[40:]
19 November.
Nu wordt het toch
eens tijd, dat ik over mijn kenissen iets van mijn indrukken opschriif.
Ik heb reeds alle visites gehad en ben nu druk bezig ze terug te brengen.
Zoo leert men de menschen beter kennen dan als ze allen te gelijk bij
je komen; men houdt er zoo verward beeld van over. Stijve oude dames,
meestal vrij zwaar of brood mager, met japonnen van twintig aar geleden,
jonge meisjes even ouderwetsch of anders de mode van het oogenblik zeer
overdrijvend, zonder ze door eigen smaak of vinding eenig cachet te
geven. Heeren met en zonder baard, grijs, donker, blond of wat men zoo
beleefd is onder blond te verstaan, niet interessant om te zien of aan
te hooren; mij dunkt, Hugo en ik moeten tusschen hen vogels schijnen
van heel ander pluimage.
Ik hoorde hun namen, maar geen hunner trok mij aan. Er werd gepraat
over het wennen en niet wennen in Bergveld, over de heerlijkheden en
de drukte van Amsterdam, die bij de eene wel, bij de anderen niet in
den smaak vielen, over het weer en andere belangrijke onderwerpen meer,
en ondertusschen keken de dames flink rond, zoowel naar het nieuwe vogeltje
als naar haar kooi.
Mijn hart stond echter dikwijls stil, als die grove, kolossale mannen,
op mijn lieve, vergulde stoeltjes gingen zitten, of die dames haar natte
mantels - 't regende juist op mijn at home - uitspreidden over mijn
mooie crapauds en op mijn canapé bonzend neervielen.
[41:]
Ja, mijn schoonmama
had wel gelijk dat de meubels niet geschikt zijn voor dagelijksch gebruik,
maar mama en de zusjes vonden ze zoo honnig.
Nu begin ik wat schifting te houden onder mijn indrukken en ze wat uit
elkaar te kennen, nadat ik mijn contravisites heb gemaakt en de slotsom
van mijn bevindingen is, dat ik hier weinig van mijn genre vind.
Ze zijn bijna allen zoo wanhopig provinciaalsch; zélfs juffrouw
Frederike van den Berg, die mij midden in mijn groote wasch kwam overvallen,
en die toch pas sedert een paar jaar uit den Haag hier is komen wonen,
heeft de kleinsteedsche allures zoo geheel en al aan genomen, dat men
haar voor een geboren Bergveldsche zou gaan houden, al wil zij juist
voor het tegendeel doorgaan.
Zij bewoont met haar oom een verbazend groot hol huis; de kamers zijn
vol massieve meubels en daar zij hier den toon wil aangeven heeft zij
de muren behangen met allerlei japansche waaiers en draperien van sarongs,
de zware canapé's en kolossale tafels in zoogenaamde bevallige
wanorde, hier en daar neergezet wat zoo'n beetje den indruk maakt van
dansende olifanten en rhinocerossen, en de groote kamer bijna te klein
maakt, om er vrij door heen te loopen.
Als mijn man's moeder haar tot schoondochter had gehad, zou ze nog wel
andere aanmerkingen hebben gemaakt, op de inrichting. Bij mij is ook
alles niet symetrisch gearrangeerd, maar daar leenen de sierlijke meubels
zich vanzelf toe.
Juffrouw Frederike was vreeselijk lief, en vond mijn bezoek ijselijk
aardig en begon dadelijk over nieuwe
[42:]
komedies en de
laatste boeken in de portefeuille en te klagen, dat er hier in Bergveld
zoo weinig aan intellectueel genot werd gedaan.
Al haar pogingen om een letterkundige club op te richten, waarbij men
drama's zou voorlezen, hadden schipbreuk geleden; of ik haar een beetje
helpen wilde, er waren nog een paar dames, die er ook wel iets voor
voelden, maar die waren niets ontwikkeld - zij heeft om den anderen
volzin het woord "ontwikkeling" in den mond - daar ging de
bel - en deze dames kwamen juist binnen.
In mijn angst dat juffrouw Frederike dadelijk op staanden voet zou overgaan
tot oprichting eener club, gaf ik Hugo die in druk gesprek zat met zijn
chef, een wenk, en wij stonden op, toen de nieuwe gasten verschenen.
