3
Januari.
De feestdagen zijn voorbij en 't is me alles zeer meegevallen. Moeder heeft oud en nieuw bij ons ge
[91:]
vierd. Hugo was zeer blijde voor 't eerst zijn moeder
in zijn eigen huis te kunnen logeeren en ik heb mijn uiterste best gedaan
om een lieve gastvrouw te zijn en ik denk wel dat het mij gelukt is
maar ach! het hinkende paard komt achteraan.
Het werd den volgenden nacht bitter koud; 't vroor 20 graden onder nul
en toen ik den volgenden morgen in onze provisiekast zag; was alles
daarbinnen bevroren, appelen, melk, eieren, china's-appelen.
Maar dat was het ergste nog niet. Rika liep reeds een paar dagen lang
het huis rond met een verbonden hoofd en een vreeselijk humeur. Het
heele huis rook naar kamillethee; daarbij was zij ijveriger in de weer
dan ooit te voren; zij poetste en schrobde met een vuur alsof wij reeds
met den grooten schoonmaak begonnen waren, liet alles tochten en verergerde
alzoo willens en wetens haar kwaal.
Zei ik er iets van dan kreeg ik altijd op knorrigen, snauwerigen toon
terug:
"'t Komt er niet op aan! Als 't werk maar gedaan wordt, ik zal
werken zoolang ik kan, al val ik er ook bij neer."
En van morgen gebeurde dat tragische feit; als offer van haar plicht
viel zij er werkelijk bij neer!
Toen ik opstond als gewoonlijk om de thee te zetten en Hugo dan een
kopje op de slaapkamer te brengen, vond ik in de eetkamer komend, alles
daar nog zooals wij het gisteren avond hadden achtergelaten, de couranten
op tafel, de blinden nog gesloten, de kachel niet aan, geen spoor van
ontbijt natuurlijk.
Een voorgevoel van het droevige geval kneep mij
[92:]
de keel toe. Ik
naar zolder, naar Rika's kamertje en vind haar daar liggen met gezwollen
hals en brandend hoofd; geen denken aan opstaan.
Wat moest ik doen? Zoo gauw krijg je hier in Bergveld geen hulp en daarbij
het was kwart over achten en Hugo moest reeds tegen negen uur op het
kantongerecht zijn.
Ik diende dus te beginnen met aan te pakken en daar ging het: eerst
de kachel aanmaken maar geen bewijs van steenkolen in den kolenbak.
Ik was verplicht uit het kolenhok kolen te halen, vuurmakers, droge
turf, briketten, ik nam maar van alles mee en deed alles tegelijk in
de kachel, maar jawel! er was geen idee van aangaan, wel van rooken,
de kamer was in een oogenblik vol zwarte, akelige rook en ik moest bij
de felle kou nog het raam openzetten.
Het water wilde ik koken op het petroleumstel, maar hier was ook geen
petroleum in; het ding scheen trouwens zoo gewoon te zijn aan Rika's
behandeling, dat het onder mijn vingers maar niet tot leven en beweging
komen wilde, alleen walmde het om het hardst met den schoorsteen.
Och! wat dacht ik nu met weemoed aan onze practische gasmachine tehuis;
één, twee, drie hadden wij altijd kokend water; eindelijk
ging het met de machine, maar de kachel kwam niet verder.
Toen Hugo verscheen vond hij zijn vrouwtje zwart van roet, rook en walm,
de oogen vol dikke tranen ook van rook of van iets anders, dat zullen
wij maar niet onderzoeken. Gelukkig was hij vol medelijden en sympathie
voor mij, nam zelf het brood en de
[93:]
melk aan - verbeeld
je zoo'n deftige mijnheer - maakte zijn eigen boterhammetje en drukte
mij vóór dat hij wegging op het hart mij niet te veel
te vermoeien; des noods zouden wij in het logement gaan eten.
Maar dat zou ik voor geen geld willen, dan wist morgen de heele stad
ons wedervaren en al die hooge wijsheden zouden dan verzekeren dat zij
't altijd wel gedacht hadden hoe zoo'n groote-stadsdametje niets voor
het huishouden deugde en in tijd van nood geen hand kon uitsteken.
Zijn goedheid maakte mij nog meer overstuur en toen hij weg was, had
ik niets liever gedaan dan ergens in een hoekje heel hard uit te huilen
maar daar had ik geen tijd toe.
Ik voelde mij toch zoo wanhopend eenzaam en hulpeloos bij het vooruitzicht
van alle nare dingen, die mij vandaag nog wachtten, dat ik niet wist
waarmede het eerst te beginnen.
