1
Maart.
't Is verwonderlijk, wat ik op weg ben een uitstekende huisvrouw te worden; ik sta er zelf verbaasd over, want met het middelmatige ben ik niet tevreden, ik wil de hoogste trappen der volmaaktheid op dit gebied bereiken. Ik wil de ideale huisvrouw worden, die mama van Beers op het oog had. Het raderwerk moet zoo verborgen zijn dat het op een goed loopende klok gelijkt waarvan de wijzerplaat het werk bedekt. Aan de wijzers van voren rustig het uur aangeven.
[146:]
Hugo is verrukt
over zijn knap vrouwtje; hij prijst mij bij iedereen, zelfs, - wat mij
't meeste waard is, bij zijn moeder, die tegenwoordig veel vriendelijker
is en tevredener rondkijkt - ik verbeeld het mij ten minste.
Laatst moest Hugo voor twee dagen naar Arnhem en ik had dadelijk mijn
plannetje klaar, 't is mooi weer en nu kon ik zijn studeerkamer en de
suite een flinke beurt geven. Hij was nog geen uur weg of zonder Rika
te waarschuwen, pakte ik alles beet, droeg het den gang in en dwong
haar, ondanks haar heftigen tegenstand met het groote werk te beginnen.
Zij pruttelde en knorde dat het geen manier van doen was, zoo'n karrewei
zoo maar in eens te ondernemen, zonder er iets van vooruit te zeggen
- zij bedoelt zonder haar permissie te vragen - dan had zij haar gewoon
werk er naar kunnen regelen.
"Dat laat je maar rusten; het komt er niets op aan, wij schikken
't wel, ook het eten, want mijnheer is toch niet thuis."
't Trof zoo goed dat wij juist zulk heerlijk voorjaarsweer hadden, ik
was dus onverbiddelijk, wreef op, klopte, borstelde en spoedig hadden
wij zoo'n chaos om ons heen, dat ik inwendig wanhopend werd bij de gedachte
hoe wij alles voor morgen avond nog weer in orde zouden krijgen.
Midden in de verwarring verscheen Clara; ik zond haar gauw naar huis
om van haar vader verlof voor twee dagen te vragen en toen zij terugkwam
hielp zij mij trouw.
Ik vond het een genot dat zij ook des nachts overbleef, want al ben
ik volstrekt niet bang van aard,
[147:]
toch vond ik het
een beetje griezelig alleen te zijn. Den volgenden morgen bekende zij
mij dat zij ook angstig van aard was en bij elk geritsel opsprong en
altijd droomde over dieven, inbrekers en moordenaars - nu dat is me
dan ook een goede beschermster geweest.
Den volgenden morgen gingen wij weer in onzen chaos aan het werk en
er begon wat orde in te komen. De fijne snuisterijen lieten wij allen
door onze handen gaan en nu merkte ik dat - die kleinsteedsche kasten
sluiten zoo slecht - mijn servies en glaswerk er ook erg stoffig en
onfrisch uitzag. Ik liet Rika dus water opzetten om ze in het zeepsop
te wasschen, dan zou Clara ze afdrogen.
Ondertusschen gingen wij naar Hugo's kamer er ook 't een en ander verschikken.
Eindelijk zag ik wel in, dat wij veel beter hadden gedaan elke kamer
één voor één te behandelen in plaats van
alle drie tegelijk, maar dat had Rika ook gezegd en ik vond het vernederend
haar dit toe te geven.
Clara was soms een beetje verstrooid, dan stond zij met den stofdoek
in de hand te droomen en keek meer uit het raam dan noodig was. Ik werkte
zonder ophouden heel vlijtig. Eens echter kon ik de verzoeking niet
weerstaan in Hugo's bureau te rommelen en het laadje te openen waarin
mijn engagementsbrieven lagen.
Ik had zoo graag wat geheimen van hem opgespoord of liever ik was heel
blij dat ik er niets anders in vond dan heel onschuldige dingen, een
paar verdroogde bloemen, een leege portemonnaie, cotillon-aardigheden
en dan een paar dozijn oude vergeelde photographiën
[148:]
van zijn medestudenten
en van oude vlammen uit die dagen; ik heb ze meer gezien maar nooit
op mijn gemak, want Hugo wil niet dat ik mij over die dwaze toiletten
en gekke gezichten vroolijk maak.
"'t Is uit het paradijs van mijn leven," zeide hij en dit
woord ontstemde mij een beetje, wat is dan zijn tegenwoordig leven -
de aarde, het vagevuur of misschien de hel?
Nu lachte ik er naar hartelust om en riep Clara om ook eens te zien
maar jawel! die was verdiept in mijn album en toen ik haar riep, sloeg
zij het gauw dicht, kreeg een kleur en stofte met vuur verder door.
