20
Maart.
Dat was de moeilijkste
week mijns levens, een week vol angst en spanning. Bij elke bel sprong
ik verschrikt op. Zoolang Hugo er bij was hield ik mij goed en trachtte
vroolijk te schijnen; was hij weg dan wrong ik mijn handen en vormde
mij de ellendigste schrikbeelden. Ieder woord dat ik gezegd had, brandde
mij steeds dieper in het geweten; als ik er aan dacht wat mij overkomen
kon, gedagvaard te worden, voor den rechter verschijnen dan viel ik
haast in onmacht van angst en benauwdheid. Ik sliep niet, ik at niet,
ik zag er akelig uit en dan had ik het bewustzijn, dat die kwellingen
nu niet mij alleen troffen maar dat zij wellicht een noodlottig en invloed
zouden uitoefenen op - een ander. -
Ik had ieder belet laten geven, als ik alleen thuis was - juffrouw Frederike
was er al tweemaal vergeefs geweest, zoo kon het toch niet langer gaan,
zij zou Hugo op straat aanspreken en hem alles vertellen. Ik nam dus
het droevige besluit, hem Zaterdagavond na het eten de vreeselijke bekentenis
te doen. Ja, dat was goed, na het eten dan bedierf ik. hem ten minste
den eetlust niet.
Toen het vier uur werd en hij ieder oogenblik kon komen, zette ik mij
voor het raam en keek in de lange
[161:]
straat en herhaalde
onophoudelijk de woorden, waarmede ik mijn redevoering wilde beginnen:
"Hugo, ik ben zoo ongelukkig, ik heb iets zeer slechts gedaan maar
vergeef mij, laat me niet aan mijn lot over," en dan zou hij er
door aangedaan worden en medelijden met mij krijgen en als ik dat zag
was 't andere niet moeilijk meer.
Daar zag ik hem den hoek van de markt omslaan, de straat in - en 't
was of mijn hart stilstond, of de angst mijn vingertoppen, mijn voeten
deed verstijven - hij was niet alleen, majoor Winterveld liep naast
hem druk redeneerend en gesticuleerend.
Ik zag duidelijk zijn zwarte snorren en korte beentjes; zij kwamen nader,
Hugo scheen er ernstig en bezorgd uit te zien en nu beving mij een onzinnige
angst, ik moest weg, verre weg, mijn noodlot ontloopen dat steeds nader
kwam. Ik nam hoed en mantel, deed onder het loopen de haken toe, drukte
mij het mutsje op 't hoofd en zonder handschoenen vloog ik den tuin
in, het achterdeurtje door met een haast of die vreeselijke majoor met
zijn sabel mij op de hielen zat.
Ik liep voort zonder te weten waarheen; eindelijk toen ik een weinig
tot bezinning kwam en even stil stond om adem te scheppen, merkte ik
dat ik in de Brugstraat liep, vlak onder de ramen van mijn goed, lief
mevrouwtje van Beers.
Dat was een straal van hoop; zij moest mij helpen, mij raden, en nog
vóór ik recht wist wat te doen,schelde ik aan en vloog
naar binnen.
"Ach lief mamaatje! helpt u mij! ik ben in zoo'n vreeselijken toestand."
[162:]
"Kom, kom?"
en zij legde de bril in haar boek, "dat zal zoo erg wel niet zijn.
Kom hier zitten en vertel me maar eens alles!"
En nu kwam de heele geschiedenis voor den dag het een na het andere;
ik verschoonde mijzelf niet, maar wat het mij moeielijk viel dat alles
aan die edele, lieve vrouw met haar heldere reine oogen in deze stille,
vreedzame omgeving mede te deelen!
't Kwam mij alles nu zoo min, zoo laag voor, wat ik vertelde en haar
ernstig, zacht verwijtend gezicht verwarde en vernederde mij zoo, dat
ik niet tot het einde kon komen maar in snikken uitbarstte.