Ik wist niets staan en moest dus telkens twee trappen boog naar zolder
om Rika inlichtingen te vragen en dan gebruikte dat schepsel nog het
laatste kwart van haar keelgat dat opengebleven was om mij allerlei
brutaliteiten te zeggen en mij op de vingers te tikken over mijn geringe
kennis van mijn eigen zaken.
Hoe vervelend zoo geheel afhankelijk te zijn van een meid; en toch,
toch! wat heb ik een dienst van haar, dat zag ik nu pas in, nu ik haar
sedert een paar uur missen moest.
Ik durfde haar niet eens vragen hoe men de kachel aanmaakt, te meer
toen zij al hoestend en niezend zei:
[94:]
"Ik kan 't
hier in mijn dakkamer voelen dat de kachel niet trekt en dat het beneden
rookt als een oordeel."
En een oogenblik later:
"Als mevrouw niet met de vuurmakers terecht kan en met de briket,
dan moet zij maar als de menschen, die niet met kachels kunnen omgaan
petroleum gebruiken."
Nu heb ik een heidenschen schrik voor alles wat petroleum heet; je leest
zoo dikwijls dat er meer menschen sterven door ongelukken met petroleumlampen
en machines dan door spoorwegrampen en ik wil dus volstrekt niet dat
in mijn huis petroleum gebruikt wordt voor het aanmaken van kachels
maar in dezen uitersten nood besloot ik dit paardenmiddel in 's hemels
naam aan te wenden.
Ik knielde voor de kachel en haalde met mijn vingers - mijn hart schreide
over die mooie, blanke handen, zoo afstekende tegen de vuurroode knuisten
der Bergveldsche aristocratie, maar wat was er aan te doen? - ik haalde
dan turf, kolen en wat er nog verder in zat er uit, begoot de turf met
petroleum en stak ze aan!
Het gevolg was, dat de kachel nog maar niet wilde branden, en ik nog
niet aan het "doen" der kamers kon beginnen. Toen de nood
echter op 't hoogst was, verscheen als een engel der redding mijn lieve
Clara.
Als zij boodschappen in de stad heeft dan komt zij wel eens meer zoo
aan en blijft een poosje, al heet het dan ook dat zij 't zoo druk heeft,
en nu smolt zij weg in medelijden toen zij mij, die zij "haar ideaal"
noemt in zoo'n ontoonbaren toestand vond.
[95:]
Zij was dadelijk
klaar voor mij naar den dokter te gaan en nam daarna den handstoffer
ter hand om het kleed bij te vegen maar die kachel, die ellendige kachel,
die maar niet wou!
Ik zag paarsch en blauw van de koude en hoe vreeselijk als Hugo thuis
kwam, dat ik hem weer in een kille kamer moest ontvangen want de snerpende
kou drong door de ramen naar binnen.
't Was of het hier nooit meer warm en gezellig zou kunnen worden. Clara
probeerde het ook telkens de kachel aan te krijgen en haar kennis en
handigheid overtroffen op dit punt zeker de mijne.
"Er mankeert iets aan de pijp," zei Clara, "de schoorsteen
trekt niet en de wind staat er toch niet op! Heeft ze gister goed gebrand?"
"Ja, nu je 't mij vraagt, herinner ik mij dat ze wel een beetje
rookte maar ik heb er niet verder naar getaald, ik dacht zeker dat het
van Rika's kwaad humeur kwam."
"Weet u wat, wij moesten eens probeeren of er iets in zit; 't is
heel makkelijk, Grietje en ik doen het ook meestal zelf. Tusschentijds
roepen wij nooit den schoorsteenveger; heeft u geen ragebol?"
"Ja zeker! Die staat in de waschkeuken."
Een oogenblik later kwam Clara met het lange ding gewapend aangezet;
wij gingen er mee naar zolder, maakten het deurtje van den schoorsteen
open en staken den steel door de pijp.
"Daar zit iets!" riep Claartje, "als wij maar wisten
wat."
"Laat mij het doen" en meteen stoot ik met alle kracht en
- poef! daar vliegt aan het andere einde de
[96:]
prop er uit en
een berg van roet valt in de kamer op het kleed en dwarrelt als een
zwarte wolk in de hoogte.
"Clara," zei ik na een oogenblik van triomfantelijk stilzwijgen,
"nu weten wij wat er in zat!"
Wij gingen naar beneden en vingen in 't voorbijgaan nog het brommen
van Rika's schorre stem op.
"Kinderen doen kinderwerk!" dit verpletterende vonnis hoorde
ik duidelijk mij treffen.
