[99:]
12 Januari.
We hebben gistermiddag
toch zoo'n plezier gehad. Ja! 't is vreemd, maar hier waardeert men
veel meer elke afleiding als thuis - Wonderlijk, dat ik altijd thuis
schrijf wanneer ik Amsterdam bedoel!
Daar was het den heelen dag wat; 's morgens winkelen, 's middags visites
maken, als wij niet naar de IJsclub gingen of naar de een of andere
tentoonstelling, 's avonds naar het Concertgebouw, of de komedie, of
wij kregen menschen, moesten op een avondje, soiree musicale of dansante,
een whistpartijtje en zoo ging het dag aan dag, week in, week uit en
de winter was voorbij nog vóór wij het wisten, maar hier
is de eene dag gelijk aan den andere, men heeft tijd voor alles.
Is er een feestje in 't verschiet dan geniet men er eerst bij voorbaat
van en later biedt het nog een paar dagen lang stof tot nabetrachting
aan.
Zoo hebben wij den 17en hier een bal in de Harmonie dat zal mij wat
zijn. Ik ben er zeer benieuwd naar de Bergveldsche beau-monde eens bij
mekaar te zien op zijn mooist.
Clara komt dagelijks hier om bij mij raad te halen voor haar toilet
en ik help het lieve kind zoo veel ik kan; zij heeft zoo'n vereering
voor mij en ziet zoo hoog tegen mij op; al heb ik het haar ook zoo dikwijls
gezegd; zij wil mij maar niet bij den naam noemen.
"Neen," zegt zij, dat past niet; zoo'n deftige mevrouw en
een dom kind als ik; de afstand is te groot."
Ik vind die bescheidenheid van haar allerliefst; men treft ze tegenwoordig
zoo weinig meer aan bij jonge meisjes.
[100:]
Eergisteren was
't een heerlijke wintermiddag, de zon scheen vroolijk en 't had hard
gevroren, zoodat ik eensklaps een onoverwinnelijken zin kreeg in schaatsenrijden;
ik had juist Claartje, die mij ademloos aanhoorde allerlei wonderen
verteld van de Amsterdamsche ijsvermakelijkheden.
Haar oogen schitteren dan en zij kan zoo naif en bewonderend aan je
lippen hangen dat je onwillekeurig je fantasie laat werken en meer vertelt
dan je eigenlijk verantwoorden kunt.
"Kan je schaatsenrijden, Claar?" vroeg ik.
"O ja mevrouw, zeker! Ik heb 't op kostschool veel gedaan."
"En doe je het hier dan nooit?"
"Och neen, mevrouw! niemand rijdt hier; 't is geen gewoonte!"
"Hoe dwaas! Weet je wat, wij moesten het in de mode brengen!"
Zij zag mij aan als een verschrikt duifje.
"Hoe bedoelt u dat?"
"Wij moeten het gaan doen, dan zullen de anderen wel volgen! Of
durf je niet?"
"O jawel, maar ik weet niet - of - of ik 't nog kan."
"Dan moeten wij 't eerst probeeren op een eenzame plaats; weet
je er geen?"
"Ja, er is een plas achter de boerderij van Harmszen; daar komen
de jongens van de stad niet en 't is een kwartier van hier."
"Nu, dan ga ik mijn schaatsen halen; ik heb twee paar en we zullen
ons eerst wat oefenen voor wij met
[101:]
onze kunst in het
volle daglicht verschijnen en alle Bergvelders overbluffen."
Ik haalde de schaatsen, en wij maakten ons klaar; mijn vriendinnetje
keek altijd nog wat benepen; ik zag wel dat zij dollen trek had maar
het niet erg aan durfde.
Wij wandelden naar de plas; het ijs was er werkelijk heel mooi en dik
genoeg; een paar schooljongens alleen reden er op en boerenkinderen
speelden met de prikslede. Wij bonden onze schaatsen onder en het ging
best; eerst sukkelde Claartje een beetje maar spoedig kwam zij er weer
in en wij genoten bepaald; tegen vier uur gingen wij naar huis, 't werd
al donker. Clara liep direkt door; ik vertelde Hugo wat wij gedaan hadden
en hij had er zelf pret in.
"Als 't ijs aanhoudt zouden wij wel eens tochtjes kunnen ondernemen
maar 't zal nog een poos duren vóór het kanaal dicht zit."
Verder werd er niet meer over gepraat en den volgenden morgen om tien
uur was Clara reeds bij mij.
"Verbeeld u toch mevrouw!" zeide zij verontwaardigd, "de
jongens riepen mij van morgen al na van "schaatsenrijdster, ijsvogel,"
ik weet al niet wat meer!"
