.
Aan haar werk dacht zij niet meer. Zij had niets aan haar hoofd dan
uitgaan en pronk, mijn dagelijksche uitgaven groeiden aan en ik begreep
niet waardoor. Eindelijk deden wij de allerdroevigste ontdekking dat
ze een in alle opzichten slechte meid was. Toch hebben wij met onze
volgende meisjes hetzelfde stelsel gevolgd en hadden steeds de treurigste
ondervindingen. Hoe veel vertrouwen ik haar ook betoonde, nooit ben
ik er voor beloond geworden. Dat is zeer verdrietig en ontmoedigend."
En de arme lijderes zonk in haar fauteuil terug en liet onverschillig
haar naald tusschen haar lange, bleeke vingers glijden.
"Wel mevrouw! 't spijt me voor u maar houd het mij ten goede",
zei een ferme, bijdehande dame, "als u het er op gezet had slecht
tuig tot booien te hebben: dan had u het moeielijk anders kunnen aanleggen.
Alle respect voor uw goed hart maar hier heeft het u toch een leelijke
poets gespeeld. Dat kan ik u verzekeren, als Trees bij mij gekomen was
met de boodschap dat zij geen trappen kon klimmen dan had ik
[58:]
geantwoord: "Nu,
dan doet het morgen een andere," en geloof me dan had zij een ander,
lager toontje aangeslagen. Neen, met goedheid alleen komt men er niet;
men moet op zijn tijd ook streng kunnen zijn."
"Daar heeft u groot gelijk in!" riep de scherpe stem van juffrouw
van den Berg, "dat weet ik bij ondervinding. Dat volk moet met
strenge hand geregeerd worden, anders durven zij alles. Men moet er
zich geen illusies over maken; zij beschouwen ons als hun natuurlijke
vijanden, die zij alleen maar dienen uit noodzakelijkheid en daarom
is het 't beste, de verhouding heel hoog op te vatten en op zijn recht
te staan. Ik heb mij bij dit systeem altijd goed bevonden. 't Is waar
dat ik dikwijls van meiden moet veranderen, maar wat komt dat er eigenlijk
op aan? Men heeft het voordeel, geen misbruiken te laten inroesten en
kan de lui zoo zuinig doen zijn als het in onze dure tijden noodig is.
Bij mij aan huis moet voor elken druppel melk en ieder stukje vleesch
verantwoording worden afgelegd en niets van wat er binnen gegeten wordt,
dwaalt naar de keuken; de resten eten wij den volgenden dag geregeld
op."
"Heeft u bij deze principes van uw bedienden wel ooit gehechtheid
ondervonden," vroeg nu van de canapé uit, waar zij de eereplaats
innam, mijn oude vriendin mevrouw van Beers.
"Ondervindt iemand die ooit in onzen tijd?" vroeg Frederike
terug en liet haar scherpen neus onderzoekend door den geheel en kring
dwalen.
"Ik niet," zuchtte mevrouw Lange, de lijdende blondine.
"Neen, waarachtig niet!" riep mevrouw Schoolkamp
[59:]
uit den grond van
haar hart. "Gehechtheid vindt men in onzen tijd bij de booien niet
meer. Vroeger had men zijn meiden tien, vijftien of twintig jaar, maar
nu lieve hemel! Je weet niet wat je overkomt als een meid het een jaar
bij je uithoudt."
"'t Is zooals men het opneemt," zei de redacteursvrouw "men
moet die aartsvaderlijke ideën laten varen. De menschen begrijpen
nu dat zij geen slaven meer zijn en kiezen natuurlijk tusschen twee
diensten den gemakkelijkste en beste. Zij dienen liever in een stil
gezin dan in een huishouden met zeven, acht kinderen. Ze hebben groot
gelijk; ieder zoekt zijn eigen voordeel, waarom zouden zij het niet
doen?"
"Hoe langer hoe mooier!" riep de dominés-vrouw verontwaardigd,
"zoo krijgen we hier amerikaansche toestanden, waar men geen vlek
afwrijft zonder daartoe bij contract te zijn overeengekomen."
"Nu dat is zoo erg niet," ging de geavanceerde dame voort,
maar nu verhief zich een storm van verontwaardiging uit alle keelen.
Ik luisterde vol inwendige pret toe en wachtte er mij wel voor door
een woord of gebaar te verraden wiens partij ik trok.