Nu ging het naar den notaris Kraft, waar het de volmaakte tegenstelling
was met Frederike's interieur vol gewilde moderniteit.
In het salon zat moeder Kraft, omringd door haar vier dochters, op pronk;
als door een mechaniek bewogen, stonden zij alle vijf op, om ons te
groeten; alles om haar heen was pijnlijk netjes en stijf, stijf - niet
om uit te drukken.
Verveling scheen uit alles te zweeten, uit de menschen en de meubels;
zij hadden japonnen aan uit den tijd der tunieken, alles van het beste
goed, dat zelfs een zondvloed zou kunnen overleven, maar zoo rechtvaardig
opgemaakt, de mouwen zoo glad af, het haar als met vet vastgeplakt en
achter in een paar kleine vlechtjes opgestoken - natuurlijk boezelaars
voor alsof zij nu op zondag-middag keukenwerk moesten doen in
[43:]
plaats van visites
te ontvangen. Alles even degelijk, maar "Schoonheid verboden"
scheen hier het devies te zijn.
De meisjes zaten als harken met haar handen in den schoot en zeiden
geen enkel woord; en mama sprak zeer eenvoudig, zeer bedaard, zeer wijs
en zeer afgemeten, zoo, dat ik den afstand nooit vergeten mocht tusschen
haar, de vrouw van langdurige ondervinding en mij het wereldsche, onbeduidende
popje; zij voelt zich blijkbaar meters boog boven mij verbeven.
We bleven er maar zoo kort mogelijk en opstaande, was het eerste wat
mij ontviel, een welgemeend: "Oef!"
"Voorzichtig, zij konden je hooren!" zei Hugo, verschrikt
achteruit ziende.
"Och, wat! 't Is een ijskelder, je bevriest daar! Zeg Hugo, had
je geen lust in een van die Krafjes?"
We schelden toen aan bij den burgemeester, die kort geleden een meisje
uit een herberg heeft getrouwd.
Het scheen dat wij niet erg gelegen kwamen, want zij lieten ons een
poos in de gang staan en in de keuken werd druk geparlementeerd. Toen
kwam de meid, een flinke boerendeern, weer terug en liet ons in het
eenvoudig gemeubelde salon binnen, en even later verscheen het vrouwtje
heel verlegen en heel linksch; zij verzocht Hugo en mij op de canapé
te zitten en zij nam hoogst bescheiden op de punt van een stoel plaats.
Haar handen konden geen oogenblik rustig blijven; dadelijk daarop kwam
haar man binnen, een goedige reus, die het buskruit niet uitgevonden
heeft, Jonker Van Hoogendijcke, jongste zoon van een rijk, adellijk
geslacht, die voor niets anders geschikt scheen dan
[44:]
voor zijn tegenwoordige
betrekking. De kwade wereld zegt, dat hij mooi Fietje uit "de Snoek"
allang het hof maakte en haar, zoodra hij onafhankelijk was, getrouwd
heeft. Des te beter voor hen! Ik zal niet zooals de Bergveldsche aristocratische
dames, de tegenwoordige Jonkvrouw van Hoogendijcke met minder achting
behandelen. Integendeel! Ik deed juist mijn best heel lief en vrienlijk
tegen haar te zijn.
"We zijn beiden jong getrouwd," zeide ik, "wij moeten
mekaar dus helpen en zoeken."
Zij zag mij verschrikt aan, of zij mij niet begreep en kreeg kleur op
kleur.
"U moet spoedig bij ons op de thee komen met uw man." Zij
antwoordde niets bepaald, keek haar man aan en wrong haar grove, roode
handen, onnoozel lachend:
"Ik weet niet - als mijnheer. . . . het goed vindt."
Bij 't afscheid zei ik, toen zij mij mevrouw noemde heel genadig:
"Noemt u mij, Emma, en hoe heet u?"
"F . . . . Fie - Sophie!"
"Nu, dag Sophie, tot ziens!"
"Wat deed je dadelijk groot met Fietje Wildedier!" zei Hugo,
met iets ontevredens in de stem.
