12
Maart.
O foei! wat heb
ik gedaan, zoo iets vreeselijks, mijn geweten laat mij geen rust en
toch moet ik lachen, toch moet ik vroolijk zijn met den doodsangst in
't hart.
Ja, ik heb misdaan, maar de schuld van alles is dat ellendig wijf met
haar geblankette wangen en valschen lach!
Niet genoeg dat zij met mijn Hugo koketteert, waar zij hem ook aantreft
- zij vindt er haar plezier in mij bij anderen zwart te maken; zij kan
zeker niet verdragen dat wij zoo gelukkig zijn.
Laatst maakte zij hem een spottende aanmerking over mijn vriendschap
met dien knappen Dr. Brands.
Hugo antwoordde er wel lachend op, maar 't hinderde hem toch en later
zei hij mij iets scherps over mijn gebrek aan takt omdat ik hem dien
avond verzocht had - om Clara liefst.
Ik wou haar zoo graag op haar plaats zetten maar 't viel alles veel
erger uit dan ik bedoeld had!
Vreseelijk!
Een dag of wat geleden bracht ik een lang verzuimde visite bij Frederike,
die in den laatsten tijd
[155:]
dweept met mevrouw
van Hamelen; 't is Fritsje voor en Lucietje na - zij spelen samen piano
en juffrouw van den Berg beweert dat zij werkelijk is, wat anderen zich
enkel verbeelden te zijn, een echte dame van de wereld.
Er waren nog een paar andere dames en Frederike was over haar vriendin
verbazend aan 't pochen!
Enfin! dat moet zij weten, maar daar begint zij mij te plagen met het
interessante tête-à-tête dat ik met Dr. Brands had
gehad.
Natuurlijk bedoelde zij er dien dag mee, toen Clara en ik met hem hadden
staan praten, dat heeft zij nu weer op haar manier rondgekakeld. Ik
kende mijzelf niet meer van drift en zei dat mevrouw van Hamelen, maar
zwijgen moest van anderen, daar er op haar verleden zooveel te zeggen
viel. Zij zwegen allen; juffrouw Frederike zei alleen:
"U zegt daar veel mevrouw van Doornik, maar u weet dat toch stellig
heel zeker."
"Dat weet iedereen in Amsterdam wat voor avonturierster zij is,"
vaarde ik uit, "vraagt u maar mevrouw Kraft er naar. Die weet er
ook alles van; laatst spraken wij er uitvoerig over!"
Naar huis gaande had ik reeds spijt over mijn voortvarendheid en 's
avonds toen ik met Hugo alleen was, voelde ik behoefte hem alles te
bekennen, maar stelde mijzelf gerust met tot mijzelf te zeggen: "Kom,
anderen zeggen wel veel erger dingen, jou hindert het alleeen omdat
je van een nobeler natuur bent en hooger staat dan anderen."
Acht dagen gingen voorbij en ik dacht aan de heele
[156:]
historie niet meer,
toen op een middag dat ik alleen thuis was, Hugo's moeder binnenkwam
en met haar somberste gezicht zeide:
"Ga zitten Emmy! Ik heb met je te spreken."
Ik was niet op mijn gemak en zag haar afwachtend aan.
"Is het waar?" zoo begon zij het verhoor, "dat je laatst
bij juffrouw van den Berg mevrouw van Hamelen een avonturierster noemde?"
"Dat is ze ook," antwoordde ik levendig.
"Dat vraag ik je niet. Alleen of je haar zoo genoemd hebt. Ik heb
je tot nu toe nog op geen leugens betrapt. (Deze ondeugd bezit ik ten
minste niet volgens haar.) Dus je bekent het?"
Ik knikte.
"Is het verder waar, dat je zeer compromitteerende geschiedenissen
rondvertelt en de notarisvrouw als de oorsprong daarvan genoemd hebt?"
Ik voelde mij op 't punt in tranen uit te barsten.
"Dat klinkt heel anders als men 't in het juiste verband beschouwt"
zoo verdedigde ik mij. "Ik heb niets over dat ellendige schepsel
gezegd wat niet algemeen bekend is en mevrouw Kraft zei ook dat zij
niet deugde en dat haar zuster veel verdriet van haar beleefde."
"Dat ontkent mevrouw Kraft geheel en al."
't Was of de vloer onder mijn voeten wegzakte.
Hoe kan zij dat, zoo'n deftige, bejaarde dame, zoo'n brave vrouw! Zij
heette mij liegen. Ik wou dadelijk naar haar toe, maar eerst moest ik
weten hoe mijn schoonmoeder het wist en waarom zij mij er over aansprak.
