[122:]
4 Februari.
De feestavond is
voorbij; heb ik mijn examen in receptiekunst goed afgelegd of ben ik
jammerlijk gezakt? Ik weet het waarlijk niet, alleen dit weet ik, dat
ik een paar pijnlijke, nare herinneringen rijker ben geworden.
Wat zag ik tegen dien ongelukkigen Donderdag op! Eerst hoopte ik dat
zij allen zouden bedanken maar jawel! zij kwamen met het grootste plezier.
Dan werd ik des nachts wakker met het idée dat iets akeligs mij
wachtte en ik moest mij even bedenken daar viel het mij in: "O
ja Donderdag is 't, Donderdag krijg ik visite" en dan legde ik
mij zuchtend op mijn anderen kant.
Soms kreeg ik lust eensklaps onwel te worden, maar daar hoefde ik bij
Hugo niet mee aan te komen, en zoo brak eindelijk de gevreesde dag aan
en bij het naderen van het gevaar groeiden ook mijn moed en strijdlust
aan.
"Zorg dat alles goed in orde is," zeide Hugo bij het heengaan,
"en vooral richt alles zoo in dat je bij het souper niet van tafel
behoeft op te staan; ik vind dat zoo hinderlijk."
Ik wist heel goed waarom hij dit zoo hinderlijk vond; laatst waren wij
op een avondje bij den notaris en daar draaiden de dochters en de meid
onophoudelijk rondom de tafel om de borden te verwisselen en bij elk
nieuw gerecht stond de moeder op, ging de kamer uit en kwam na een heele
poos terug gevolgd door
[123:]
de meid die met
een triomfeerenden blik den schotel binnendroeg.
Anders had ik er me zeker ook mee geamuseerd, maar nu ik den spottenden
blik van mevrouw van HameIen zag, ergerde het mij ontzettend.
Ik kan dat mensch wel niet uitstaan maar aangezien de Wintervelds tot
onze beste kennissen behooren en ik daar ook al op een avondje geweest
was, zoo moest ik ze natuurlijk mede inviteeren en daarom zeker is Hugo
er zoo op gesteld dat alles in de puntjes gaat; nu ik ook, zij moet
weten dat die arme Hugo niet zoo heel erg beklagenswaardig is met zijn
onbeduidende vrouw.
Den geheelen dag had ik het verbazend druk; wij maakten kreeftensalade
met mayonnaisesaus en vulling voor de pasteitjes; dan moesten er nog
gebraden duifjes zijn, zoo'n souper is hier zoo copieus, maagverdervend
en slaaproovend mogelijk. Tegen vier uur wilde ik beginnen met de tafel
te dekken, wij hadden voor het gemak om één uur gegeten
of liever Hugo had alleen gegeten - Rika en ik hadden het er te druk
voor - de eettafel moest worden uitgehaald voor de vele gasten, welke
eer haar nog niet overkomen was, maar helaas! het ging niet. Wij trokken,
schoven, schudden - vergeefs! het versche hout was gezwollen en verroerde
zich niet.
Doodsangst greep mij aan, wij verdriedubbelden onze pogingen, knielden
neer, drukten er tegen met al onze krachten, niets hielp; in mijn vertwijfeling
riep ik Hugo, die juist thuis kwam; hij pruttelde erg, in de laatste
dagen is hij toch zoo prikkelbaar. Nu
[124:]
trok hij ook met
geweld, maar dat gaf nog niets.
Eindelijk haalde hij een hamer en sloeg er duchtig op los. Krak! daar
ging het eindelijk langzaam maar zeker en wij herademden.
Maar veel tijd had het gekost; het was nu al bij vijven en om half zeven
konden de menschen reeds komen; dus was haasten weer de boodschap. Hugo
beloofde mij nog druiven en mandarijnen mee te brengen en ik ging nu
zoo spoedig mogelijk mijn tafel in orde brengen; zij zag er verrukkelijk
uit al zeg ik het zelf.
