13
Februari.
Toch wilde de last,
dien ik op mijn hart had maar niet wijken, al verzekerde Hugo mij nog
zoo dikwijls dat alles goed was gegaan; mannen hebben van al die kleinigheden
geen verstand.
Ik had zoo'n behoefte mij eens uit te spreken en ging dus weer naar
mijn oude vriendin mevrouw van Beers; zij zat daar in haar gezellige
huiskamer en het oude Truitje bracht de blauw porselein kopjes binnen
op het japansch theeblad en het oude chineesche theepotje, dat zij heel
voorzichtig moest behandelen omdat bet gelijmd is, maar nergens smaakt
het zoo goed in, "want," verzekert Truitje, "mevrouw
is het zoo al twintig jaar gewoon."
Truitje is ook een familiestuk evenals Leentje van mijn schoonmoeder,
maar veel aardiger en hartelijker. Zij had gelijk, de thee was heerlijk
en daarbij kan men zoo gezellig met dat lieve, oude mensch praten; ik
stortte mijn hart bij haar uit en zij streed mij tegen
[139:]
dat ik geen reden
had om verdrietig te zijn. Zulke kleine tekortkomingen zijn onvermijdelijk
in het begin; maar ik was er niet mee tevreden en vroeg haar waar het
aan lag, dat alles in mijn huishouden nog niet ging zooals het moest
gaan, hoewel ik mij toch zooveel moeite gaf.
"Omdat je niet practisch genoeg bent opgevoed, kindjelief! Oefening
maakt de meester en de meesteres. Je zoudt zooveel gemakkelijker dan
nu alles hebben kunnen leeren zonder dat het je duur leergeld kostte,
als je mama je thuis eens een receptieavond geheel alleen had laten
regelen. Zulke oefeningen dienen als de manoeuvres bij de soldaten,
opdat men later als het werkelijk noodig is niet met de handen in het
haar zit. Maar 't is nu eenmaal geen gewoonte, dat weet ik, wel..."
"Ja en vooral bij mama niet; die is zoo vlug en doet alles het
liefst zelf."
"Dat ziet men meer: een vlugge moeder kweekt langzame dochters,
maar geef niet den moed op; gij moet het ernstig willen, dan zal het
wel gaan."
"Wat moet ik dan doen?"
"Je hebt in vele opzichten een uitstekende meid, maar je moet haar
meer nagaan, geen slordigheid of verzuim door de vingers zien, haar
netjes leeren dienen zelfs als gij met je tweeën alleen zijt."
"Maar dan zegt zij mij den dienst op!"
"Daar moet ge je niet bang voor toon en, want dat geeft haar kracht
en pretentie."
"En ik heb ook geen lust om zoo'n bekrompen, kleingeestige, pijnlijk
nette huisvrouw te worden als die andere hier zijn. . . ."
[140:]
"Maar kind!
nu ga je te ver! Wat noem je kleingeestig? Juist kleinigheden maken
de som van ons leven uit. Ziet men ze over het hoofd, dan stapelen zij
zich als hooge hinderpalen op onzen weg, terwijl zij, wanneer wij hen
goed behandelen, dien weg tot sieraad strekken. Laat je raden door een
oude vrouw van veel ondervinding; onze eerste plicht is het kleine en
kleinste met gewetensvolle zorg te behandelen, en daarbij den zin voor
het groote niet te verliezen. Alleen de vereeniging van beide maakt
de volmaakte vrouw."
"Nu ja, maar 't is toch beter als een vrouw over alles mee kan
praten en in allerlei mooie dingen liefhebberij heeft, dan als zij geheel
opgaat in haar huishouden."
"In man en kinderen, neen! Stond men voor de keuze wat voor het
welzijn van het huishouden beter is, een nette, ordelijke, maar overigens
onontwikkelde vrouwen een hoogbegaafde slordevos, dan is de eerste nog
te verkiezen. Maar hoevele kostbare hoogere bezittingen gaan er door
zoo'n vrouw niet verloren! Ook op geestelijk gebied moet de vrouw de
ziel en leidster van het huisgezin zijn; het raderwerk van haar huishouden
moet zij in beweging houden, zorgen dat alle stoffelijke behoeften van
haar huisgenooten voldaan zijn, opdat zij zich later met hen kan wijden
aan verhevener zaken."