Beneden zag het er verschrikkelijk uit; alles vol roet en die afschuwelijke
berg van zwart op het kleed; radeloos keek ik naar buiten, naar die
heerlijke, reine, onbesmette sneeuw en nu kreeg ik een geniale gedachte.
"Hoor eens, Clara! wij nemen het aschvat en doen er al dat vuile,
goed in; dan halen wij een voorraad sneeuw, gooien die op het kleed
en vegen zoolang tot alles schoon is."
Zoo gezegd, zoo gedaan! Maar wat een pijn dat deed aan onze handen en
wat een geveeg dat was en den volgenden dag wat een gebrom van Rika
toen zij al die ongerechtigheden merkte!
Toen Hugo thuis kwam, was 't er lekker warm en de koffietafel stond
netjes gedekt en hij had er niet het minste vermoeden van wat een tooneel
vol ellende hier was afgespeeld.
Gelukkig krabbelde Rika tegen den middag wat op en kon ten minste het
middageten nog koken; de dokter schreef haar chinine voor en een zenuwstillend
drankje en verbood haar vooral in den tocht te staan, zoodat ik dus
maar portierswerk ging doen.
Dit voorval heeft mij echter veel doen denken en vervuld van medelijden
met het lot van ons arme vrouwen.
[97:]
Wat zijn we toch
eigenlijk stumpers, wat wordt er niet van ons gevergd: koken, wasschen,
kamers doen, dat moeten wij alles kunnen in geval van nood en daarbij
musiceeren, teekenen, over alles praten, uitgaan, menschen ontvangen,
dan nog zeker, zooals zijn moeder mij telkens laat voelen zelf japonnen
maken en hoeden, ja, als het moet nog bij gelegenheid voor schoorsteenveger
spelen.
't Is een beetje al te erg en nu valt mij nog in wat voor scène
ik daags vóór Kerstmis heb gehad.
"Heb je ook plan kerstbrood te bakken?" vroeg Hugo mij 's
morgens, "dat deed Mama altijd in mijn jonge jaren."
"Neen," zei ik, "ik weet iets beters voor je man! Je
krijgt een echte engelsche plumpudding; krentebrood kan je van den bakker
even goed en nog lekkerder krijgen."
Ik had nog een recept van een nichtje van mij, die in Engeland woont
en haalde mij nu alles in huis.
Amandelen, rozijnen, sucade, nieren vet en natuurlijk eieren en boter;
ik deed een groot keukenschort voor en ging nu vol vuur aan het werk.
Ik nam Rika's hulp alleen aan voor het afwegen der verschillende ingrediënten,
het kloppen der eieren, het beslaan der massa; telkens kwam zij er tusschen:
"Maar mevrouw. . . ."
Ik antwoordde vol voornaamheid:
"Laat mij begaan Rika; hier heb ik nu eens meer verstand van dan
jij. Doe zooals ik je zeg!"
En nu zei ze niets meer; de pudding werd in een vorm gedaan en moest
drie uren bakken; dat deed zij ook ,en begon mooi bruin te worden, telkens
kwam ik
[98:]
kijken en stookte
zeer wetenschappelijk volgens de thermometer om den gelijkmatigen warmtegraad
te behouden; alles ging uitstekend.
Eindelijk kwam zij uit den oven en moest omgekeerd worden; ik liet dit
gewichtige werk aan Rika over, die heeft er meer ondervinding van -
maar toen zij den omgekeerden vorm ophief, daar brokkelde en kruimelde
alles af en de heele inhoud van de pudding viel uit elkander op den
schotel, van een pudding geen spoor. Ik stond stijf van angst en schrik!
"Dat heb ik dadelijk gedacht!" zei Rika met slecht verborgen
pret, "mevrouw heeft er geen meel in gedaan en ik mocht immers
niets zeggen!"
Het meel! Ja, daar stond het nog, en ik die zoo mijn best had gedaan
om aan alles te denken had juist het voornaamste vergeten.
Mijn benauwd gezicht scheen Rika eenig medelijden in te boezemen; ik
had moeite niet te schreien maar om haar hield ik mij in.
"Nu," zei ze, "wij kunnen er nog wel een schoteltje toe
van maken voor van daag - en de andere helft :.. dat kan morgen nog
wel met meel vermengd worden voor een amandeltaart. Laat u het mij maar
over, dan merkt mijnheer er niets van!"
Wat dat volk toch dadelijk je zwakke punt beet heeft!
Dien avond nog kreeg Hugo zijn atlas!