De menu's had ik zelf geschilderd, het zilver en kristal, mijn mooie
zoutvaatjes en andere kleine tafelgereedschappen stonden prachtig op
het damasten tafellaken, met mijn kristallen roemers voor witten en
rooden wijn; het pièce de milieu met bloemen in 't midden; 't
geheel was betooverend mooi en smakelijk.
Ik sprak mijzelf moed in; alles zou nog wel goed gaan, wanneer Rika
maar niet het hoofd verliest want als haar dat overkomt is er niets
met haar te beginnen en dat gebeurt haar wel eens als zij te veel drukte
heeft.
Ik deed dus mijn best haar kalm te houden, maar ik moest haar toch eenige
wenken geven; deze nam zij heel knorrig aan en antwoordde snauwend:
"Dat zal wel terecht komen!"
Och! Och! wat een verschil met onze nette, vlugge Johanna, dat vierkante,
forsche molenpaard met haar dikke, ruwe, roode vingers!
Eindelijk tegen half zeven was ik met alles klaar, had nog even den
tijd een andere japon aan te trek
[125:]
ken, en voelde mij
nu werkelijk een beetje jaloersch op Rika, die stil in haar keuken kon
blijven en de plichten van beminnelijke huisvrouw niet behoefde te vervullen.
Nauwelijks was ik gekleed of daar verschenen de eerste gasten en bijna
tegelijk met Hugo; hij vloog de trap op om zich ook nog even op te knappen
en kwam nog bijtijds terug.
Om zeven uur waren alle gasten present; Frederike van den Berg en haar
oom, een paar Kraften, Dr. Massieu en echtgenoote, mevrouw van Beers,
mevrouw van HameIen en haar zwager - haar zuster had zich wegens hoofdpijn
laten exuseeren, zij verheugt er zich zeker ook in, eens een vrij avondje
te hebben zonder die eeuwige logée - Clara en Brands.
Deze vond het noodig mij in tegenwoordigheid van allen een bouquet te
overhandigen; ik was eigenlijk boos over die misplaatste galanterie.
Wie doet nu zoo iets op een gewoon avondje? Ik legde het bouquet onverschillig
op een zijtafeltje, maar ik zag dat juffrouw Frederike een van de notarismeisjes
aankeek en dat Hugo dien blik opving, zijn wenkbrauwen fronsde en op
zijn knevel beet.
Onder de thee ging alles heel best; alleen mevrouw van HameIen moest
zich weer afzonderen, zij ging met haar kopje in de band tegen den schoorsteenmantel
leunen, haar mooi voetje vooruitgestoken en op een trépied rustend,
zeker bij gebrek aan een haardriggeltje. Zij zag er uit of zij naar
een hofsoirée moest; zalmroode zijde met zwart kant en een sleep
van wel een meter lang; ik hield mijn hart vast, dat zij iets mee zou
slepen van mijn mooie petits-riens. De heeren
[126:]
moesten uit beleefdheid
ook wel blijven staan om met haar te praten en zij deden het wat graag.
Vooral tegen Hugo is zij bijzonder lief en in plaats dat mij die onderscheiding
vereert, hindert zij mij zeer. Onze gesprekken liepen over allerlei
huishoudelijken dingen en stadspraatjes; over de duurte van de boter
en het vleesch, over het bevriezen van den wintervoorraad en ik weet
niet wat al meer; mijn gedachten waren meer bij de gesprekken van de
heeren rondom mevrouw van Hamelen. Zij hadden het alweer over den toestand
der vrouw in onze maatschappij.
"En ik verzeker u," hoorde ik haar met haar sterk geaccentueerde
stem zeggen, "dat de toestand der vrouw zooals de mannen dien gemaakt
hebben eenvoudig onhoudbaar is! Wat wordt er al niet van haar gevergd,
zij moet huishoudster, naaister, moeder, gezelschapsjuffrouw en nog
veel meer tegelijk zijn. Zij moet kunnen musiceeren en praten over alles,
altijd even opgewekt en vroolijk doen, onverschillig of haar kind haar
den heelen nacht heeft wakker gehouden en de meid haar in den steek
liet en zij den heelen dag meidenwerk deed!"
