18
Januari.
Het bal behoort
tot het verledene; ik wil even mijn herinneringen uit elkander houden
en ze daarom neerschrijven.
De algemeene indruk, nu, die was povertjes! Opgestreken zomerkleederen,
erg stijf uitstaande en hier en daar iets wat op een soort van baltoilet
leek.
Ik had mijn licht blauw crêpe lisse aan, met de witte, acacia's
en ik weet zeker dat ik effect maakte, ik kon 't merken aan zekere uitdrukking
op het gezicht van juffrouw Frederike.
Clara ging met ons mede; ik had van haar rose japonnetje iets dragelijks
gemaakt en met strikken en rozen er wat chic bij gezet; zij zag er allerliefst
uit met haar prachtige donkere oogen en krullend haar dat ik wat eleganter
had opgestoken. Jammer alleen dat zij zoo verlegen is en daardoor telkens
een hooge kleur krijgt, Brands was er natuurlijk: ook en dan nog mevrouw
van HameIen, de zuster van mevrouw Winterveld, die verleden jaar zoo
veel van zich heeft doen praten door die geschiedenis met baron L.
Brands was toen al vol vuur voor die interessante vrouw, die even als
hij hoog neerziet op de hollandsche kruidenierzieltjes. Zij nam heel
weinig notitie van hem maar nu zij hier - de hemel mag weten waarom,
-
[108:]
midden in den winter
bij haar zuster, mevrouw Winterveld, die soliede, stijve vrouw - is
komen logeeren, nu schijnt hij haar een welkome trooster te zijn. Ten
minste men ziet ze veel bij elkaar.
Mevrouw van HameIen was mirobolante; een zwart satijnen costuum met
lange sleep en met gele zijde strikken vrij laag uitgesneden en groote
gele rozen en veeren als garnituur; zij zag er uit als een pauw tusschen
de kippen; natuurlijk was zij het glanspunt van den avond. Ieder was
vol over haar zoodat ik er eigenlijk een beetje bij afstak, anders was
ik bepaald het onderwerp van alle blikken en gesprekken geweest: la
Reine du bal!
Blij toe! Ik heb toch genoeg gedanst, en iedereen had het over dat schaatsenrijden
van mij; de heeren schenen het nogal aardig te vinden, de dames hadden
er van die vinnige lievigheden op.
"Wat heeft mevrouw van Hamelen toch prachtige roode wangen. Zoo
heel anders dan de mijne," zei dat onschuldige schaap van een Clara,
die zeker nooit van poeder of blanketsel heeft hooren praten.
Op Hugo scheen die kokette het dadelijk begrepen te hebben.
Ik hoorde haar zeggen terwijl zij door haar face en mains hem lorgnetteerde:
"Wat een knap gezicht heeft die griffier toch! Een echte romeinsche
kop!"
Hard genoeg dat Hugo 't hooren kon en - daarin zijn alle mannen gelijk
- het vleide hem geen klein beetje.
Hij liet zichzelf en mij door Brands aan haar voor
[109:]
stellen en boog
zich voor haar veel vriendelijker en beleefder dan wel noodig was. Wij
gingen in een hoek zitten en Hugo begon het gesprek met de gebruikelijke
vraag "of zij het in ons stille stadje kon uithouden."
Ik vond die vraag nogal overbodig - wat voor ons goed genoeg is, dat
zal het toch ook wel zijn voor een mevrouw Van Hamelen, maar zij scheen
het heel natuurlijk te vinden en antwoordde op sentimenteelen toon:
"Ik houd veel van eenvoudige menschen en eenvoudige toestanden;
de conventioneele leugens der beschaving haat ik. Ja men moet tegenwoordig
onder het volk gaan om er de waarheid en kracht te vinden."
Hoe hoogdravend! Wat zou zij wel denken van de ideën over vrouwen-emancipatie,
die mij in den laatsten tijd door het hoofd gingen?
"Ja zeker," antwoordde Hugo lachend, "die moet u hier
niet zoeken. Wil men prettig en tevreden in dit stadje leven dan moet
men menige kleingeestigheid over het hoofd zien."
Zooals mijn ijsliefhebberijtje bijvoorbeeld!
"O ja," antwoordde zij, "dat begrijp ik, maar ik wil
u wel bekennen, dat ik in deze kleingeestigheden, zooals u het noemt,
dikwijls iets aandoenlijks vind! U moet weten dat ik mijn bijzondere
studie maak van menschen - van vrouwen vooral."
Verbeeld je! Ik moest mijn best doen om het niet uit te proesten! "Vrouwen,"
jawel!
"Hier vindt men nog het beeld der echte onvervalschte hollandsche
vrouw; in onze hoofdsteden niets anders dan het karikatuur, wat de beschaving
van
[110:]
haar heeft gemaakt.
Daar praat zij haar couranten, haar boeken, haar vrienden na, daar tracht
zij als Parisienne of Engelsche te poseeren, daar schaamt zij zich voor
haar huiselijke deugden, daar meent zij te moeten poseeren als voorstander
der emancipatie."
"Is u dat dan ook niet?" vroeg ik gemaakt naief.
