Zandvoort,
10 Augustus.
Eindelijk, eindelijk
kan ik aan mijn boekje weer mijn gedachten toevertrouwen, wat liggen
er verschrikkelijke dingen achter mij!
O Goddank, Goddank, dat alles voorbij is als een booze droom. Ik voel
mij nu zoo gelukkig, zoo innig dankbaar! Ik zit onder de waranda voor
onze kamer, met het gezicht op de zee. Daar ginds zit Hugo in een strandstoel
en naast hem zijn moeder, zijn goede, edele moeder - die ik nu eerst
heb leeren kennen, waardeeren en ook liefhebben.
Ja, die dagen vol schrik en angst hebben hun goede zijde gehad; zij
hebben mij gerijpt, voorbereid tot de groote eer en het onuitsprekelijke
geluk, die mij over eenige maanden wachten.
Ik hoop dat ik nu verstandiger en beter zal zijn
[179:]
dan een jaar geleden,
toen ik het leven nog aanzag als een spel of een plezierreisje en niet
wat het eigenlijk is, een zware plicht, een moeielijke taak.
Ja, ik heb geleden, gebeefd, gesidderd en gebeden, en nu nog kan ik
mij niet voorstellen dat ik uit de ontzettende schipbreuk die me dreigde,
mijn levensgeluk heb mogen redden en na God heb ik dit aan Hugo's -
neen, aan onze moeder te danken.
Ja, 't was een vreeselijke dag, die 19e Juni, toen midden in den nacht,
koorts en keelpijn zoo erg werden dat ik onzen buurman opschelde met
verzoek den dokter te halen, want ik was alleen, geheel alleen; overdag
had ik een lomp boerenmeisje tot eenige hulp.
Met mijn schoonmoeder stond ik na het gebeurde met mevrouw van Hamelen
op zeer gespannen voet.
Ik kon haar niet vergeven dat zij mij toen als een schoolmeisje had
behandeld en ging dus maar heel zelden naar haar toe; nu zelfs kwam
't niet in mij op haar een boodschap te zenden. Hugo had haar alleen
geschreven dat ons reisje wegens ongesteldheid van hem was uitgesteld.
Toen ik den volgenden morgen afgemat en radeloos bij zijn bed zat, stond
de oude vrouw eensklaps voor ons; hij keek haar met een pijnlijk lachje
aan, maar hij kon niet spreken en fluisterde alleen iets op heeschen
toon; zij wenkte hem te zwijgen.
Ik maakte ondertusschen de inhalatie-machine klaar en zij verdween zachtjes;
toen ik een oogenblik later naar de keuken grog om te zien of ik aan
warm water kon komen, vond ik haar met een groot schort
[180:]
voor, het domme
Betje helpende, consommé voor Hugo te maken.
"Ik blijf hier," zeide zij, toen ik 't kind naar de apotheek
zond, "maar je hoeft niet te schrikken, Emmy! Ik wil niets anders
dan je het werk uit de hand te nemen, dat je belet je heelemaal aan
Hugo te wijden. Je bent zijn vrouw en hebt dus uitsluitend het recht
hem te verplegen, maar je toestand vereischt hulp en die heb je nu niet!
Ik zal Leentje een boodschap zenden om hier te komen en dan nemen wij
samen 't huishouden waar. 't Kan niet anders," voegde zij er bij
wijze van verontschuldiging bij,"'t geldt Hugo, mijn eenige, mijn
laatste! We zullen alleen aan hem denken, niet aan onszelf, niet waar
Emmy?"
Zij stak mij de hand toe en ik legde er de mijne in, maar achtte mij
toch verplicht eerst te vragen:
"En is u niet bang voor de besmetting?"
"Ik ben maar bang voor een ding, hem te verliezen; het andere is
mij onverschillig!I"
En van dat oogenblik scheen zij een heel andere vrouw te worden; ontzettende
dagen en nachten kwamen aan en wat zou er van Hugo en mij geworden zijn,
verlaten als wij waren door iedereen? Maar zij stond mij trouw ter zijde,
kalm, bedaard, aan alles denkend en voor alles zorgend. Zij bleef altijd
een ondergeschikte plaats innemen, dikwijls deed zij meidenwerk opdat
ik rustig bij Hugo kon blijven en wat mij het dankbaarste stemde, zij
vernederde mij niet door zich bij Hugo onontbeerlijk te maken, een wraak
die een kleingeestig karakter zoo gemakkelijk zou gevallen zijn, want
natuurlijk verstond zij het verplegen veel
[181:]
beter dan ik; toch
liet zij 't mij geheel over en hielp mij alleen wanneer mijn kracht
te kort schoot.
Als ik des nachts gewaakt had, zond zij mij den volgenden avond naar
bed en zeide hartelijk:
"Ga gerust slapen, ik wek je wel als hij iets noodig heeft."
En als ik dan afgemat tot den morgen sliep, sprak zij vriendelijk:
"Je bent het aan hem verplicht je nu wat te sparen. Oude oogen
kunnen beter wakker blijven dan jonge!"
En zoo smolt mijn vroeger gevoel van antipathie tegen haar weg en maakte
voor oprechte genegenheid plaats; ik kon het haar echter nog maar niet
zeggen, zoo als ik 't toch eens moest doen.