Ik kreeg een kleur; juist wat ik dezer dagen gedacht had en wat mij
zoo wrevelig maakte, o, als een ander dat had gezegd, wat zou ik die
bij gestemd hebben!
"Maar mevrouw!" riep Dr. Massieu uit, "de vrouwen moeten
toch ook iets te doen hebben, Wij arme mannen zijn den geheelen dag
aan het werk om voor haar geld te verdienen en hebben toch zeker recht
op een vriendelijk gezicht en een goed middagmaal"
Zijn vrouw ving die woorden op en zei tegen ons
[127:]
met haar scherpe
bittere stem en grimmigen lach:
"Als je den dokter hoorde,. zou je denken dat hij altijd een knorrige
vrouw en slecht eten vond wanneer hij van zijn patiënten t'huis
komt."
"Qui s'excuse, s'accuse!" fluisterde juffrouw Frederike, die
naar "men zegt" ook eens meende gegronde hoop te mogen koesteren
doktersvrouw te worden.
"'t Is dus alleen voor uw vrouw dat u uw geld verdient dokter?"
vroeg mevrouw van HameIen spottend, "en daarvoor verlangt u van
haar slavendiensten? Een bewijs te meer dat de vrouw in 't huwelijk
onafhankelijk moet zijn en haar eigen broodwinning dient mede te brengen!"
"Maar mevrouw!" riep de notarisvrouw verontwaaraigd uit, "dat
meent u toch niet! Hoe kan een vrouw bij haar huishouden nog een betrekking
waarnemen? Dan moet immers alles in 't honderd loopen."
"Voor dat huishoudwerk zijn altijd meiden te krijgen," verklaarde
mevrouw van HameIen uit de hoogte.
En nu gingen ook bij ons de sluizen der welsprekendheid open, die wist
dit en die wist dat te vertellen ter bestrijding van dit monsteridée;
alleen Frederike van den Berg, die altijd in de contramine is, verhaalde
dat zij een dame had gekend een schilderes en schrijfster, die zeven
kinderen had en zonder eenige hulp haar huishouden bestuurde.
"Arme wurmpjes!" zeide de oude mevrouw van Beers, op zoo'n
medelijdenden toon dat allen hartelijk begonnen te lachen.
Maar de andere groep was nog druk en ernstig aan het philosofeeren;
ik haalde juist de theekopjes op en
[128:]
maakte de opmerking
dat het veel gezelliger zou zijn als de heeren bij ons in den kring
kwamen zitten dan konden ook wij nog nut trekken uit hun verheven beschouwingen.
"Wij zullen ons lief gastvrouwtje niet langer berooven van het
gezelschap van haar mannelijke gasten," zeide mevrouw van HameIen
op zoo'n gemaakt lieven toon, dat ik inwendig van boosheid trilde.
Zij ging nu op een der lage fauteuils zitten, in een bestudeerd bevallige
houding, met een van haar mooie gesoigneerde handen tegen het hoofd
gedrukt, en toen het hoofd half omgekeerd, bleef zij tegen de heeren
voortpraten.
"De eerste plicht van een vrouw is lief te zijn," zeide Brands
op een toon alsof hij de grootste wijsheid verkondigde.
"En de eerste plicht van den man?" vroeg zij spottend terug.
"Die liefheid waardig te zijn door verstand en kracht," antwoordde
Hugo.
Nu verliet zij haar nonooalante pose, keek mijn man doordringend in
de oogen, zuchtte en sprak:
"Dat is nu de taal van een echten man, van een der krachtige tyrannen,
die ons arme vrouwen vrijwillig en gaarne voor hun macht doen buigen."
Verbeeld je! Hebben die mannen nu al geen verbeelding genoeg dat zij
hun nog zulke dingen moet wijsmaken; ik zag dat Hugo er door geëlectriseerd
werd en met vuur voortging:
"Ja zeker, wij verlangen veel van de vrouwen, misschien te veel!"