Zij schudde het hoofd:
"Alweer een van die akelige histories, zonder welke de vrouwen
naar 't schijnt niet leven kunnen. Ik kan je niet zeggen hoe het mij
bedroeft en beschaamt als ik weer van zoo iets hoor. En dat jij er juist
oorzaak van bent, juist jij. . . ."
"Beknor mij maar goed, mevrouw! Ik heb 't verdiend."
"Ja, dat heb je ook, niet omdat je de gewone voorzichtigheid uit
het oog hebt verloren en meer zei dan je verantwoorden kunt, maar omdat
je nedergedaald bent tot het peil der gewone babbelaarsters. Met je
goede opvoeding, je mooie talenten, kan je toch ook niets beters doen
dan je medemenschen de eer te ontrooven op een dameskransje."
"Ik vind de damesvisites zoo onuitstaanbaar."
"'t Is aan vrouwen als jij om die visites minder onvruchtbaar te
maken voor jezelf en anderen. Een zware verantwoordelijkheid rust op
je om door je houding ten minste te toonen dat dergelijke gesprek
[163:]
ken niet in je smaak
vallen in plaats van er het voorbeeld van te geven, zooals je nu deedt."
"U heeft duizendmaal gelijk," zei ik, "O wat heb ik een
berouw over dien verloren middag!"
"Laat dat berouw vruchtbaar worden, vrouwtjelief," zeide zij
vriendelijker, "dan zult ge later dien ongelukkigen verloren middag
nog zegenen. Zie je, ik kan het je nu gemakkelijk maken en je trachten
te troosten maar dat wil ik niet; ik zou wenschen dat het zoo'n diepen,
onuitwischbaren indruk op je maakte, hoe beschamend het is als volwassen
mensch daar te staan en te moeten bekennen: ik had dit of dat niet mogen
zeggen. Kwaadsprekerij en bemoeizucht zijn de geesel der kleine steden,
laat je niet door de algemeene kwaal aantasten. Houd je boven die kleinsteedsche
nietigheden verheven; er zijn immers zooveel onderwerpen, waarover men
spreken kan. De groote gebeurtenissen van den dag, de nieuwe verschijningen
van kunst, literatuur, die dingen zijn immers veel interessanter dan
zulke babbelarijen en vrouwen kunnen er immers even goed over praten
als mannen."
"Maar dat kan hun juist niet schelen?"
"Spreek haar dan over haar huishouden, dan kunt ge ten minste iets
leeren, anders over haar kinderen. Misschien amuseert ge jezelf er niet
bijzonder mede, maar zij raken er nooit over uitgepraat en zullen je
een allerliefste vrouw vinden als je er aandachtig naar luistert en
er belang in schijnt te stellen. En wat zou het ook of ge je er een
oogenblik bij verveelt? Met je man kunt ge immers over allerlei onderwerpen
die
[164:]
je ter harte gaan
spreken en 't is nog beter zich verveeld dan bezondigd te hebben tegen
zijn evennaaste."
Ik viel de lieve vrouw om den hals en snikte:
"Verlies uw geduld niet met mij; ik wil mijn best doen goed te
worden als die vreeselijke geschiedenis maar eerst voorbij is. Wat moet
ik nu doen, raad me toch!"
"Je kunt niets anders doen, dan dadelijk naar huis terug te keeren
en alles op je te nemen wat je daar wacht. Kom moed, kindje! Een jonge
man is zoo'n vreeselijke rechter niet en Hugo is verstandig; hij zal
het wel in 't oog houden, dat het leelijkste en gemeenste van de heele
historie, het oververtellen, door een ander is gedaan."
"Och mamaatje! gaat u met mij mede naar huis. U kunt alles zooveel
beter zeggen dan ik."
"Neen Emmy! in zoo'n geval is elke derde tussch en echtgenooten
te veel. Ten hoogste mag Hugo's moeder er bij zijn."
"Hoe kan u dat zeggen! Zij zou mij liefst tot de schandpaaal veroordeelen!"
"Foei, foei! Je kent je schoonmoeder nog niet goed, Zij is goed,
edel en rechtvaardig; maar zij heeft veel geleden, en daarom zal een
beetje liefde van je kant haar aangenamer zijn dan je koele houding."