"Och lief moedertje, als ik u zoo hoor praten, dan voel ik mij
toch zoo moedig gestemd, dat ik zoo gauw mogelijk vooruit zou willen
streven alleen om dit edele doel te bereiken."
[141:]
"Maar vergeet
niet Emmylief, dat de weg daarheen leidt over keuken, waschtobbe, provisie-
en linnenkast!"
Zij tikte mij op de wang en begon allerlei dingen van dien avond te
prijzen; allen hadden zich zoo op hun gemak gevoeld en mijn houding
als oplettende, vriendelijke huisvrouw was door allen geprezen. Wat
mtj dat goed deed!
"Maar een ding moet je mij toch zeggen, waarom was je schoonmoeder
er niet?" vroeg zij en ik merkte aan haar toon dat zij met elkander
er over gepraat hadden, en ik aarzelde niet haar alles te zeggen, wat
ik op het hard had, haar onvriendelijk bedanken, onze koele verhouding,
waaraan ik toch geen schuld had.
Zij gaf toe dat Hugo's moeder, door zware slagen getroffen, ernstiger
en afgetrokkener was dan andere vrouwen, maar zij hield vol dat ik haar
nog eens had moeten verzoeken en dat het mijn plicht was haar liefde
te zoeken.
Maar nu gaat zij toch te ver in haar goedheid; alles moet immers van
twee kanten komen; zeker is 't gemakkelijk noöit met iemand onaangenaamheden
te hebben als men met een soort van wetenschappelijkheid eerst onderzoekt,
welke de beste manier is om met de andere om te gaan, maar waarom moet
ik dat nu juist doen en niet zij?
"Och," zegt zij, "ons leven is zoo kort, zoo vol onvermijdelijke
rampen, dat men elkander niet vrijwillig moet, plagen met dingen, welke
men evengoed kan laten. De gelegenheden om iemand wel te doen zijn honderdvoudig,
maar hoe weinigen valt het in, dit
[142:]
tranendal voor
zich en anderen een prettiger aanzien te geven door een beetje vriendelijke
toegevendheid."
Heel mooi gezegd, maar laat mijn schoonmoeder toch ook haar best doen
om het hart van haar zoons vrouw te winnen; mijn plicht jegens haar
zal ik stipt vervullen, maar liefde laat zich niet dwingen. Ik hoef
maar aan haar scherpe, zwarte oogen en haar schoolmeesterachtigen toon
te denken om inwendig te bevriezen. Die kan ik toch niet veranderen.
"Lief mamaatje van Beers," zei ik, "was u maar mijn schoonmoeder,
dan zou het mij volstrekt geen moeite kosten lief en aardig jegens u
te zijn."
"En toch vrees ik, dat het nog niet goed zou gaan. Je had dan een
vooroordeel tegen mij. Ik was je schoonmoeder, met wie je altijd op
een voet van gewapenden vrede moest staan. Alles wat ik zei met de beste
bedoelingen en in je voordeel zou je wantrouwend aanhooren. In alles
zag je een poging om in je rechten te treden, om vitterig en onaangenaam
tegen je te zijn. En dan zou je mij antwoorden niet als nu met een zoen
en een lief gezicht maar met een scherp antwoord en een grimas."
Ik lachte en ging er niet verder op door; hier is wel iets van aan.
Ik kan niets velen van Hugo's moeder - misschien wel vooral omdat het
mijn schoonmoeder is. Maar toch mamaatje van Beers en zij - wat een
onderscheid en ik vroeg, haar kussend:
"Zeg mij toch hoe u het aanlegt om altijd aan anderen te denken
en daarbij zelf zoo vroolijk en tevreden te zijn?"
"Dat is een geheim van den ouderdom kind! Gij
[143:]
jong volkje moet
u niet verbeelden dat de goede God alle zoete gewaarwordingen alleen
over u uitstort. Hij houdt ook nog het een en ander voor de ouden van
dagen in voorraad."
