1
December.
Heden hebben wij
een prachtige wandeling gemaakt. Het was een echte sneeuwdag; de boomen
zagen er uit als kristallen lustres en de grond voor zoo ver het oog
reikte was een en al een blinkend ijzelveld. Wij hebben Claartje een
bezoek gebracht; en nu heb ik een vriendin en ook zelfs een vriend,
die mij echter volstrekt niet bevalt.
Daags na de groote vergadering kwam 'k 's middags t'huis van een tochtje
langs de winkels om toch iets voor St. Nicolaas te kunnen machtig worden
- maar veel succes had ik niet. 't Is alles hier leelijk, ordinair banaal
en duur om van te schrikken.
Mijn hoop om met Sint Nicolaas naar Amsterdam te gaan is niet vervuld,
maar met Kerstmis zal het stellig zijn. Hugo heeft het mij beloofd en
dan heeft men er
[68:]
veel meer aan,
zoo'n paar dagen met je tweeën; misschien mag ik alleen dan wel
tot na Nieuwjaar blijven, al vind ik het wel akelig zoo lang van mijn
Hugo gescheiden te zijn. Maar ik draaf weer door, dat komt er van als
ik over Amsterdam aan den gang ben, dan vergeet ik alles. Waar was ik
ook over bezig?
O, ja, over dien zoogenaamden vriend; ik kom thuis en hoor van Rika
dat mijnheer in de zijkamer zit en bezoek heeft; nu ga ik binnen nog
met mijn hoed en mantel op want, denk ik, iets vreemds zal het toch
niet zijn, jawel daar staat een heer op, deftiger gekleed dan de meeste
Bergveldsche heeren, die mij plechtstatig groet terwijl Hugo zegt:
"Je kent mijnheer toch wel, Emmy! Dr. Brands, een oude bekende
van je!"
"O, zoo mijnheer Brands!" roep ik verwonderd, "hoe komt
u hier in Bergveld?"
Een jaar geleden ontmoette ik hem wel bij kennissen van ons en mijn
vriendin Helene had veel idée op hem. Hij maakte ook wel werk
van haar, maar op een goeden dag hoorden wij dat hij naar Rusland was
vertrokken; toen was hij redacteur van een courant en deed veel aan
muziek.
Ik mocht hem nooit graag lijden, ik vond altijd dat hij zoo'n aansprekersgezicht
kon trekken; de meeste meisjes, Helene bovenaan, vonden dat ijsselijk
interessant en dweepten met bem, maar ik noemde het poseeren, niets
anders.
Als hij je te dansen vroeg was het al zuchtend of hij iets deed wat
verre beneden zijn waardigheid stond en alles wat bij sprak was even
gemaakt en blasé.
[69:]
Men noemde hem
een kunstkenner, zeker omdat hij alles afkeurde, veel met artisten omging
en niets naar zijn smaak vond. Mij behandelde hij altijd als een onbeduidend
kind, zeker omdat ik niet veel met hem ophad en het hem ook liet merken,
en soms mijn lachen niet kon houden als hij zoo lijzerig sprak en alles
te zwaar, te lastig of te verdrietig vond.
Ieder dacht dat hij doctor in de letteren was maar dat was hij niet;
hij had voor natuurwetenschappen gestudeerd maar vertelde dit niemand.
Onder den schijn van pessimisme zei hij aan de dames de grofste dingen;
die vonden het aardig en geestig; ik geloof waarlijk dat Helene er nog
een dag om gehuild heeft toen hij vertrok zonder zich te declareeren.
Gelukkig dat zij nu geëngageerd is, anders schreef ik haar niet
dat hij hier komt wonen; zij zou in staat zijn mij belet te vragen alleen
om haar ideaal nog eens en dan voor goed te komen veroveren.
Ondanks zijn wereldverachting zocht hij een rijke vrouw en Helene was
hem zeker niet rijk genoeg om hem eenigermate te vergoeden, wat hij
aan de onafhankelijkheid van zijn eigen kostbaar persoon verloor.
Waarom hij zoo met de noorderzon vertrok, begrepen wij niet, en maakten
er ons ook trouwens niet moe over en daar duikt hij me waarlijk weer
op in Bergveld en dan nog wel in mijn eigen huis.