Hugo was er zeer tevreden over en prees later mijn terughoudendheid;
had ik mijn zin gevolgd, ik was de redacteursvrouw bijgevallen, niet
omdat ik in de praktijk haar in alle opzichten gelijk gaf maar om het
vuurtje aan te stoken en meer leven in de brouwerij te brengen; ik ben
nu blij dat ik die gevaarlijke proef niet ondernam.
Juist toen het tumult op 't hoogste was, kwam de lang verwachte mevrouw
van Zevenhoven binnen.
[60:]
Een door en door
gedistingueerde verschijning, every inch a lady, doodeenvoudig in zwarte
zijde gekleed met een eenvoudige gouden speld als broche; 't haar zilverwit,
dat bij haar nog jong, frisch gezicht zeer interessant staat en in dat
glanzende haar geen ander sieraad dan twee zwart gitten agrafes, een
ensemble zoo door en door chic, neen dat is het woord niet, maar in-aristocratisch,
in-deftig. 't Was of een goudfazant - de Bergveldsche dames zullen dit
toch nooit lezen - tusschen gewone kippen was verdwaald geraakt. - En
dit was nu een gulden waard te zien dat gebuig en gedring naar voren
om eens heel bekend met haar te doen, een handje machtig te worden of
een lachje; alleen mevrouw Michaels trok een zeer dédaigneus
mondje en hield zich op den achtergrond of ze zeggen wilde:
"Ik doe niet mee aan die aanbidding. Ik zou niet weten waarom die
barones hooger staat dan ik; zij moet mij zoeken als zij er behoefte
toe voelt."
Ik bewonderde intusschen den fijnen tact waarmede de barones door buiging,
handdruk, glimlach, vriendelijk woord of combinatie van een paar dezer
gunstbewijzen ieder wist te geven, wat haar toekwam.
Toen ik haar voorgesteld werd, zeide zij zeer vriendelijk met een ietsje
bescherming in naar toon:
"O mevrouw van Doornik, wat ben ik blij u te ontmoeten; spoedig
hopen mijn man en ik u een visite te maken; wij hadden het zoo druk
met logés, maar we blijven voorloopig toch hier en zullen dus
spoedig dat genoegen hebben. Mijn man en de uwe kennen mekaar sints
lang."
[61:]
Ik geloof dat ik
een kleur kreeg van plezier toen zij mij zoo onderscheidde en ik stond
zeker wel drie duim rechter op; ik durfde juffrouw Frederike niet aankijken,
ik weet zeker dat zij mij had kunnen aanvliegen van nijd.
De eerste oogenblikken nadat mevrouw Coelbergh van Zevenhoven de eereplaats
had ingenomen naast mevrouw van Beers, met het verzoek het levendige
gesprek niet te doen kwijnen, heerschte er toch een verlegen stilzwijgen,
totdat mevrouw Kraft naar mij voorkwam, heel lomp uitviel:
"O dat is iets, waarvoer zoo'n deftige dame als mevrouw van Zevenhoven
zich niet kan interesseeren."
Zij zag haar met haar heldere donkere oogen kalm aan en zeide bedaard:
"Waarom zou ik mij als vrouw niet interesseeren voor 't geen u
allen zoo belangrijk voorkomt?"
Nu trok ik de stoute schoenen aan en zeide met gepaste vrijmoedigheid,
maar zonder blozen:
"Of het u interesseeren zal mevrouw, klachten te hooren over de
onhebbelijkheden van onze meiden weten wij niet, maar ons zou het zeker
zeer veel waard zijn te hooren wat u denkt over deze voor ons huisvrouwen
zoo belangrijke quaestie."
"En waarom dan mevrouwtjelief, stelt u op mijn oordeel zooveel
prijs?" vroeg zij glimlachend en bedankte voor de koekjes, die
men haar presenteerde; "ik ben volstrekt geen bijzonder soort van
huisvrouw en er zijn hier onder de dames zeker velen, die er beter over
kunnen oordeelen dan ik."
"O!" riep de gastvrouw uit, "hoe kan u dat zeg
[62:]
gen; u die zoo benijdenswaardig
lang booien kunt houden."
"Dat wil ik gelooven," hoorde ik in mijn buurt fluisteren;
"vraag niet hoe hoog loon zij krijgen en wat voor lui leven zij
op Zeven hoven hebben."
"De vraag is maar," zei mevrouw Schoolkamp, "of u er
ook vóór is door uw bedienden op zijn Amerikaansch bediend
te worden."