Toen Hugo aan de beterhand raakte en Dr. Massieu, dien ik in deze dagen
ook beter leerde waardeeren, want hij heeft met veel zorg en bekwaamheid
Hugo behandeld - weer op zijn gewone spottende manier in plaats van
zacht en voorzichtig met Hugo sprak en hij zelf erg lastig begon te
worden - wat moeder een zeker teeken van beterschap noemde - viel ik
op een achtermiddag doodaf van het heen- en weer loopen in een fauteuil
in een diepen slaap. Ik werd wakker door het binnenenkomen van menschen,
maar was te soezerig om het te begrijpen en heel wakker te worden; zij
spraken samen als waren zij heel ver weg en toch stonden zij vlak bij
de deur.
't Waren de dokter en moeder, die samen van bovenkwamen.
"Kijk eens," hoorde ik haar zeggen, "hoe aandoenlijk
lief dat jonge ding daar zit; als zij zoo slaapt,
[182:]
spreekt de reine
kinderziel uit haar gezicht; ik heb dat dikwijls met genot opgemerkt."
"Men kan u feliciteeren met zoo'n schoondochter," sprak de
dokter ernstiger en oprechter dan hij anders gewoon is.
"Ja zeker dat kan men ook," antwoordde zij levendig. "Emmy
heeft een goeden aard en een warm hart. Mijn zoon is gelukkig haar te
bezitten en ik niet minder. Ik beken 't eerlijk, vroeger dacht ik er
anders over; maar de rechte manier om met haar om te gaan ontbrak mij
en daarom draag ik de hoofdschuld aan de koelheid tusschen ons. Maar
nu is 't anders geworden, ik ken haar en heb haar liefgekregen."
Zij liet hem uit, maar ik sprong op en toen zij in de kamer terugkeerde,
viel ik haar om den hals en zei:
"Ik heb u ook innig lief, beste moeder, maar u heeft geen schuld,
ik alleen en daarom vraag ik u ver. . ."
Toen sloot zij mij met een kus den mond en zeide:
"Stil, daarvan mag nooit meer sprake zijn. Zijn geluk gaat ons
beiden evenzeer ter harte en hoe inniger hij ons verbonden ziet, hoe
liever het hem zal zijn."
Den volgenden dag mocht Hugo beneden komen en zag vol blijdschap en
stralende blikken de hartelijke verhouding tusschen ons beiden en toen
de dokter het noodig oordeelde dat hij om geheel aan te sterken naar
zee moest, en ik mijn mama verzocht, voor ons in Zandvoort logies te
bestellen, hield ik niet op haar over te halen met ons mee te gaan.
Wat glinsterden nu haar oude oogen en hoe hartelijk drukte zij mij de
hand, maar toch kostte het veel moeite haar te doen beslissen en eerst
toen ik verze
[183:]
kerde hoe dringend
ik haar hulp noodig had, besloot zij er toe.
Zij is zoo heel, heel anders dan ik mij voorstelde, zoo edel en groot
van hart, dat ik mij schaam over mijn oordeel van vroeger, toen ik mij
door mijn bittere, kinderachtige, egoïstische gedachten liet beheerschen.
Hoe dwaas zich door zijn antipathiën te laten medeslepen in plaats
van zijn best te doen elkander beter te leeren kennen en te begrijpen.
Ieder mensch heeft toch zooveel goeds en 't is ongelukkig dat juist
het minder aangename zoo dikwijls op den voorgrond treedt.
En nu zie ik naar 't heerlijke spel der zon op de golfjes en adem de
versterkende zeelucht met volle teugen in.
De familie uit Amsterdam komt ons dikwijls bezoeken, zoodat ik weinig
tijd heb om alleen te zijn en mij sombere gedachten te scheppen, want
die komen ook dikwijls genoeg op.
Het leven is zoo heerlijk, zoo schoon als men jong is en liefheeft en
bemind wordt en dan zulk een zoete hoop in het verschiet, maar ach!
hoevele jonge vrouwen zijn heengegaan evenals ik in het volle, rijke
geluk!
Als ik de dagen zie korten en die zon zoo heerlijk ondergaan in de zee,
dan vraag ik mij af, of zij de volgende lente niet mijn graf zal beschijnen
en onwillekeurig komen de tranen mij in de oogen en 't kost mij moeite
te zeggen:
"Heer! Uw wil geschiede!"
Ik laat Hugo zoo min mogelijk mijn zorg zien, want dan tracht hij mij
op te vroolijken en vraagt hoe wij onzen zoon zullen noemen: Jan, Piet,
Klaas, Kees of Gijs?
[184:]
Neen, ik wil iets
heel aparts hebben, Tristan or Siegfried of Rudolf. Je blijft anders
altijd zoo in die gewone namen en door iets mooiers te kiezen, komt
er een poëtisch waas over de familie; maar dan zegt Hugo:
"Verbeeld je dat je Tristan kruidenier, of je Siegfried kantoorklerk
wordt, dan zit de arme jongen levenslang gedrukt onder zijn mooien naam,
Want een mooie loopnaam, evenals adeldom verplicht!"
Enfin! wij zullen zien!