Hij heeft de gewoonte nooit iets rechtuit te zeggen maar het in allerlei
bochten te verwringen en onder hoogdravende termen te verbergen; toch
kon ik uit zijn woorden zooveel opmaken dat hij in Rusland
[70:]
geweest was om
er prachtige zaken te doen, maar dat is misgeloopen. Bijna was hij als
nihilist naar Siberie verbannen en thans moet hij het algemeene lot
van alle stervelingen deelen, om naar een betrekking om te zien - Nu
is hij, de groote geest, heel prozaïsch terecht gekomen aan de
scboensmeerfabriek, die bij westenwind ons zulke heerlijke geuren toezendt
dat wij al onze vensters moeten sluiten.
Daar kan hij met zijn aesthetisch fijn gevoel eens proeven nemen op
de fabrikantsvrouwen haar drie dikke dochters, die natuurlijk alles
zullen doen om den vreemden vogel in haar netten te lokken.
Waarom hij nu juist mij opzocht, die vroeger zoo ver beneden hem stond,
begrijp ik niet; misschien ben ik als griffiersvrouw in zijn achting
gestegen of vindt hij in het rijk der blinden een oog koning en hoopt
hij door mij in goede kringen te komen.
Heel hartelijk was ik niet; Hugo noodigde hem vriendelijk uit eens terug
te komen en hij antwoordde veel beleefder dan ik vroeger van hem gewoon
was.
Wat kan alles toch veranderen!
Den volgenden dag wandelde ik met Hugo naar de houtzaagmolen van Clara's
vader en daar Hugo weer in de stad moest zijn en hij aan het gezelschap
van den ouden heer niet veel beeft, liet hij mij daar en ging terug.
Clara was dol van vreugde en dadelijk zoo vertrouwelijk; zij vertelde
mij al haar treurige ondervindingen op huishoudelijk gebied en terwijl
ik haar aanhoorde, zwol mijn hart van trots en voelde ik mij in vergelijking
met haar een echte kraan. Zij schijnt daar ook
[71:]
van overtuigd te
zijn en ziet hoog tegen mij op als naar een modelhuishoudster. Zij moest
eens weten wat voor domheden ik al op mijn geweten heb!
't Arme schaap weet van niets, en dat is nog liefst op een duitsche
huishoudschool geweest!
"Och mevrouw!" zuchtte zij terwijl zij dicht naast mij schoof,
mijn hand greep en mij met haar groote onschuldige oogen vol vertrouwen
aanzag: "u weet niet wat het is zich zoo alleen te voelen zonder
een mensch, die je helpen of raden kan. Mijn goeie moeder was een zeer
spaarzame vrouwen zoolang zij leefde zou men denken, dat wij ons niet
de minste weelde mochten gunnen - alle dagen aardappelen, groenten,
vleesch, nooit wat bijzonders; dus had de meid ook geen gelegenheid
iets te leeren want mama deed alles liefst zelf. Maar Papa heeft graag
lekker eten, al kost het ook wat meer, dat kan hem niet schelen. Nu
was hij laatst jarig en ik dacht "wacht, nu verras ik hem eens
met een lekkeren haas." Hoe men daarmede te werk gaat, dat staat
immers in het kookboek! Ik lees het goed na en speel het wel klaar!"
Ik hield mij goed maar onwillekeurig dacht ik aan den haas, waarop ik
onlangs mijn man had getracteerd, en die zoo lekker gebraden op tafel
kwam. Dat was heelemaal Rika's werk, maar wat een voorrecht dat ik niet
den heelen dag in mijn kookboek behoef te studeeren en te wagen of het
eten goed uitvalt!
Clara ging intusschen voort met haar verhaal:
"U moet namelijk weten dat ik geen volslagen keukenmeid heb maar
een jong, braaf meisje. Ik dacht, 't is beter dat wij samen leeren dan
dat een
[72:]
oude keukenmeid
mij de baas is en hier alles te zeggen wil hebben."