Ik lachte er hartelijk om!
"En kan je dat nu wat schelen? Kom Clara! ik had je voor wijzer
gehouden; zullen wij het nu op de stadsgracht probeeren, de jongens
zijn toch op school."
Haar oogen schitterden weer als bij de gedachte aan verboden genot.
"Durft u dat werkelijk?"
"Zeker. Mijn man vindt het best. Er steekt immers niets kwaads
in!"
[102:]
En wij reden verrukkelijk!
Af en toe kwam er een dame over den wal en bleef stil staan; zij waarschuwde
zeker anderen want nog nooit waren er zooveel wandelaarsters op dat
vroege morgenuur in Bergveld te zien geweest.
Clara werd er eerst een beetje verlegen door maar toen zij zag hoe 't
mij animeerde, sloeg zij er zich moedig doorbeen en wij deden allerlei
kunstjes; het was in een woord zalig, maar wie komt er nu tegen half
twaalf aangedrenteld met zijn gewonen nonchalanten stap?
Dr. Brands, de schaatsen onder den arm; bij bond ze onder en reed ons
tegemoet.
"Wel dames!" zei bij, "de Bergveldsche moniteur wist
mij al van morgen te vertellen hoe u de opinie hier trotseert en een
lans breekt voor de edele schaatsenrijderskunst; ik kom u in dit grootsche
werk helpen!"
Clara bloosde en ik die elke gedachte op haar rein voorboofdje kon lezen,
merkte dat zij hem in zijn fluweelen kunstenaarsjasje - de bête
noire van Hugo - bijzonder interessant vond. Mij vroeg of bij met ons
mocht opleggen en ik gaf mijn toestemming en zoo reden wij met ons drieën
heel gezellig.
De tijd vloog om en met schrik merkten wij dat het op de torenklok één
uur sloeg en om half een komt Hugo thuis! Clara had zoo'n haast niet.
Papa was vandaag uit de stad, dan kon zij wel haast den heelen dag doen,
wat zij verkoos.
"Blijf bij mij koffie drinken," zei ik, "dan halen wij
van middag den verloren tijd weer in met onze costumes."
[103:]
Onderweg ontmoetten
wij nog verscheidene bekenden onder anderen Fredenke van den Berg.
"Merkt u wel," vroeg Clara, "wat die ons nijdig aankijkt
of liever verontwaardigd!"
"Kom," lachte ik, "pure verbeelding! Je bent zoo kleinsteedsch.
Wat hebben wij voor kwaads gedaan?"
Toen kwamen wij Dr. Massieu tegen en dadelijk wist Clara weer te vertellen
dat hij zoo spottend zijn hoed afnam; nu was mij dit trouwens ook opgevallen.
Ik kan de man met zijn sarcastischen blik niet uitstaan; zijn vrouw
kan schuld hebben aan hun ongelukkig huwelijk, maar zoo'n nare spotlach
altijd tegenover zich te zien is ook niet alles.
Thuis stond Hugo al naar mij uit te kijken; de tafel was klaar maar
het brood nog niet gesneden, en het water nog niet op de koffie geschonken.
"Wel vrouwtje," zei hij, "ik dacht dat je niet meer thuis
kwam."
"Och man! 't Was zoo heerlijk op het ijs!"
Hij streek mij langs mijn blozende wangen en keek toen Clara aan.
"Nu de beweging doet je beiden goed. Je ziet er zoo frisch en opgewekt
uit, om jaloersch van te worden, maar laat ons nu maar gauw eten, Ik
heb honger en daarbij groote haast,"
Er waren brieven gekomen van huis. die ons stof tot praten opleverden
en Clara zweeg bescheiden.
"Van middag gaan wij aan onze baltoiletten werken," zei ik,
"om den verloren tijd in te halen."
En verder werd er niet meer over onzen morgen gesproken.
[104:]
Clara moest ondertusschen
alles weten van Dr. Brands.
"Vind je hem interessant?" vroeg ik.
Zij kreeg een verraderlijk kleurtje en antwoordde verlegen:
"Hij is zoo heel anders als andere heeren."
Ik had het hart niet, 't kind haar illusien te ontnemen en vertelde
haar dus niet hoe ik hem een echten fat en een onuitstaanbaren poseur
vond.
Bovendien schijnt hij mij hier toch niet zoo onverdragelijk als vroeger
in Amsterdam; tegen vier uur keerde Clara naar huis terug en dien avond
moest Hugo even voor zaken naar zijn moeder: ik had dus een stil avondje
en ging vroeg naar bed want die ongewone beweging van het schaatsenrijden
had mij wat slaperig gemaakt.