[129:]
"Ah zoo! Zie
je dat eindelijk in?"
"Maar daarom moeten wij ook in alle opzichten de sterkere zijn,
de sterkere en meerdere in karakter en levensbeschouwing maar vooral
in plichtsvervulling. De vrouw moet op ons kunnen steunen; wij willen
haar vertrouwen bezitten, maar dat vertrouwen moeten wij verdienen.
Wij noemen ons heeren der schepping, daarom moeten wij ook uitmunten
door kracht, ik bedoel hiermede innerlijke, zedelijke kracht en buigen
zich onze vrouwen daarvoor, des te beter voor haar en voor ons!"
"En u heeft Tolstoï niet gelezen en Ibsen?" vroeg zij
na een poosje en keek hem vol eerbiedige bewondering aan.
"Wel neen mevrouw!" antwoordde hij lachend, "ik praat
niemand na."
"En omdat ik het in theorie met mijnheer van Doornik eens ben en
mij te zwak voel zoo hoog te staan, blijf ik ongetrouwd," zeide
Dr. Brands.
"Mevrouw van Doornik moet wel gelukkig zijn een man te hebben,
die zoo iets aandurft," sprak de dokter."
"O neen," zei Hugo, "ik beweer volstrekt niet, dat ik
het zoo ver gebracht heb, integendeel! Ik begin pas mijn proeftijd als
getrouwd man en mijn vrouw weet beter dan iemand wat een onhandige leerjongen
ik nog ben, maar - ik zeg alleen, zoo moest het wezen, wil het huwelijk
iets anders zijn dan een lastig juk, waaronder beiden levenslang zuchten
en kermen."
"De mannen houden veel te veel van hun gemak en laten al wat moeielijk
is liever aan hun vrouwen
[130:]
over," beet
de doktersvrouwons toe, "in het begin zijn ze nog dragelijk, maar
later - -"
Wat werd die vrouw toch dadelijk persoonlijk; hoe schaamteloos de geheimen
van haar huiselijken kring aan het publiek toe te vertrouwen!
De goede mevrouw van Beers kwam er tusschen.
"Het moet alles van twee kanten komen," sprak zij, "tegenwoordig
zijn er velen, die op 't huwelijk schelden en zeggen dat het niet deugt,
dat het een ouderwetsche tyrannie is en een ondragelijk juk, maar ik
geloof niet dat 't huwelijk niet deugt, maar de menschen deugen er niet
meer voor. Zij zoeken alleen naar eigen genot en voldoening voor het
oogenblik en niet naar hetgeen de andere gelukkig maakt."
"De mannen maken de wetten en daarom komen de vrouwen er zoo treurig
af," zuchtte Frederike.
"De vrouwen moeten de mannen vormen, die de wetten maken,"
hernam mevrouw van Beers met haar vriendelijke stem en geestigen oogopslag
en opeens voelde ik een onweerstaanbare behoefte mijn hart bij het lieve,
verstandigé mensch uit te storten en haar te verzoeken orde te
brengen in de verwarring van gedachten, die mijn hoofd vervult en mijn
hart soms zoo zwaar maakt.
Ik ruimde intusschen de thee op en stelde voor een kaartje te leggen;
wij hadden twee speeltafeltjes, maar ik kon slechts één
whistpartijtje vormen; de anderen wilden liever een allegaartje doen.
Mevrouw van Hamelen bedankt voor beiden, en nu kon ik niet anders dan
haar verzoeken of zij het gezelschap wilde doen genieten van haar muzikaal
talent.
[131:]
Hugo geleidde haar
naar de piano en in plaats van bij het whisttafeltje te gaan zitten,
waar de oude heer Kraft, mevrouw van Beers, Dr. Massieu en majoor Winterveld
zich vol vuur aan het spel begaven, bewees hij haar een beleefdheid,
die ik maar hoogst zelden van hem ontving door de bladen van haar muziek
om te slaan en stil voor de piano te blijven luisteren.