[157:]
"Omdat de
heele stad vol is van de geschiedenis en zij mij zelfs ter oore is gekomen;
ik hoor dat mevrouw van HameIen een aanklacht tegen je wil indienen
wegens laster, en daar je de vrouw bent van mijn zoon, is mij dat niet
onverschillig! Veel plezier beleef ik niet aan je. Je bent een lichtzinnig,
dwaas schepsel en ik weet ook hoe jij je bij verscheidene personen over
mij hebt uitgelaten. Maar dat liet me koud; nu echter mijn zoon door
jou in zulke moeilijkheden gewikkeld wordt, die hem misschien zijn betrekking
zullen kosten, nu moest ik spreken. Frederike van den Berg is de ziel
van het heele complot; ik begrijp niet wat je haar misdaan hebt dat
ze zoo tegen je gestemd is. Ik hoopte dat ze overdreven hadt, maar als
alles zich zoo toegedragen heeft als je zelf bekent dan. . . ,"
Het koud zweet brak mij van alle kanten uit; haar beleedigingen lieten
mij onverschillig; ik zou oorzaak zijn van Hugo's ongeluk. Dat alleen
wist ik. Ten koste van alles moest ik hem redden; ik sprong op en zei
dat ik naar de notarisvrouw wilde gaan, om haar te overtuigen dat zij
spreken moest en mij niet alleen de gevolgen laten dragen van ons beider
schuld.
"Als dat je eenige hoop is," zei mijn schoonmoeder spottend,
"dan is 't beter naar mevrouw van HameIen te gaan en daar excuses
te maken."
Dat nooit en ik vloog naar de notariswoning, maar reeds in den somberen
gang zakte mijn moed; in de zijkamer zag ik haar zitten aan het hoofd
eener tafel vol weesmeisjes, die zij wekelijks leerde naaien en breien.
Zooveel deugd en degelijkheid imponeerden mij in
[158:]
zulk een mate,
dat ik stotterend mijn verzoek uitsprak haar even te mogen spreken.
Zij bracht mij in haar achterkamer en daar droeg ik verward en onsamenhangend
mijn zaak voor; haar gezicht nam een trotsche, minachtende uitdrukking
aan.
"Ja, ik heb er van geboord," sprak zij eigenlijk, "en
het heeft mij zeer verwonderd dat u zoo'n praterij veroorzaakt. Dat
had ik 't minste verwacht van een dame die met haar "bij ons in
Amsterdam" zoo hoog boven ons kleinsteedsche vrouwen meent te staan."
"'t Is eenmaal gebeurd," zei ik berouwhebbend, "en ik
zou alles willen geven om het ongedaan te maken. Maar voor mij is 't
van 't hoogste belang te bewijzen dat ik alleen dingen heb gezegd, die
reeds bekend waren en daarin moet u mij helpen."
"Ik moet," hernam zij hoogst verwonderd, "maar daar heb
ik niet het minste plan op, mevrouw van Doornik! Denkt u dat ik er lust
toe voel mij in dat stadsgebabbel te mengen? Ik leef rustig en tevreden
met mijn medemenschen, heb nooit met iemand onaangenaamheid en als God
wil, zal het ook zoo blijven."
"Maar u kan toch niet ontkennen, wat u mij zei
"
"Hier onder vier oogen zal ik niet ontkennen wat ik u ook onder
vier oogen heb gezegd, maar wanneer u mij als getuige oproept dan ontken
ik 't wis en zeker, want mevrouwtje lief! u heeft het recht niet hier
tusschen ons twist en vijandschap te zaaien. Wij hebben u allen vriendelijk
in ons midden ontvangen en omdat u naar ik hoor jaloersch is op mevrouw
van Hamelen (belachelijk! ik jaloersch) zou ik deze dame, die mij niets
in den weg heeft gelegd, onaangenaamhe
[159:]
den aandoen? U hoeft
dus niet op mij te rekenen!"
En in 't hooge gevoel van eigen schuldeloosheid streek zij haar boezelaar
glad en ik stond als vernietigd tegenover haar; ik heb kwaad gesproken,
gelasterd, daarvan spreekt niemand mij vrij.
Beschaamd en vernederd ging ik heen, te vol van eigen schuldgevoel om
nog boos te zijn over de pharizeesche deugd van die vrouw, wie het zeker
ook een groote teleurstelling was dat Hugo niet een van haar stijve
dochters tot vrouw koos.
Ik ging over de wallen naar huis; het was zoo'n heerlijke, zoele middag,
rozige wolkjes dreven aan den zacht blauwen hemel, een zoete voorjaarlucht
steeg op uit de aarde, de knoppen zwollen aan de struiken der heggen
en ik voelde mij zoo ongelukkig als nooit te voren. Moest ik 't Hugo
zeggen? Hoe zou bij 't opnemen? Zou hij mij gelijk geven en beschermen
of wel de gerechtigheid haar vrijen loop laten?
Hij is toch vóór alles een man der wet! Ach! drie dagen
geleden was ik zoo gelukkig; ik had hem iets anders willen zeggen -
een zoet, lief geheim en ik wachtte een heel geschikt oogenblik af vol
zaligheid.
En nu! Ach! ik kan er nog niet toe besluiten zijn liefde, zijn achting
te verliezen; hoe vreeselijk zich schuldig te weten, voor het gerecht
te verschijnen, door ieder te worden bepraat en veracht, veroordeeld
te worden misschien.
"Ben je niet wel wijfje?" vroeg Hugo mij zoo even, toen ik
gedachteloos voor mij uitstaarde, en ik haastte mij te atwoorden:
"O neen! Ik dacht aan iets anders!"
[160:]
Hoe zal het afloopen?
Ach goede God! heb medelijden met de arme Emmy! Red haar, zij heeft
zoo'n bitter berouw!