15
November.
Lachend lees ik
de laatste regels, die ik hier neerschreef over; alles is voorbij angst,
zorg, pijn, - teleurstelling!
O neen! Waar is onze kleine Rudolf of Kees, over wien wij zoo dikwijls
vroolijk kibbelden en van wien ik een artist, Hugo een koopman wou maken?
Hier naast mij in de met hemelsblauw versierde wieg ligt ons kindje
maar - 't is geen Rudolf, geen toekomstige kunstenaar of officier neen!
doodeenvoudig een klein, heel klein meisje.
Alles is mij bijzonder meegevallen, van sterven geen sprake! Hugo had
het misschien nog zwaarder te verantwoorden dan ik; hij zag er ten minste
zoo bleek uit als in de ergste dagen van zijn ziekte en toen het bleek
dat onze zoon - een meisje was, trok hij een gezicht zoo mal, dat ik
ondanks mijn benauwde positie er toch om lachen moest.
[185:]
Wij hadden zoo
vast op een jongen gerekend dat er geen naam voor de kleine meid was
bedacht - maar ik kan me nog maar niet begrijpen dat wij zoo dwaas,
konden zijn - een meisje is toch veel aardiger dan zoo'n wilde jongen.
't Is een vooroordeel altijd 't eerst op een jongen te rekenen; hoe
prettig voor 't kind zelf als zij groot is nog zoo'n jonge moeder te
hebben, meer een oudere zuster en een vriendin, en wat zal zij mij al
spoedig in 't huishouden kunnen helpen, die lieve kleine meid en vaders
hebben gewoonlijk ook heel veel met hun dochters op en ik ben zeker
dat Hugo nu reeds zijn meisje niet zou willen ruilen, tegen drie dozijn
jongens.
Ik had mij zeer verheugd op een kindje en zou het bitter treurig gevonden
hebben er geen te krijgen, maar toch was ik eerst een beetje bang voor
zoo'n klein schepsel en vreesde er niet mede om te kunnen gaan. Bovendien
vond ik zulke kinderen altijd even leelijk en begreep niet hoe men van
mooie pasgeboren kleintjes kon praten, maar nu de baker mij verlaten
heeft en ik zelf voor het kind moet zorgen, nu gaat mijn hart open van
bewondering en vreugde over mijn - ons kind!
Wat een meesterstuk der schepping, die fijne ledematen, dat snoezige
neusje, die aardige vingertjes en als ik denk dat het mij geheel toebehoort,
Hugo en mij, o dan vloeit mijn hart over van dankbaarheid om den grooten
schat ons geschonken in dit hulpelooze, lieve wezentje. Hugo knielt
dan naast mij voor het wiegje en samen bewonderen wij onze kleine Johanna,
Elisabeth, zoo als zij naar haar beide grootmoe
[186:]
ders is genoemd,
dood-eenvoudige namen maar ons zoo dierbaar.
Wat zij gelukkig zijn die grootmoeders! Mama kwam over vóór
de zware ure en verbeeldt zich dat het haar eigen kind is; zij bekende
mij dat zij soms nog zoo'n onweerstaanbaar verlangen kan hebben naar
een baby.
Als men haar ziet zitten, zoo elegant en met zulke stralende oogen het
kind op haar schoot overladende met allerlei zoete bewonderende naampjes,
zou men niet anders denken dan dat zij de moeder in plaats van de grootmoeder
was.
Haar andere grootmoeder neemt haar nieuwe waardigheid kalmer op; maar
in het knippen van haar oogen, in het trekken harer lippen en vooral
in den hartelijken, langen kus dien zij mij gaf, voelde ik hoe gelukkig
en diep aangedaan zij was.
"Ik heb steeds naar een dochtertje verlangd," fluisterde zij,
"en ik kreeg niets dan zonen en - zij zijn mij allen ontvallen
op een na, maar nu heb ik twee dochters!"
En hartelijk en lief als de menschen tegen mij waren zelfs zij, van
wie ik het 't minste had verwacht!
Clara kwam natuurlijk alle dagen en bracht mij frissche rozen, fijne
perziken en druiven uit haar serre en toen ik op de canapé van
de huiskamer mocht liggen en menschen ontvangen, kwam ook Brands mij
bezoeken - 't is mij gelukt hem bij den ouden Sanders onder dak te brengen
- maar hij wist het altijd zoo aan te leggen dat hij verscheen als Claartje
er ook was, hoewel zij nooit tezamen kwamen.
Hij is zeer in zijn voordeel veranderd en Clara's
[187:]
vader moet goed
over hem tevreden zijn - hij is lang zoo blasé niet meer als
vroeger - misschien ook omdat hij beter betaald wordt - zijn fluweelen
jasje heeft bij niet meer aan, maar een flink werkpak en waterlaarzen
bovendien; hij ziet er tevredener uit, wat hem misschien minder interessant
staat, maar toch schijnt Clara het niet te betreuren.
's Avonds lezen zij samen Shakespeare, vertelde zij mij onlangs. Papa
is blij dat haar bibliotbeek nu dienst doet, al valt hij er soms bij
in slaap.
"Ja ziet u, bij heeft het ook zoo druk overdag maar Dr. Brands
leest zoo prachtig voor!"
En ik maakte uit dit niet zeer logische verband mijn eigen gevolgtrekkingen.
Ook mama van Beers komt mij trouw opzoeken en zendt mij allerlei lekkers.
Maar 't meest trof mij de vriendelijkheid van juffrouw Frederike, die
mij van haar ingemaakte vruchten zond en de notarisvrouw, die me ook
opzocht en in den luiermand cadeau gaf - een groot huishoudschort van
wasdoek.
"Practisch, ziet u, dat is mijn gewoonte, al die tierlantijntjes
en fijne boezelaartjes en mooie sokjes dat geeft niemendal, dit is het
ware!"
Zij drukte mij de hand en riep er over dat ik er zoo goed uitzag en
verzekerde Hugo dat ik mij kranig had gehouden; natuurlijk vergat ik
alle wrok en bedankte haar hartelijk voor haar nuttig cadeau.
De gedachte dat men mij hier reeds een beetje liefheeft, meer dan ik
verdien, maakt mij gelukkig; ik wil ook voortaan zorgen dat ik die liefde
werkelijk
[188:]
waardig word en
meer doen dan mijn eigenlijken plicht.
En dan een bezoek wat mij meer genoegen doet dan alle andere tezamen
is dat van mevrouw van Zevenhoven, die nu weer op haar buiten is en
voorstelde mij op den eersten mooien middag af te halen om met haar
een rijtoertje te maken, en mijn kind zoo'n schatje vindt, precies als
haar kleine meid, die nog geen jaar oud is geworden.
Zij was zoo vriendelijk en hartelijk dat men vergat welk een deftige
dame zij is; ik hoop veel nut van haar omgang te hebben.