Brands ging niet van mijn zijde weg; ik had zoo graag Claartje het genot
van zijn gezelschap gegund maar nu ik mijn man zoo druk bezig zag met
dat nare schepsel, besloot ik ook te doen of ik mij dol amuseerde. Ik
plaagde Brands en lachte dikwijls onder het spel door, zoodat Hugo telkens
naar mij kijken moest.
Ik deed heel leelijk, dat weet ik wel, maar wat kon ik er aan doen?
Ik sloofde mij zoo af vandaag en was zoo moe, dat ik liever naar bed
ging, dan hier de vriendelijke gastvrouw spelen en ondertusschen plaagde
hij mij door zijn galanterie tegen een vrouw, die ik niet uit kan staan.
Niet dat ik jaloersch ben! O Hemel neen, ik weet niet wat jaloezie is.
Ik vind jaloersche menschen onuitstaanbaar, onverstandig, maar die mevrouw
van Hamelen is zoo'n volleerde kokette vol kunsten en streken en ik
was boos, dat hij 't niet scheen te begrijpen.
Daarbij komt dat zij prachtig speelde, veel beter dan ik; dat men in
de kamer met andere dingen bezig was, scheen haar geheel onverschillig.
De bewondering in Hugo's sprekende oogen zoo duidelijk
[132:]
uitgedrukt was
haar stellig genoeg; zij speelde Chopin zoo mooi als ik 't nog nooit
had gehoord en toen zij gedaan had, overwon ik mijzelf zoo goed, dat
ik haar zeggen kon:
"Wat zou ik er veel om geven mevrouw! te kunnen spelen als u!"
"Wensch dat niet, lieve kind!" zeide zij op pathetischen toon;
"het kost hartebloed Chopin zoo te leeren spelen."
En weer wierp zij een smachtenden blik op Hugo; ik kon mijn lachen haast
niet houden.
Wat leek zij toen ze dit zei sprekend op Brands!
Die twee zouden een goed paar zijn als - ze maar geld hadden om van
te leven; doch dat is geloof ik juist het zwakke punt; het zal niet
uit weelde zijn dat het levenslustige weeuwtje hier bij haar zuster
te uit en te na logeert.
"Wie durft zeggen dat zulk een voorrecht te duur gekocht kan zijn,"
antwoordde Hugo. Ook al een phrase! Belachelijk!
Tegen half elf werd de suitedeur geopend en wij traden in de achterkamer,
waar de schitterende tafel aan allen uitroepen van bewondering ontlokte.
't Was dan ook werkelijk een tafeltje welbereid; die menschen hier zijn
dat bevallige arrangement niet gewoon.
Ik was blij dat Hugo beleefdheidshalve de oudere dames van het gezelschap
aan weerskanten moest hebben, maar zijn vriendin stelde zich schadeloos
daar zij tegenover hem zat. Vis à vis vaut mieux qu'à
cóté.
Eindelijk zaten wij en het souper zou beginnen; het
[133:]
gesprek kwijnde
in afwachting van de dingen, die komen zouden, maar zij kwamen niet
heel spoedig.
Ik trilde op mijn stoel om eens naar de keuken te vliegen en te kijken
wat er aan haperde, maar Hugo's blikken nagelden mij aan mijn plaats
vast; niemand luisterde meer naar de grappen van den ouden heer Kraft
of naar de spotzieke aanmerkingen van Dr. Massieu; uit beleefdheid deed
men wel of men luisterde, maar ieder was vervuld van de gedachte:
"Waar blijft nu het eten?"
Ik las op Hugo's voorhoofd allerlei onaangename dingen, en duidelijker
dan alles zijn gewoon:
"Altijd en alweer te laat!"
"Wij zijn met ons dertienen," fluisterde mevrouw van Hamelen
Brands in het oor, duidelijk genoeg.om door allen gehoord te worden;
't was waar, maar alleen door de schuld van haar zuster, die thuis was
gebleven; zij had er dus niet over moeten spreken; want onaangenaam
blijft het toch al is men ook nog zoo weinig bijgeloovig. Hugo plaagde
haar:
"Maar daar zal toch zoo'n groote geest als u niet om geven!"