"Nu ja, wat zou dat? Ik heb medelijden met dat vrouwtje, zij kijken
haar hier zoo met den nek aan."
"Daar heeft zij ook aanleiding toe gegeven, zou ik denken."
"Kan zij 't helpen, dat zij van minderen stand is."
"Neen, maar wel dat zij dien lummel van een Hoogendijcke ingepakt
en hem tot zoo'n huwelijk gebracht heeft."
[45:]
"Nu waarlijk
zooveel beter is hij niet dan zij; hij verdient niet veel beter."
"Zijn ouders hebben geld en dan zijn naam. . . . ."
"Al had hij nog tienmaal meer geld en nog mooiere naam, ik had
hem niet genomen."
Hugo lachte weer en ging ernstiger voort:
"Leg het niet te druk aan met Fietje; zij is geen vrouw voor je
om mee om te gaan. Niemand bemoeit zich hier met haar en daar zal men
ook redenen toe hebben."
"Daar voel ik mij boven verheven!"
"Trekt zij je dan zoo aan?"
"Neen, niet precies, maar ik heb medelijden met haar, hoe het ook
zij, nu is zij toch mevrouw van Hoogendijcke en heeft aanspraak op achting!"
"Och, zij zal niet eens op je omgang gesteld zijn. 't Liefst zit
zij in de keuken met de meid te praten. Dat is haar liefste conversatie!"
Wij waren nog niet uitgepraat over dit onderwerp, toen wij weer aanschelden
bij den gepensioneerden majoor Winterveld, waar ik de onverwachte ontdekking
maakte, dat zij een zuster van mevrouw - de zeer geëmancipeerde
mevrouw van Hamelen is, die ik verleden jaar in Amsterdam aantrof en
die daar zoo in opspraak was, - een stijve, deftige vrouw, niets gelijkend
op haar luidruchtige zuster.
Den onaangenaamsten indruk ontving ik in het huis van Dr. Massieu; alles
ziet er hier even verwaarloosd en onsmakelijk uit; rafelende loopers
op den trap, een gebarsten ruit in de gangdeur, de kamer overvuld met
allerlei prullen o. a. leege gemberpotten bij wijze van
[46:]
blauw porcelein,
de stoelen met verschoten en versleten overtrekken, gaten in de tapijten,
verwelkte bloemen in de vazen, het behang vochtig geworden, hier en
daar afgescheurd, mooie stukken, maar slecht onderhouden, stoffig, de
huisvrouw met een spits, geelachtig, vervelend gezicht, broodmager,
in een oude japon, behangen met losse gitgalons en linten, die niet
met de hoofdkleur harmonieeren, alles even schreeuwerig en dissoneerend.
De dokter is een knap man maar met een onaangename sarcastische uitdrukking
in zijn oogen. Iedereen weet, dat het een allerellendigst huwelijk is.
Hoe vreeselijk moet dat zijn, een ongelukkig samenleven! Goede God!
bewaar Hugo en mij ervoor, dan liever den dood in de eerste dagen onzer
jonge liefde!
Zelfs in onze tegenwoordigheid zeiden zij elkander hatelijkheden; wat
was ik blij, toen wij weer op straat stonden!
Een ware verademing was het, eens niet critisch, niet stijf en opgeprikt,
niet linksch, maar heerlijk prettig ontvangen te worden. Dat was het
geval bij een oude vriendin van Hugo en zijn moeder, de weduwe van overste
van Beers, wier zoons steeds zijn beste vrienden waren.
Is het niet zonderling, dat ik mij juist bij een oude dame het meest
op mijn gemak voelde en dat van al mijn nieuwe kennissen zij mij het
meest aantrekt?
De goede, lieve dame, zat keurig gekleed in het zonnetje voor haar raam,
tegenover de vogelkooi en de jardinière, die vol groen en bloemen
de lente in het vertrek tooverde.
[47:]
Zij begroette mij
allerhartelijkst, kuste mij op het voorhoofd en noemde mij "lieve
kind"; dat deed mij bepaald goed en toen wij zoo echt thuis bij
haar zaten, keek ik de kamer rond om eens te weten, waaraan ik toch
dat aangename, gezellige gevoel te danken had, dat mij sedert ik hier
binnentrad vervulde maar ik kon 't niet begrijpen.