"Dat kan ik niet zeggen," antwoordde de barones, "ik
zou het jammer vinden als de goede verhouding tusschen meesters en dienstboden,
zooals die thans nog in vele hollandsche families heerscht, verstoord
werd; daardoor zou een goed stuk huiselijk leven verloren gaan.
"Ja, maar we zijn al mooi op weg," meende juffrouw Frederike,
"dat kan niemand ontkennen."
"En niemand zal ook durven tegenspreken dat wij vroeger veel betere
dienstboden hadden dan nu," zuchtte de martelares op bijna huilenden
toon.
"Andere mevrouw, maar betere dat weet ik niet. Ik geloof dat men
in oude romans en komedies exemplaren genoeg vindt van brutale, bedriegelijke
knechten en meiden en ik geloof zeker, dat als Eva een meid had gehouden,
de klachten over slechte bediening zoo oud zouden zijn als de wereld."
"Maar die ellendige geest des tijds," viel mevrouw Schoolkamp
verbitterd uit, "maakt dat zij zich niet de mindere willen voelen
van haar meesteressen en door haar verregaande genot- en pronkzucht
hebben zij veel geld noodig en zoeken daarom naar niets anders dan naar
hoog loon. Waar zijn die goede, dege
[63:]
lijke meiden gebleven
van vroeger, die met f 50 levenslang tevreden waren, nog spaarden voor
den ouden dag en altijd eenvoudig maar keurig gekleed gingen, natuurlijk
niet als kale dames maar als nette meiden?"
"Waarom zouden zij het niet doen als zij er plezier in hebben?"
vroeg mevrouw Michaëls spottend, "het zijn toch ook menschen."
Ik zag dat mevrouw Schoolkamp driftig werd en een scherp antwoord klaar
had, maar met haar lieftallige bedaardheid kwam de barones er tusschen:
"Zeker zijn het menschen, mevrouw, maar zooals daar juist mevrouw
Schoolkamp zegt, bewijzen zij dat het nog bekrompen, onontwikkelde menschen
zijn, want een bewijs van onverstand is het zeker de tering niet naar
de nering te zetten en meer te willen schijnen dan men is; maar wie
zijn in de eerste plaats hier schuld aan? De dames zelf, die misschien
ook hierin een slecht voorbeeld geven en niets doen om haar meiden tot
spaarzaamheid op te wekken."
"Dat zou ook wat hebben!" hoorde ik hier en daar mompelen.
"Heeft u daar goede ondervinding van, mevrouw?" vroeg juffrouw
Frederike nog scherper dan anders.
"Ik kan niet anders zeggen dan ja."
"Dan heeft u het zeker bijzonder goed getroffen," zuchtte
de martelares, "ik heb ook alle moeite gedaan om mijn Treesje vooruit
te helpen en het goede te leeren maar noch met haar, noch met haar opvolgsters
wou 't lukken."
"Ik heb geen reden tot klagen," sprak mevrouw
[64:]
van Zevenhoven
eenvoudig, "u kent mijn meiden; zij zijn netjes maar niet overdreven
gekleed en ze doen haar werk juist zooals ik het verlang."
"Maar bij u komt het er ook niet op aan!" zei mvrouw Lange,
altijd even klagend.
"Waarom niet als ik vragen mag? Zeker, ik heb verscheidene dienstboden
maar mijn huis is ook groot en wij hebben veel gasten; zij krijgen goed
loon maar hebben ook veel te doen en ik verlang van hen dat zij het
goed doen. Ik behandel hen als menschen, ik stel belang in alles wat
hun aangaat, ik verg het onmogelijke niet van hen, maar ik sta er ook
op dat alles op de minuut gebeurt en als ik eens iets gezegd heb blijf
ik er bij. Bevalt iets mij niet, zoo maak ik hun er dadelijk attent
op, maar kalm, zonder mij boos te maken en vooral zonder er ooit weer
op terug te komen, zooveel mogelijk maak ik hun de gehoorzaamheid licht,
zonder hen den afstand tusschen ons te doen vergeten. Zij moeten voelen
dat een vaste hand hen regeert maar tevens dat een warm hart voor hen
klopt. Ik weet niet of dit nu het recept voor goede dienstboden is wat
de dames van mij verwachten, zeker is 't dat ik er mij altijd goed bij
heb bevonden."
