XLVIII.
Vlak tegenover den
schouwburg te Samarang staat een rij kleine woningen, bijna geheel aan
elkander gelijk, met een voorgalerij, eenige kamertjes, een plaatsje,
waarop zich telkens de helft van een put bevindt en een paar lilliputsche
bijgebouwen, zich tot het allernoodzakelijkste, keuken, provisie- en
badkamer bepalend.
"Komediebuurt" is zij geheeten; de huizen worden meest bewoond
door weduwen, die haar fatsoen eenigszins willen ophouden en daarom
nog niet afdalen naar de mindere buurten, Sieko, Konijnen- of Weduwstraat,
klerken, die met vrouwen kind van een hoogst beperkt inkomen moeten
leven, of ambtenaren op wachtgeld, die hier voorloopig hun intrek nemen,
het oogenblik afwachtend, waarop zij hun benoeming zuIlen verkrijgen,
wie weet in welken hoek van den Archipel. De huisjes zijn net en geriefelijk
ingericht, de stand is alleraangenaamst en vooral wanneer er iets in
de komedie te doen is bijzonder levendig; verderop slaan hooge waringins
op het voorplein der gouvernementsschool, daar langs gaat de weg, door
tamarindeuoomen omzoomd, over Karang Bidara naar Tjandi en verder naar
Oenarang, dat aan den voer
[148:]
van den hoogen
berg van dien naam gelegen is, wellken men hier bijna vlak tegenover
zich waant.
Dat verre groen vormt een aangenaam rustpunt voor het oog want de straat
zelf is kaal en vooral in de oost-mousson stoffig en heet; nu echter
valt de regen bij stroomen neer, soms dagen lang, het stof is slik geworden,
de dakgoten werpen stroom en water uit, de druppels kletteren tegen
de pannen met onvermoeibare kracht, de zon verscheurt nu en dan slechts
even het net van wolken en regen om een valschen, paarsachtigen gloed
over de natte aarde te werpen.
Opwekkend is zulk een weer niet, vooral niet voor hen, die veel alleen
zijn. In een der miniatuur voorgalerijtjes van een huisje der Komediebuurt
zit Hermine de Géran druk te naaien; alles om haar heen is eenvoudig
en zelfs kaal, de meubels zijn van het gewoonste soort en geheel verschillend
van haar even smaakvolle als rijke omgeving in Djantong; zij zit op
een laag stoeltje, in sarong en kabaja gekleed, maar toch kon men niet
zeggen, dat zij er droevig uitzag; soms speelt zelfs een glimlach om
haar lippen, als zij een van de kleine kleedingstukjes, die zij voltooid
heeft, uitspreidt en zich zeker voorstellingen maakt van een klein rozig
gezichtje dat er uit zal gluren of van een paar bolle armpjes, die uit
de mouwtjes zullen komen steken.
Plotseling staat ze haastig op, 't is 12 uur op het eenvoudig hangklokje;
zij moet naar de keuken en overtuigt zich dat Ma Bit ja, die haar naar
Samarang volgde, de rijst en de sajoran [Sausen.] reeds zoo goed als
klaar heeft; dan plaatst zij zich voor haar bescheiden toiletspiegeltje,
steekt de blonde haren nog eens op, verfrischt zich met een heel klein
idéetje "Eau de Floride" en gaat dan in de voorgalerij
staan om in de richting van de buurt Tawang uit te zien.
De weg is op dit middaguur tamelijk verlaten: een enkele chineesche
rondventer, die den regen onder zijn parapluie tart terwijl de bawean
[Pakjesdrager.] zijn koopwaren draagt onder wasdoek tegen het druipende
water
[149:]
beschermd, en de
druppels langs zijn onbedekt en glimmend bruin bovenlijf glijden, eenige
Javanen te voet of een langzaam voortsukkelende bendy, eindelijk ziet
zij wat zij verwacht: een in het grijs gekleede gestalte, met een groote
pajong [Regenscherm] over het hoofd, die naderbij komt en ten slotte
de galerij binnen stapt.
"Och Conrad, lieve jongen! wat een weer breng je mee en dat je
er nu weer door moet. Zou 't niet beter zijn dat ik je voortaan het
eten stuurde? . . ." riep zij hem tegemoet.
"Ik dank je wel, denk je dat ik er zoo'n regenbui niet voor over
heb om een gezellig uurtje met je door te brengen aan de rijsttafel?
Bah, niets vervelender dan zoo'n eenzaam diner op het kantoor."
"Nu, en voor mij dan!"
Binnen had de begroeting op nieuw plaats, zoo hartelijk en innig als
slechts bij een gelukkig paartje mogelijk is.
"En nu gaan we eten, de rijst is warm en dat hebben we wel noodig
in dit kille, bijna hollandsche weer. Och, Coen, kijk eens hoe lief
dit op kleine Nico's zwarte haartjes zal staan."
En zij nam een aardig mutsje van uit haar naaiwerk op.
"Neen, 't zal veel mooier staan op het blonde krullekopje van Lientje."
"'t Zal een Nico wezen."
"Dan een Nicolientje."
"We zullen zien, een zwartkopje als papa."
"Neen, een blondine als mama."
En zoo lachend en schertsend zetten ze zich aan tafel en lieten zich
den eenvoudigen kost goed smaken, zooals men doet wanneer men jong,
gezond en ondanks vele zorgen en bekommeringen in zijn hart gelukkig
is.
"Voor ongelukkige bannelingen blij ven we toch goed eten, vrouwtje!"
"Och ja, manneke. 't zou erg wezen wanneer we er nog eet- en levenslust
bij verloren, als je maar vroolijk ziet. . ."
"En waarom zou ik 't niet doen?"
"Omdat je straks weer door regen en wind moet."