Daar kon ik ook in komen; dat is zeker niet alles, maar toch van twee
kwaden moet men het beste kiezen en daarom "Leve Rika!" Ik
zou anders niet rustig hier kunnen zitten praten terwijl zij behoorlijk
voor het middageten zorgt.
"Grietje, heet zij, en is heel goed maar een beetje dom. Nu dan
Donderdag morgen bracht een boer mij den haas; ik neem eerst mijn "Davidis"
en lees oplettend wat er in staat over hazen; dan neem ik het boek mee
naar de keuken.
"Hoor eens Grietje" zeg ik in het volle besef van mijn kennis
"hang nu den haas aan dien grooten spijker, zet er een schotel
onder en pas op." Nu lees ik haar langzaam voor: "Men houdt
met de linkerhand de rechterpoot van den haas vast" - heb je het
Grietje? "dan neemt men een scherp mes, snijdt rondom den hals
het vel af en stroopt nu het vel er af." Dat klinkt heel gemakkelijk
maar 't is zoo moeilijk uit te voeren; wij trokken en trokken, Grietje
en ik, uit al onze macht, tot het vel er eindelijk af was. En nu las
ik verder voor van het opensnijden en wij probeerden dat ook, maar het
was schrikkelijk en zoo vies. O foei! We verloren beiden het hoofd!
U had het eens moeten zien hoe wij maar raak sneden, uit wanhoop en
hoe het bloed door de keuken spatte. Ik weet nog niet hoe wij met dien
haas zijn klaar gekomen -. "Davidis" was ook vol bloed geraakt
op het artikel haas en ik legde het maar weg; eindelijk na een uur was
de haas gestroopt en schoongemaakt."
[73:]
"Maar waarom
liet u den haas niet klaar en al van den poelier komen?"
"We hebben hier geen poelier. De dames of de meiden doen het allen
zelf, En ik houd er niet van anderen er bij te halen; als ik u nu gekend
had, zou ik misschien Grietje naar uw meid gezonden hebben, want ik
weet niet hoe 't komt, voor u geneer ik mij niet. Die andere dames zouden
mijn domheid overal bepraten en mij uitlachen en u doet dat niet, dit
weet ik zeker, al weet u het misschien nog veel beter."
Lieve kind! Je moest eens weten hoe nederig ik mij tegenover je gevoel.
Ben ik wel zooveel wijzer?
"U wil niet gelooven hoe moeilijk het is alles volgens het kookboek
te koken. O laatst met die snoek, dat moet ik nog even vertellen. Verveel
ik u niet? Niet? Nu dan, ik had een snoek en die was nog niet heelemaal
dood en onder het afschubben werd zij weer levend en sprong uit de keuken
naar het salon en Grietje en ik liepen haar na en vingen ze eindelijk.
O het was zoo akelig; wij huilden beiden van schrik en durfden het beest
niet weer aan te vatten; geen van ons."
"En toen hebt ge hem daar half dood laten liggen?" riep ik
verontwaardigd.
"Neen, wij riepen een van de jongens uit de molen en die heeft
haar geheel dood gemaakt, maar des middags kon ik er toch niet van eten."
Och, och! wat een onervarenheid! Ik was toch een heel andere huisvrouw
- met Rika achter mij.
Daarom troostte ik Clara zoo goed mogelijk, zei haar dat zij altijd
bij mij welkom was en dat ik haar met
[74:]
raad en daad zou
bijstaan - uit den schat van mijn ondervinding! Verbeeld je!
En het kind was zoo dankbaar. Zij viel mij om den hals en begon haast
te schreien van aandoening en ik omhelsde haar hartelijk terug en kon
niet anders doen dan haar zeggen:
"Wij zullen heel goede vriendinnen worden, lieve Clara!"
Ik voel mij nu al veel meer thuis in Bergveld, 't is of langzamerhand
zich allerlei draden spannen tusschen mij en dit vreemde stadje maar
daarom denk ik toch niet met minder verlangen aan mijn dierbaar Amsterdam
en tel de dagen tot Kersmis. Hoe heerlijk daar weer te winkelen, naar
concert, opera en komedie te gaan!
De familie terugzien! O ja, natuurlijk, dat in de eerste plaats.