"Ik! Maar lief mevrouwtje! hoe komt u er aan, of weet u misschien
niet, wat er onder emancipatie verstaan wordt?"
Daar kwam Brands mij halen voor den wals, dien ik nota bene reeds aan
Hugo had beloofd maar hij scheen zijn nieuwe vriendin zoo interessant
en boeiend te vinden dat hij er zijn arm vrouwtje om vergat. Ik ging
dus met Brands heen maar telkens als wij die hoekcanapé voorbijgingen,
keek ik hen steelsgewijze aan en ergerde mij verschrikkelijk over de
malle kunsten van dat dwaze schepsel! En dat die Hugo het niet merkte,
en zich blijkbaar scheen te amuseeren met haar zoogenaamd diepzinnige
eigenlijk verbazend impertinente uitspraken; ik zag het aan 't fronsen
van zijn wenkbrauwen hoe hij zijn best deed op de hoogte van haar conversatie
te blijven.
Het dansen gaf niet veel; 't was er zoo vol en de meeste mannen dansten
met hun vrouwen; ik had er spoedig genoeg van en zond mijn dansenr maar
op Clara af.
"Vindt u haar geen aardig gezichtje?" vroeg ik.
"Och ja! dat gaat nogal; een aardig kind, echt provinciaalsch."
"O ja, zij is geen mevrouw van Hamelen."
"Die is ook mijn smaak niet; zij brengt alleen wat
[111:]
opwekkende stadslucht
mede; ik heb een andere keuze, maar niet ieder kan zijn keuze volgen."
En hij zuchtte heel tragisch.
"Kom, laat mij u maar aan Claartje als haar toekomstigen cavalier
voorstellen; danst u de polka met haar? Ik geloof dat zij die nog vrij
heeft!"
Clara's roode wangen werden nog rooder toen hij een beetje stijf voor
haar boog en haar voor den volgenden dans vroeg, met een gezicht alsof
hij dat eigenlijk een veel te groote eer voor haar vond. Ik was toch
al niet in mijn zondagsch humeur en haar houding hinderde mij zeer;
juist iets voor mevrouw van Hamelen om hierin een aandoenlijk bewijs
te vinden voor het nog onvervalschte gemoed der echte, onbedorven hollandsche
vrouw; zij hoeft toch waarlijk niet te blozen als hij uit de hoogte
op haar neer ziet? Zij is tienmaal meer waard dan hij, maar dat komt
misschien omdat ik hem zoo bij haar in de hoogte heb gestoken; nu zij
moet maar niet met hem gaan dwepen, dat leidt toch tot niets. Morgen
zal ik het haar eens flink zeggen.
De polka begon en stralend van genot, zweefde zij met hem weg.
Ik ging ondertusschen naar de canapé terug waar de beide philosofen
het nog drukker hadden dan straks; het vrouwenthema was afgedaan en
nu hadden zij het over Tolstoi en Ibsen. Die vind ik nu juist geen geschikte
onderwerpen voor een pas getrouwd man om te behandelen met een kokette,
jonge weduwe.
"Kent u Tolstoi?" vroeg zij op den man af.
[112:]
"Heel oppervlakkig"
durfde hij antwoorden; ik weet zeker dat hij nog nooit een regel van
hem gelezen heeft en zij begon door te draven.
"O u moet hem lezen, vooral de Kreutzersonate! Hij is zoo grandioos;
hij moet een man als u bevallen," en terwijl zij haar oogen smachtend
verdraaide, klapte zij haar waaier dicht.
Ik maakte een einde: aan het gesprek, dat al te intiem begon te worden,
door Hugo te zeggen dat wij bij een paar dames in de zaal nog niet onze
opwachting hadden gemaakt. Hij stond op, boog voor haar en wij gingen
heen.
"Vrouw, wanneer begint de wals die wij samen zouden dansen?"
"O die is al lang voorbij! Jij kon er natuurlijk niet meer aan
denken nu je belangrijker dingen aan het hoofd had. Gelukkig dat Dr.
Brands haar met mij heeft willen dansen."
"Nu dan deze mazurka maar!"
Mevrouw van Hamelen ging spoedig heen en ik hoorde Hugo met Brands over
haar spreken.
"Een merkwaardige vrouw, die veel gedacht en gelezen heeft."
"Uit de tweede hand," zeide ik spottend, maar geen van beiden
scheen het te hooren en Brands verzekerde met een heel geheimzinnig
gezicht:
"Zij heeft vooral veel doorleefd!"
"Ja, dat geloof ik ook!"
"Och mevrouw, wat was het heerlijk van avond," fluisterde
Clara mij opgewonden toe bij het naar huis gaan, "ik heb mij nog
nooit zoo geamuseerd. Ziet u
[113:]
eens wat een mooi
bouquet Dr. Brands mij bij de cotillon gegeven heeft!"
"Clara," zei ik streng, "eigenlijk deugt geen enkele
man! Onthoud dat en neem je in acht!"
Het kind zag mij verbaasd aan, maar natuurlijk vertrouwt zij geheel
op mijn rijken schat van ondervinding als getrouwde vrouw en zal voortaan
de mannen met een heilzamen schrik aanzien.