"En ik raad de dames aan het allen eens zoo te probeeren,"
zoo sprak nu de verstandige, kalme stem van mevrouw van Beers, "ik
ben zeker dat zij er wel bij zullen varen. Ik ben een oude vrouw en
heb in mijn lange leven goede en slechte dienstboden leeren kennen,
maar ook goede en slechte meesteressen en hoe kunnen wij hun zelfbeheersching
leeren als wij zelf ons al onze grillen inwilligen, hoe spaarzaamheid
als
[65:]
wij ver boven onzen
stand leven en allerlei onnoodige uitgaven doen? Kunnen wij van hen
verlangen dat zij vlijtig zijn en ingetogen als wij den geheelen dag
niets uitvoeren, lang slapen en alleen denken aan ons plezier of ons
toilet? Wanneer wij ons ontevreden toonen en over alles knorren, kan
men dan van hen vergen dat zij altijd tevreden zijn? Neen, wij moeten
beginnen met zelf verstandiger en beter te worden, dan is er alle kans
op, dat ook onze onmiddellijke omgeving zich verheft tot hooger peil."
"De dames hebben mooi praten, zij moesten het eens ondervinden,"
hoorde ik zeggen, maar ik zag die beide dames op de canapé met
bewondering en sympathie aan. Wat leken ze veel op elkander, dat eenvoudige
oude vrouwtje in haar zwart wollen kleed en die gedinstingueerde dame
der wereld, maar er is een adel des gemoeds en des geestes, die een
hoogere gelijkenis verleent dan naaste verwantschap.
Spoedig werden er sandwiches gepresenteerd en gebak; het gesprek nam
een andere richting en nu vond ik gelegenheid mijn lief buurmeisje eens
aan te zien; zij had een alleraardigst gezichtje, een paar groote reebruine
oogen met een onschuldige uitdrukking en mooi, dik, kroezig maar allerakeligst
opgemaakt haar.
"Och," dacht ik, nals men het arme kind eens iets anders kon
aantrekken dan dat nare, bonte, grootgeruite kleed met grof linnen kant
gegarneerd en dan dat haar een beetje smaakvol arrangeeren, wat zou
zij er veel liever uitzien. 't Is een schande zooals de menschen hier
weinig weten te woekeren met hun uiterlijke voorrechten."
[66:]
Ik vroeg haar of
zij zich niet verveeld had onder onze lange redeneeringen.
"Veel nut heeft u er zeker niet uit getrokken, want u heeft zeker
nog niet het geluk met meiden om te moeten gaan."
Een droevige uitdrukking kwam over haar lief gezichtje.
"Daar vergist u zicb toch erg in, mevrouw; ik ben wel degelijk
huisvrouw. Mijn lieve mama is gestorven terwijl ik nog op het pensionaat
was. Papa heeft een groote houtzaagmolen een kwartier buiten de stad;
ik moet de huishouding doen en ik ken er zoo bitter weinig van."
En toen zich vertrouwelijk tot mij buigende, fluiterde zij:
"Och mevrouw, ik ben zoo blij dat ik naast u mag zitten, ik ken
u reeds zoo lang. U beeft zeker niet op mij gelet maar, als ik u met
mijnheer langs ons huis zie wandelen, dan kijk ik u altijd na omdat
ik u zoo graag zie. U neemt het mij toch niet kwalijk?"
"Dat u mij graag ziet -:- wel neen zeker niet."
"Neen, dat ik mij zoo lomp uitdruk, maar dat doet er niet toe;
ik ben zoo blij dat ik eens met u mag spreken. Papa heeft het zoo druk
en houdt niet van conversatie sedert mama's dood en ik heb het ook altijd
zoo vreeselijk druk. Als ik eens uit kan breken, mag ik dan bij u aankomen,
al is het dan ook niet op het officieele visite-uur?"
"Dan weet ik nog beter. Als wij eens weer dien kant uitwandelen
den Zutphenschen weg op, mogen wij dan eens bij u uitrusten?"
[67:]
Haar oogen schitterden
en vol geestdrift antwoordde zij:
"Zou u dat willen doen, mevrouw? O hoe heerlijk hoe heerlijk!"
En bij mijzelf dacht ik:
"Ik hoop dat mijn vriendelijkheid jegens dit lieve kind beloond
mag worden door een toenadering voor mij met mevrouw van Zevenhoven,
voor wie ik dezelfde sympathie en vereering koester als Claartje voor
mij schijnt te voelen."
Tegen tien uur was alles afgeloopen en ik ging naar huis, niet ontevreden
over mijn avondje. Ik was twee goede bekenden rijker geworden.