Dit onderwerp wilde ik liever nu niet aanroeren en zweeg daarom; met
lood en schoenen maakte ik mij gereed heen te gaan, keek al talmend
door het venster en schrikte plotseling terug.
Wien zag ik daar aankomen? Hugo! Hij had mij gemist en zocht mij nu;
ik verbeeldde mij dat hij er
[165:]
erg somber en gedrukt
uitzag. Hij keek in het glas herkende mij en dadelijk schelde hij aan.
"O God," bad ik, "laat het goed afloopen" en maakte
vast besloten de deur open.
"Ben je hier?" vroeg hij, "en 't is etenstijd!"
"O Hugo, Hugo," snikte ik, het gezicht tegen zijn borst gedrukt,
"wees niet boos, ik bid je!"
Tegelijk zeide mevrouw van Beers:
"Och mijnheer van Doornik, bedenk dat uw vrouwtje nog zoo jong
en onervaren is. En wat mevrouw van Hamelen betreft. . . ."
"Alweer mevrouw van Hamelen!" riep hij ongeduldig, "altijd
die mevrouw van HameIen; wil je mij nu eens precies zeggen Emmy, wat
er tusschen jou en haar is voorgevallen?"
Ja, dat wou ik, mijn moed ontwaakte plotseling en ik vertelde hem alles
zoo oprecht mogelijk.
"Een mooie geschiedenis," zeide hij met akelige kalmte, "de
helft van hetgeen je mij gezegd hebt is voldoende voor een aanklacht
wegens eerroof. En het bewijs van de waarheid van je woorden kan je,
geloof ik, niet eens leveren?"
Dat zei hij op zoo'n echte advokatentoon dat het bloed mij in de aderen
stolte.
"Och Hugo," jammerde ik, "red mij toch! Laat mij niet
voor het gerecht verschijnen!"
Hij kreeg medelijden met mij.
"Troost je maar," zei hij, "dezen keer is het goed afgeloopen;
mevrouw van Hamelen heeft sedert drie dagen Bergveld verlaten wegens
onverwachte familiezaken, zooals het heet!"
[166:]
"Wie heeft
je dat gezegd?" vroeg ik ademloos.
"Haar zwager Winterveld!"
"En hij heeft je niet over die andere historie aangesproken?"
"Wel neen, hij scheen van niets te weten; in het voorbijgaan vertelde
hij mij van haar vertrek, een heele opluchting naar 't schijnt, en nu
begrijp ik er de eigenlij ke reden van."
Wat een last viel mij van het hart, ik kon niet anders doen dan Hugo
om het middel te pakken en met bem de kamer rond te dansen.
"Maar wat kwam de majoor eigenlijk bij je doen?"
vroeg ik eensklaps.
"Je vragen om je recept van punch, die scheen hem laatst zoo goed
gesmaakt te hebben."
Nu viel ik haast uit de lucht van verbazing en keek bern zoo verbluft
aan dat hij en mama van Beers beiden hardop begonnen te lachen. Hij
nam mij op zijn schoot en zeide:
"Kom, kleine poes, de preek zal ik je maar besparen; het schijnt
mij toe dat je al genoeg hebt uitgestaan
"
Wij namen afscheid van dat lieve, oude mensch, die zoo innig blij was
over den goeden afloop van het geval, en toen wij 's avonds gezellig
dicht bij elkaar zaten en al het akelige dat mij dreigde als bij tooverslag
verdwenen was, beknorde Hugo mij vriendelijk dat ik zoo weinig vertrouwen
in hem had getoond en mij liever alleen plaagde dan hem alles te bekennen
en toen was het of een stroom van zaligheid zich over mij uitstortte,
ik drukte mij vast tegen hem aan
[167:]
en vertrouwde hem
toe - wat ons beiden tot de gelukkigsten der menschen maakt.
En in de onuitsprekelijke vreugde van dat oogenblik beloofde ik God
voortaan zoo goed te zijn als mogelijk was om mijn geluk te verdienen.