Van morgen aan bet ontbijt vond ik Hugo een beetje stil en afgetrokken.
"Is er iets mannetjelief?" vroeg ik.
Hij roerde in zijn kopje thee en vroeg toen terug, zonder op te zien:
"Ga je van morgen weer rijden?"
"Neen, wij zouden 't van middag doen; ten minste als het weer ons
niet fopt. Ik geloof dat het begint te dooien."
"En wil je het op de stadsgracht doen?"
"Natuurlijk waar anders?"
"Je hebt mij niet verteld dat je daar gereden hebt. Ik dacht dat
je het nog op de plas van Manus had gedaan, ook niet dat Dr. Brands
jelui cavalier was?"
Ik trilde van kwaadheid; natuurlijk was alles reeds aan schoonmama overgebriefd
of getelegrafeerd en zij
[105:]
heeft gisteren
in het lange en breede haar zoon onderhouden over het ongepaste gedrag
van zijn vrouw.
"Neen, ik voor mij vind er ook niets in! Maar je weet, wij wonen
in een kleine stad en ik heb een serieuze betrekking en nu is 't hier
geen gewoonte voor de dames om schaatsen te rijden. Ik begrijp niet
waarom, maar enfin! 't is nu eenmaal zoo en men moet de gebruiken altijd
een beetje eerbiedigen."
"Ook als die gebruiken heel dwaas en ongerijmd zijn?" vroeg
ik rood van boosheid.
"Dan moet men tenminste niet de openbare meening tarten. Ik heb
er niets tegen dat je met Clara rijdt op een afgelegen plaats maar hier
in het gezicht van de heele stad en dan nog liefst met een vreemden
man, dat geeft opspraak, die je gemakkelijk vermijden kunt!"
"Maar 't gaat niemand aan wat ik doe. Bij ons in Amsterdam rijdt
iedereen met zijn kennissen en 't is bespottelijk dat ze in dit kleine
nest er iets in vinden. Ik dacht in ieder geval dat jij er boven verheven
waart, dat valt mij tegen van je maar je bent zeker opgestookt!"
"Kom Emmy," en hij stond op, "maak je zoo driftig niet!
't Heele geval is dat niet waard! Al vind ik voor mij het goed dat je
met Brands in 't openbaar rijdt, dan moet je toch bedenken dat je Claartje's
chaperon bent, en haar niet compromitteeren mag."
"Ik haar compromitteeren door 's morgens vóór den
,middag op een publieke plaats schaatsen te rijden? Dat kan alleen in
een bekrompen kleinsteedsch hoofd opkomen zoo iets compromittant te
noemen. Ik geef niets om het oordeel van dat volk hier,"
[106:]
Un homme peut braver
l'opinion, une femme doit s'y soumettre". Je weet, wie dat zei:
Madame de Stael, een vrouw die 't wist en zeker ook dikwijls genoeg
tot haar schade ondervonden had."
"Dat is een ouderwetsch idee; tegenwoordig zijn vrouwen ook menschen,
en wij hebben dezelfde rechten als de mannen."
Hij begon te lachen en gaf mij zijn gewonen afscheidszoen.
"Nu vrouwtje, we zullen maar niet gaan discussieeren over de emancipatie
der vrouwen; laat dat aan de dames van de Vrije Vrouwen Vereeniging
en de Evolutie over en als je van middag rijden wil, doe't dan op een
afgelegen plaats en niet daar, waar ieder het recht heeft op mijn Emmy
aanmerkingen te maken. Dat kan ik niet verdragen."
Ik bleef achter vol boosheid en eigenlijk toch ook met een vaag besef
van eigen schuld; 't was niet mooi van mij geweest, dat ik er niets
van aan Hugo gezegd had.
Was 't werkelijk onwillekeurig geweest of had ik de stille hoop dat
hij er nooit iets van hooren zou?
In elk geval vond ik, dat hij de zaak veel te kalm en schoolmeesterachtig
opnam; een scène van jalouzie en drift en daarna zoo'n heerlijke
verzoening had ik misschien liever gehad.
Maar als hij Brands het huis ontzegde, zouden onzen gezellige muziekavondjes
meteen, uit zijn en op het Harmoniebal was ik misschien mijn besten
danser kwijt; alles weloverwogen besluit ik de zaak dus maar te laten
rusten en die Bergveldsche splinterkijkers niet verder te ergeren.
[107:]
't Zou toch niet gegaan zijn want de dooi viel bijzonder sterk in en van middag begon 't bovendien nog zoo hard te regenen dat Clara er niet door kwam.