"Ik weet het niet of ik een groote geest mag heeten," antwoordde
zij, "maar ik vrees dat ik wel wat bij geloovig ben. Ik was lang
in Engeland en daar geeft men veel om voorteekens. Ik was laatst in
Londen bij Lady... ."
En nu kwam een lange geschiedenis beginnende met dertien aan tafel en
langzamerhand verloopende in een echte spookhistorie. Veel verstond
ik er niet van, ik had te veel andere dingen aan het hoofd, maar toch
[134:]
was ik haar voor
't eerst van mijn leven een beetje dankbaar, dat zij de aandacht nog
even afleidde van Rika's treuzelarij.
Daar kwam het knallende sloteffect:
"Het sloeg middernacht. Toen voelde ik eensklaps een zachte, heel
zachte aanraking van mijn schouder en zag als door een hevel een witte
hand - het was die van mijn overleden man - ik herkende haar aan den
grooten diamanten ring, dien hij altijd placht te dragen."
Die ondeugende Dr. Massieu vroeg heel leuk:
"Maar draagt men in de geestenwereld nog ringen met diamanten,
of was dat ook de geest van een ring?"
Mevrouw van Hamelen wierp den spotter een verpletterenden blik toe en
wijde haar boeiend verhaal voortzetten toen eindelijk, eindelijk Rika
verscheen met de koppen bouillon op een oud theeblad.
Zij gaf ze aan, beginnend bij Hugo in plaats van bij zijn buurvrouwen
natuurlijk rechts presenteerend; zij hadden te lang gestaan, waren koud
geworden en vertoonden een kleinen vetrand. Dat was heel onaangenaam;
toch liet ik niets merken en het bedienen ging tamelijk goed, behalve
dat de heele kamer dreunde onder Rika's zware passen en de glazen op
het buffet er van rinkelden. Ik stond nu doodsangsten uit of zij de
pasteitjes wel goed zou vullen en binnenbrengen; 't duurde vreeselijk
lang en ik had toch alles vooruit klaar gemaakt!
Met gemaakte kalmte was ik juist bezig den notaris uit te leggen, dat
het getal dertien niets levensgevaarlijks had toen zij binnenkwam met
een hoogop
[135:]
gestapelden schotel
- zij had alles er op gelegd, ook mijn reserve - nu kwam zij staan naast
den stoel van de notarisvrouwen in plaats van behoorlijk te presenteeren,
pof! daar gooide zij twee pasteitjes op haar bord, dan weer twee op
dat van den majoor en als ik niet tusschenbeide was gekomen, had zij
het geheele gezelschap op deze al te vriendelijke manier bediend.
Wat ik mij verbeet, Hugo keek kwaad, mevrouw van Hamelen lachte; snel
duwde ik Rika achter de portière, fluisterde haar mijn bevelen
toe, kwam toen met een schijnbaar vroolijk gezicht weer in de kamer
terug en volgde nu met datzelfde strakke lachje Rika's lijdenstocht
om de tafel, altijd maar door luisterend, naar een verslag van den notaris
over het mislukken van zijn Carlsbadkuur.
Maar nu was 't met Rika heelemaal mis; de ontvangen roffel had haar
humeur zoodanig in de war gebracht, dat men alles vreezen kon. Ik zag
aan haar gezicht dat er een uitbarsting ophanden was; verbeeld je! als
die hier eens in 't openbaar plaats moest hebben.
Clara hielp mij, de schotels rond te geven, maar ach! die, waarop de
gebraden duifjes lagen, liet een akeligen roetrand op mijn mooi wit
damast achter, de sauskom was boordevol en ik sidderde dat hij zou overloopen;
o! had ik maar even naar de keuken kunnen gaan om orde op mijn zaken
te stellen - neen! dat durfde ik niet.
