16
November.
Wat een aardige
verrassing! Neen maar! 't Is om er ook bijgeloovig van te worden: verbeeld
je! van morgen kwam Clara bij me binnenstormen, er was een dame bij
mij, zij moest zich dus nog beheerschen, maar nauwelijks was die weg
of zij vloog mij om den hals en riep: -
"O Emmy, Emmy (zij heeft eindelijk het "mevrouw" laten
varen) van morgen heb ik den 99en schimmel gezien en juist toen ik wou
aanschellen ontmoette ik een schoorsteenveger."
"Maar Clara," zei ik vermanend, "je lijkt wel mevrouw
van Hamelen met haar geest van een ring, zoo bijgeloovig als jij je
aanstelt."
Maar zij liet zich niet neerzetten en daar ging het in een adem door:
"'t Was alles zoo heel anders bij hen aan huis. Papa
[189:]
was heel tevreden
met meneer Brands; juist zoo'n man had hij noodig, zoo goed op de hoogte
van zijn tijd en hij was nu veel eenvoudiger, lang zoo trotsch niet
meer als vroeger en zij verbeeldde zich dat hij zelfs in den laatsten
tijd - dat hij - dat hij . . ."
Daar werd gebeld en zij zweeg als een mof. Een oogenblik later stond
hij zelf in de kamer en nu gebeurde het geheimzinnige feit onder mijn
oogen, dat Claartje na negen-en-negentig schimmels en een schoorsteenveger
te hebben gezien, juist den man, dien zij het liefste had, de hand gaf.
Zij was geheel onder den indruk van de gewichtige gebeurtenis en werd
doodsbleek en toen plotseling vuurrood.
Zij was zoo in de war dat Brands het opmerkte en haar verbaasd aanzag;
zoodra zij kon sloop zij heen; hij bleef haar een oogenblik zwijgend
nakijken, toen ging hij de kamer een paar malen op en neer en vroeg
mij toen:
"Zou u het erg belachelijk vinden, als ik u bekende, dat ik dit
meisje in haar natuurlijkheid en goedheid innig lief heb?"
"Volstrekt niet," antwoordde ik bedaard, "ik zou juist
het tegendeel onbegrijpelijk vinden."
"Maar," zuchtte hij en met zijn oude jammergebaren streek
hij zich over het hart, "maar wat moet daarvan komen?"
"Wel, een gelukkig paar, naar ik hoop! Spreek openhartig en eerlijk
met haar vader! Voor zoo ver ik weet is hij u genegen."
"Ik ben arm en heb geen vooruitzichten."
"U is jong, heeft een goed hoofd en twee sterke
[190:]
armen. Hij heeft
geen zoon en wenscht in Clara's man een opvolger te vinden. Als hij
vertrouwen in u heeft dan zal de geldquaestie geen hinderpaal zijn."
Wij spraken een oogenblikje samen en hij bekende dat hij de zaak nog
nooit onder dit oogpunt had beschouwd; hij ging haastig heen en reeds
van morgen kwam hij er weer aan en vertelde mij met van vreugde schitterende
oogen dat de oude heer hem niet had afgewezen. Hij moest nog een jaar
op proef werken - van engagement is nog wel geen sprake - maar zij zijn
beiden tevreden. Clara vertrouwt vast op haar schimmels en schoorsteenveger.
En nu ben ik aan de laatste bladzijde van mijn boekje gekomen en ben
niet van plan er een nieuw aan te leggen; mijn huishouden en mijn kind
geven mij te veel te doen.
Ik heb een goede, gewillige meid, maar die niet erg met koken overweg
kan; bovendien is Hugo wel geheel hersteld, maar toch vereischt zijn
toestand nog voortdurende zorg en de kleine kan geen oogenblik buiten
mij; ik heb ook geen vertrouweling meer noodig.
Mijn plichten nemen mij geheel in beslag en nu ik naar buiten zie, naar
de dwarrelende sneeuwvlokken, denk ik aan eenjaar geleden, toen ik mij
hier nog zoo onbehouwen en eenzaam voelde. Toen was ik een verwend,
egoïstisch scbepsel, misschien ben ik het nog, maar ik weet het
ten minste en zal steeds mijn best doen liefde te zaaien, wat het eenige
middel is om liefde te oogsten.
Wat mij staande hield en mij leerde mijzelf te overwinnen, te werken
aan mijn ontwikkeling en volmaking,
[191:]
dat was de liefde
tot mijn man, die leerde mij den weg kennen tot mijn doel en nu zie
ik dien weg duidelijk voor mij afgebakend.
Met Gods hulp, steunende op zijn sterken arm zal ik dien afwandelen;
nog menige hindernis zal ik te overwinnen hebben, dikwijls zal ik wel
struikelen; maar verdwalen kan ik niet meer.
"Vrouw!" zei Hugo laatst, "je hebt mij het vorige jaar
beloofd dat ik de gelukkigste man van heel Holland zou worden; nu ik
moet zeggen, dat je flink je woord hebt gehouden. Dat doen vrouwen gewoonlijk
niet."
"Ik hoop dat mijn dochter het van mij zal leeren," antwoordde
ik lachend.