Toen ik naar huis ging, bedacht ik nog eens goed welke verbeteringen
ik in mijn huishouden zou aanbrengen en de goede voornemens groeiden
nu hoopen aan; ik kwam gelukkig vol vertrouwen en moed weer thuis.
"Hugo!" riep ik, "let nu op wat ik een modelvrouw ga
worden. Vandaag over een jaar ben je de gelukkigste man van heel Holland."
"Kom kom!" plaagde hij, "voorloopig kan ik het nog wel
uithouden. Maar wat is er aan de band, Em?"
Dat zei ik natuurlijk niet, maar ik begon een nieuw leven, ging op strooptocht
in mijn kasten en laden, vond veele spaarpotten van vuil, merkte tot
mijn schrik, hoeveel er reeds veronachtzaamd was en begon onmiddellijk
alles opnieuw te regelen; het spreekt dat alles niet op rolletjes ging.
Rika zette een keel op over zooveel brutaliteit en dreigde met heen
te gaan.
Ik bleef heel kalm en antwoordde alleen:
"Als je dat nog eens zegt, dan houd ik je aan je woord."
En ze herhaalde het niet meer.
Maar sedert dien tijd leven wij op voet van oorlog.
Zij doet haar best mij er in te laten loopen en ik doe wat ik kan om
mij voor dit lot te bewaren. Een poos ging alles buitengewoon goed;
ik leerde al zwijgend een menigte dingen, waaraan ik vroeger niet dacht
en ben nu werkelijk al een zeer dragelijke buisvrouw,
[144:]
maar soms overkomt
je toch wel weer een ongelukje.
Ik kreeg er mijn deel van op vastenavond; gelukkig maar! wij hebben
alles in de karnavalspret begraven.
Hugo had mij reeds dikwijls gevraagd hem te tracteeren op pannekoeken
met appelvlakken en nu besloot ik hem dat pleziertje te doen; of er
wat overschoot, beteekende niets, zei hij, want hij at ze ook graag
koud.
Ik keek in mijn kookboek het recept na en daar stond:
"Neem vier pond bloem van meel."
Nu dacht ik, dan neem ik er maar vijf, dan blijven er stellig over.
Ik liet Rika het beslag maken en toen ik later in de keuken kwam kijken
hoe ver zij reeds was met bakken, zag ik een hoog opgestapeld bord vol
pannekoeken staan en nog was het beslag niet half op. Ik bleef even
zwijgend staan kijken en zeide toen aarzelend:
"Het lijkt mij toe dat het toch wat veel wordt."
"Wel neen!" zei Rika, "in het logement, waar ik vroeger
gediend heb, bakten wij altijd zoo veel!"
Zoo'n spook!
Toen ik een half uur later terugkwam was de stapel eens zoo hoog en
nog bakte Rika maar voort; mijn heele boterpot ging er mee heen. Met
bloedend hart zag ik stukje voor stukje van mijn dure boter, waarmede
ik het anders nog stellig veertien dagen had kunnen volhouden in de
pan verdwijnen, en toen het laatste stukje verdwenen was, verloor ik
mijn zelfbeheersching en begon te schreien.
Maar 't hielp niets; de pannekoeken groeiden schrikbarend aan; 't was
of zij mij zouden gaan naloopen als ik de keuken uitging, maar daar
viel 't mij in
[145:]
wat mevrouw van
Beers gezegd had over het groote en het kleine en ik begreep dat zich
nu de gelegenheid voordeed om mij sterk te toonen. Ik droogde mijn tranen
achter Rika's breeden rug en zei heel kalm zonder den spotlach op te
merken, waarmede zij de koeken aanzag:
"Breng een bord vol pannekoeken naar mevrouw van Beers; ik heb
er expres wat meer laten bakken om ze haar te kunnen zenden."
Hugo vond ze heerlijk, maar meer dan zes kon hij er niet eten; als ik
hem drie dagen lang niets dan pannekoeken gaf, zou hij ze nog niet opkrijgen.
Den derden dag kon hij geen pannekoeken meer zien noch ruiken, Rika
en ik ook niet; wij zonden ze dus naar een arm huisgezin, waar ze met
geestdrift werden ontvangen.
Het was een genot de leege plaats in de kast te zien, maar helaas! daar
naast stond ook de leege boterpot!