Dat gaf mij te denken - het portret van Brands in zeer sentimenteele
pose staat er ook in - maar men gaf er mij geen tijd voor; daar werd
de deur met geweld opengegooid en Rika met een spons in de eene en een
emmer in de andere hand zei op nog knorriger toon dan anders:
"Ik dacht dat de dames al klaar waren met het porselein en het
glas. Het warme zeepsop staat reeds een half uur in de huiskamer koud
te worden."
"Dat had je mij toch ook wel eer kunnen zeggen!"
Ik sprong op en borg al die aardigheden weg.
"Kan ik 't weten dat de dames hier boven zitten te werken."
Die grenzenlooze verachting in dat woord werken!
Wij gingen naar beneden en vonden het zeepwater koud als ijs.
"'t Was zeker nooit warm," meende Clara maar ik wist wel beter;
wij waren juist drie kwartier weg geweest en hadden om het heele warme
water niet
[149:]
meer gedacht; nu
namen wij alles droog af en haasten ons zooveel wij konden, zoodat om
vier uur ons werk af was.
"Nu kan Rika aan alles nog de laatste hand leggen en dan gaan wij
even bij den koekebakkertaartjes eten."
We hadden om twaalf uur flink boterhammen gegeten en onder algemeen
goedvinden besloten maar niet te dineeren en om acht uur een warm souper
te nemen.
Juist kwamen wij uit den koekbakkerswinkel - ik zal maar niet zeggen
van den confiseur - want daar heeft deze eenige gelegenheid van Bergveld
heel weinig van - of daar kwam Brands aan geslenterd met zijn gewonen
nonchalanten, slependen stap.
"Nu," zei ik, "gaat u van avond niet naar het carnavalsfeest
in de societeit?"
"Wat zou ik daar doen?"
"U amuseeren als de anderen."
"Dat kan ik helaas niet!"
"Er zijn toch heel aardige meisjes."
"Zoo! Ik heb nog niets anders van haar gezien dan haar schoenen
en handschoenen en dat heeft mij den lust benomen haar verder aan te
kijken."
"U is een onuitstaanbaar mensch; wat scheelt u toch eigenlijk?"
"Ik draag gevolgen!"
"Dan varen wij in een schuitje. Ik draag ook de gevolgen van een
tweedaagsche beurt, die ik aan mijn kamers heb gegeven en ter eere daarvan
- inviteer ik u van avond op een soupertje! Heel eenvoudig hoor! U krijgt
niets als fricadellen en molsla!"
[150:]
Hij zeide ja met
een gezicht of hij een zwaar offer bracht.
Clara, dat domme kind kreeg weer kleur op kleur, en schaamde zich dat
ik "zoo'n deftigen mijnheer" op fricadellen durfde inviteeren
en ik kreeg een steek in mijn hart, dat ik zoo zonder nadenken hem had
uitgenoodigd bij ons te komen, terwijl Hugo niet thuis was.
Maar 't was nu eenmaal gebeurd en ik deed het waarlijk niet voor mijn
plezier, maar voor dat van Clara; men moet toch ook iets voor anderen
over hebben.
Terwijl we daar zoo met ons drieën stonden te praten en ik hem
de hand reikte bij het weggaan en zei:
"Nu 't blijft afgesproken, u komt tegen half acht," sloeg
mevrouw van HameIen juist den hoek om en keek Clara en mij met een valsch
lachje aan. Brands groette haastig, een beetje verlegen, zij treuzelde
even maar toen hij geen aanstalten maakte om haar te begeleiden keerde
zij ons met een koelen groet den rug en ging verder. Ik had een gevoel
of ik op een spin had getrapt.
Om half acht zaten wij aan ons eenvoudig maal, want ik had weerstand
geboden aan Clara's dringend verzoek om er ten minste een beetje ham
bij te doen.
"Hij eet, wat wij eten en daarmede uit."
Ik moet zeggen, hij was heel schappelijk; nu hij merkt dat ik niet de
minste notitie neem van zijn geaffecteerde manieren, laat hij ze onder
ons varen en hij toont zich een heel aardig, gewoon jongmensch, die
hartelijk lacht over onze onnoozele grappen.
[151:]
Vooral had hij
er plezier in toen ik hem de geschiedenis vertelde van onze fricadellen,
en in welk verband zij stonden met Hugo's terugkomst op morgen.
Wij hebben namelijk nog een huisgenoot, een allerakeligst verwend dier,
dat Hugo met de grootste teederheid bemint om er jaloersch op te worden
- Mops heet die hond, de trouwe kameraad van Hugo uit zijn jonge heeren
leven; hij ging altijd met hem mede als hij in 't logement at en daar
is dat beest nu zoo kieskeurig geworden, dat hij niets anders belieft
dan het beste vleesch.