Het gesprek was levendig genoeg, maar alle stemmen gonsden door elkaar
in mijn hoofd, toen ik eensklaps Hugo daartusschen hoor zeggen.
[136:]
"Emmy, waar
is het brood ?"
Goede hemel! Ik had vergeten nog een tweede bakje te vullen, maar was
het nu wel aardig mij dat over de tafel toe te roepen? Tegen een mevrouw
van HameIen zou hij het zeker niet gedurfd hebben. Inwendig boos stond
ik op, ondanks het verbod, haalde het brood, en wenkte Clara; samen
namen wij af en zetten beschuit en kaas op tafel, maar de fijne vruchten
- waar waren die?
Ik boog mij naar Hugo's oor en vroeg zachtjes:
"Waar zijn de druiven en mandarijnen?"
"Goeie hemel! Ik heb ze vergeten."
"Hoe dom!" beet ik hem toe, want ik was woedend.
Mijn heele dessert had hij bedorven, de wijsneus want die paar bordjes
met bonbons en flikjes stonden zoo zielig op tafel.
Toen ik mevrouw van Beers het schoteltje amandelen overreikte, drukte
zij mij deelnemend de hand en toen ik weer naast den notaris zat en
mijn best deed iets schertsends te zeggen over het ongeval, zeide zijn
vrouw mij van den overkant:
"O dàt doet er niets toe, bij een jong vrouwtje kijkt men
zoo nauw niet" en de oude heer voegde er galant bij:
"Vooral als zij zoo lief en aardig is als onze gastvrouw!"
Maar mij stak dit als een dolksteek; mijn souper was mislukt, ik had
mij belachelijk gemaakt, mijn proefstuk was jammerlijk in het water
gevallen.
Toch geloof ik dat de gasten het bijzonder gezellig vonden, want zij
gingen eerst om één uur weg en
[137:]
toen de laatste
vertrokken was, daar brak de storm los: onze Emmy kreeg het op de zenuwen.
Het was een builen en snikken en verwijten aan haar man; van de vruchten
te beginnen tot de kokette mevrouw toe, hij kreeg van alles de schuld,
hij had mij gecompromitteerd voor 't heele gezelschap en wat hij ook
zei, ik luisterde naar geen rede, tot bij eindelijk het licht opnam
en vroeg:
"Kom je nu mee?"
"Neen!"
"Blijf dan maar, ik ga naar bed!"
En weg was hij; ik zette mij neer in de kamer tusschen die ongezellige
overblijfselen van het souper - ik had Rika dadelijk voor de scène
naar bed gezonden.
Morgen heb ik toch tijd genoeg alles om te wasschen en weg te bergen
- en begon naar hartelust te scbreien zoowat een uur lang, maar toen
kon ik niet meer, ik had al mijn verdriet uitgebuild en 't werd zoo
koud in de kamer en ik verlangde naar bed, maar mijn trots verbood mij
naar boven te gaan. Ik wilde eerst wachten tot hij rustig sliep om dan
in bed te kruipen, maar dieper en dieper zakte mijn boofd, ik begon
alles te vergeten, mijn verdriet en mijn boosheid, toen de deur open
ging en ik plotseling wakker schrikte.
Hugo stond voor mij en zag mij ernstig aan; ik kon niet anders doen
dan hem tegemoet gaan en hij vroeg:
"Emmy, zullen wij mekaar nu van avond voor 't eerst geen goeden
nacht zeggen?"
En nu viel ik hem om den hals en hij
[138:]
koesterde mij en noemde mij zijn dwaas opgewonden vrouwtje en verzekerde dat alles goed was geweest en allen zich best hadden geamuseerd - en - en- dat mevrouw van HameIen met haar spookring eigenlijk ook een mal spook was, waarvan men spoedig genoeg had en ik zei dat ze goed paste bij dien dwazen Brands en hij zijn bloemen aan haar had moeten geven; daarna gingen wij naar bed en sliepen heerlijk tot den volgenden morgen.