De meubels waren overoud en volstrekt niet mooi antiek, het hout zoo
donkerbruin, de overtrekken verschoten, en toch, ofschoon alles er zoo
onartistiek uitzag, was het toch de prettigste kamer, die ik nog gezien
had, en ik zei het de oude dame oprecht.
"Och, kom!" antwoordde zij lachend, "hoe kan de eigenares
van zulke mooie nieuwerwetsche meubeltjes mijn oude rommel nog het aankijken
waard vinden?"
Ik lachte ook en toen zeide zij ernstiger:
"Zie je, kindlief, ten eerste hangen mijne herinneringen, zoete
en bittere, aan deze oude meubels; men verliest een stuk van zichzelf,
telkens als men er een opruimt; ten tweede geloof ik, dat men tegenwoordig
tot plicht heeft, door zijn voorbeeld den algemeenen zucht tegen te
gaan, meer te willen schijnen dan men is. Er zijn altijd twee soorten
van menschen: zij, die gaarne een mooie inrichting hebben, en zoo duur,
dat men er van moet afzien menschen te verzoeken om op stoelen en canapé
te zitten en andere die liever hun, goede vrienden tusschen oude meubels
bij zich verzoeken en uit gewone schotels laten meeëten. De eerste
soort menschen neemt gaandeweg in aantal toe en men moet hun niet in
de hand werken. Wilt ge wel gelooven, dat het meer goed doet, dan een
lange
[48:]
preek, als een
ontevredene vrouw, die haar man om nieuwe meubels plaagt, hier mijn
oud canapétje ziet, waarop ik reeds sedert bijna vijftig jaar
zeer ongemakkelijk, maar toch ook zeer vroolijk zit? Waarom ik geen
nieuwe koop? Ja, zie je, al gaf mijn goeie man er mij inderdaad telkens
het geld voor - vroeger lette ik er niet op, ik had geen tijd om aan
zitten te denken, toen mijn zes jongens hier nog rondsprongen en later
was er altijd iets noodiger voor de kinderen, voor het huis of voor
een arme moeder, die met een stuk of acht wurmen bleef zitten. En zoo
bleef het canapétje staan en nu zou ik het niet meer willen ruilen
tegen den mooisten divan."
Dat was voor mij iets heel nieuws; ik had nooit gedacht, dat oude, versleten
meubels zooveel te denken konden geven. Ik besloot de oude vrouw dikwijls
te bezoeken en bij gelegenheid om raad te vragen; zij heeft zoo'n heel
andere manier om met jonge menschen om te gaan, als mijn schoonmoeder;
zij zal niet lachen om mijn onervarenheid, en ook niet uit de hoogte
op mij neerzien.
Wij hadden vandaag onzen tijd goed besteed en hielden met visites maken
op; ik kan niet zeggen dat behalve met mevrouw van Beers ik bijzonder
met mijn nieuwe kennissen op heb.
Er is echter een huis, maar helaas! dat staat niet op ons programma;
de bewoners hebben ons geen visite gebracht; zij leven zeer teruggetrokken
en toch zou ik met niemand liever in kennis komen. Het zijn echte aristocraten:
baron van Coelbergh tot Zevenhoven.
Zijn vrouw moet veel aan literatuur doen; zij gaan
[49:]
gewoonlijk tegen
het einde van December, als de jachttijd om is, naar den Haag terug
of brengen den winter in het Zuiden door.
Wat moet zoo'n leven heerlijk zijn; want 't is hier onuitsprekelijk
saai en vervelend, die sneeuw dwarrelt zoo eindeloos door de straat
langs de ramen, 't is of het nooit zal opbouden met sneeuwen.
Wanneer Hugo binnen is, dan vergeet ik weer en wind en zou met niemand
ter wereld willen ruilen, maar in de lange uren, dat ik alleen ben,
wat zou ik dan genieten van zoo'n gezellig babbeltje met de zusjes of
mijn vriendinnen.
Ik tel de dagen tot Kerstmis!