Ik wed dat hij een kapoen van een gewone kip kan onderscheiden; onder
mijn bestuur is echter zijn kunde op dit punt nog niet op de proef gesteld.
Ik erger mij altijd als hij naast Hugo zit te kwispelstaarten onder
het eten en de fijnste brokjes hebben moet, maar ik durf aan dezen vriendschapsband
niet tornen.
Hugo zegt toch al dat vrouwen veel ongevoeliger zijn jegens dieren dan
mannen. 't Is dus een zwakheid van hem en die moet ik voor lief nemen;
hij heeft zoo vele goede, edele eigenschappen, als ik ze met die van
andere mannen vergelijk!
Een van die mooie eigenschappen was, dat hij veel hield van gehakt in
alle vormen; daar moet je bij andere heeren mee komen, bijvoorbeeld
Papa, die zei dat ze de lappendeken waren van de keuken.
Ik gaf ze eens in de week, want 't is voordeelig en gemakkelijk. Laatst
had ik te weinig vleesch; Rika kon niet goed uit voor het werk en ik
keek mijn restjes na en met wat veel brood vermengd kon ik er nog aardig
wat van maken; zij roken heerlijk en
[152:]
Hugo begon er met
smaak aan, maar eerst moest die leelijke Mops zijn balletje hebben.
Hij rook er aan, keerde zijn bek er af, zwaaide met zijn staart alsof
hij zeggen wou "dank je" en ging heen.
"Dat lijkt wel een chemisch onderzoek op het vleesch" zei
Hugo en dankte in het vervolg voor gehakt; dat heb ik nu aan dat verwenschte
dier te wijten, want hijzelf had er niets van gemerkt dat het meer brood
dan vleeschballen waren.
"En nu uw man ze niet meer belieft word ik tot slachtoffer uitgekozen,"
zei Brands lachend nadat ik het verteld had.
"O neen, 't is maar een voorbereiding op uw toekomstig huishouden,"
antwoordde ik.
"Nooit," 'verklaarde hij somberder ziende dan ooit.
"Kom nooit! U zal trouwen als elk ander al verbeeldt u zich nog
iets heel bijzonders te zijn. Ja - ik verzeker u," en ik zag hem
met een profetischen blik aan, "vandaag over twee jaar heeft u
een allerliefste vrouw en als u wil kan ik u ook haar naam zeggen!"
Ik vroeg hem allerlei dingen, zijn lievelingskleur van oogen en haren,
zijn geboortedatum, zijn lievelingsletter, en schreef een tijdlang voort.
Claartje zag er bleek en angstig uit, toen ik hem het blad overreikte;
hij opende het vol verwachting en las:
"Mevrouw Brands"
En lachen dat wij nu deden en de dwaze raadsels die wij mekaar opgaven!
Midden in al die pret riep
Clara opeens:
"Och, hoe heerlijk op de wereld te zijn?"
[153:]
Brands zag haar
aan alsof ztj een wonderdier was.
"Meent u dat juffrouw Clara, is u werkelijk volmaakt gelukkig?"
"Zeker waarom niet? Papa is goed voor mij en mevrouw ook en dan
heb ik mijn vogeltjes en mijn bloemen en - dan van avond - de fricadellen
- -"
Zij zweeg verschrikt als had zij weer iets heel doms gezegd.
Ik voelde mij zoo moederlijk tegenover haar gestemd dat ik haar een
kus gaf en zei:
"Je hebt gelijk beste meid. God beware je nog lang dat geluk!"
Brands zag haar meermalen nadenkend aan; ik geloof dat hij voor 't eerst
iets interressants in haar begint te vinden en dat interessante is -
haar groote eenvoud - niets anders.
Het liep tegen tien uur ik dacht er aan hoe wij 't onzen gast zouden
duidelijk maken dat het tijd werd heen te gaan, toen een bekende stap
in den gang weerklonk en daar kwam Hugo aan, mijn beste man!
Wat ik hem om den hals vloog en mij zielsgelukkig voelde, hem terug
te zien; dan vooral na zoo'n scheiding, hoe kort ook, voelt men hoe
lief men elkaar heeft.
"Ik kon 't niet uithouden, lieveling!" fluisterde hij mij
toe. Ik geloof dat hij mij wel liever alleen had gehad, maar hij was
toch heel vriendelijk tegen mijn gasten; ik vertelde hem van onze heldenfeiten
en rondsnuivend zei hij:
"En jelui hebt fricadellen gegeten."
"O ja en ze waren heerlijk!" verzekerde Brands.
[154:]
"Nu dan moet
je ze maar eens weer geven Emmy, ik houd er toch wel van!"
Mops keek mij kwaadaardig aan als verstond hij wat de Baas gezegd had
en ik lachte in mijn vuistje. Nu had ik eens de overwinning behaald,
jawel! - op een hond!