[150:]
"Dat moest
ik in Djantong soms ook wel, ik verdiende daar waarlijk mijn geld ook
niet in ledigheid, nu ben ik ten minste vrij."
"Zoo vrij, dat je wanneer je geen vrouw hadt je in alle vrijheid
er een kon kiezen."
"Als de mijne dan niet in de nabijheid was en even vrij als ik,
dan had ik er bitter weinig aan."
"Zou je haar dan nog kiezen, Coen?"
"Wel neen, ik zou Cor eerst om raad vragen."
"Ach Coen, wie weet hoe spoedig je het werkelijk zult moeten doen,
maar dan moet je niet alleen uitzien naar iemand die goed is voor jou,
maar ook voor. . ."
"Hermelijntje, wil je wat sambel?"
"Dan gaat het in een moeite door met huilen, wil je dat zeggen
Coen?" en zij lachte terwijl zij met het zakdoekje langs de vochtige
oogen streek.
"Och ventjelief, je weet ik ben niet sentimenteel, maar als ik
't nu en dan eens word dan komt het door mijn toestand en ook daar het
mij spijt dat je nu armoede lijdt om mij."
"Om jou en je hebt er niets geen schuld aan."
"Dat nu wel niet maar toch. . . toch als ik er niet geweest was."
"Dan zou alles zeker beter zijn maar of ik er mee tevreden was,
dat vraag je eenvoudig niet."
"'t Is zoo'n verschil voor je."
"En voor jou!"
"Als we nu nog eenige schuld hadden."
"Was 't dan niet erger?"
"Och Coen, denk je er nu werkelijk zoo over of zeg je dat om mij
te troosten?"
"Ik geloof om beide redenen."
"Je bent een lief, best Coentje, en 't spijt me zoo vreeselijk
dat ik je anker [Noodlottig.] ben."
"Dat ben je niet, vooral niet als je mij zoo lief aankijkt; ik
geloof dat we hier veel gelukkiger zijn in ons kaal huisje dan de anderen
op het land."
"Geloof je dat, ik heb 't dikwijls ook gedacht, maar ik ben toch
blij dat je van hetzelfde idee bent; sinds de storm losbrak is Cor zoo
geheel veranderd."
[151:]
"Wat er toch
gebeurd mag zijn tusschen haar en Iwan?"
"Dat zal wel altijd een geheim blijven. Waar hij gebleven mag zijn?
't Is zonderling!"
"Ja, wie had zoo'n einde van dat engagement kunnen voorzien; ik
zal nooit vergeten wat een schrik ik op dien middag kreeg toen papa
ons gebood op het groote huis te verschijnen en toen het zoo vreeselijk
onweerde, dat we onmogelijk konden komen."
"Toen was Iwan nog niet vertrokken! Wie weet of alles niet een
anderen keer had genomen als wij tot explicatie waren geraakt en ik
hem over zijn dwazen brief persoonlijk had kunnen spreken."
"En Cor wilde niet gelooven, dat je hem niet eerst had geschreven,
vooral niet nadat ze die enveloppe met je letters in Iwan's kamer hadden
gevonden."
"Maar jij geloofde mij toch dadelijk, lieve Coen!"
"Wat zou ik niet van je gelooven, Hermelijntje?
Ik was er trouwens bij toen je van Thoren dien onbegrijpelijken brief
ontving. 't Is zeker dat je hand nagemaakt is, maar door wie?"
"Door dezelfde, die haar sporen reeds verdiende met het namaken
van de jouwe!"
"Maar het kan toch niet wezen dat ze haar eigen schande verraadt."
"Dit vind ik ook onbegrijpelijk, het zijn twee draden die ik maar
niet aan elkaar kan brengen. Iteko haatte mij, de hemel weet waarom,
en ze zag ook het huwelijk van Corona ongaarne, dat begrijp ik heel
goed; nu heeft ze mij gestraft en het huwelijk belet, dat kan ik me
nog begrijpen, maar het is niet aan te nemen dat ze uit mijn naam haar
eigen leelijk bedrog heeft verklapt."
"Dat is het zeker niet en toch, het doel werd bereikt. Papa nam
het hoog op, hij wilde weten wat je geschreven hadt, en hoe je ook ontkende
en bij hoog en laag zwoer Iwan niet geschreven te hebben, hij wilde
't niet gelooven."
"Je had hem niet Iwan's brief moeten toonen, Conrad!"
"Waarom niet?"
"Wij raadden er naar maar Cornona heeft mij, toen we
[152:]
alleen waren, ronduit
verweten haar verklapt te hebben, maar papa vermoedt niets van de brievenhistorie."
"Hij zou 't ook schandelijk hebben gevonden maar weet je wie eigenlijk
de meeste schuld aan alles heeft?"
"Eigenlijk jijzelf, Conrad, door die vervalsching eenmaal toe te
staan."
"Ja, dat is ook zoo! Ik heb me in die heele zaak echt kwajongensachtig
gedragen; ik verdien niet dat alles me nog zoo meegeloopen is en ik
mag blij zijn dat ik niet erger gestraft werd dan nu."
"Je hebt alles goedgemaakt, beste man, door de echt ridderlijke
wijze, waarop je de partij van je vrouw tegenover papa en Corona hebt
opgenomen; de rest is oude historie, helaas weer opgerakeld buiten onze
schuld."
"Wie had 't kunnen denken! Wij, de voornaamste belanghebbenden,
hadden alles vergeven en vergeten en nu komt het op ons eigen hoofd
terug."
"Je bent ook te driftig geweest."
"Te driftig als ze mijn vrouw beleedigden en als ze van mij verwachtten
dat ik uit haar naam excuus zou vragen!"
"'t Was tegen je vader, Coen!"
"Of tegen Cor! Wanneer iemand maar een vinger tegen haar uitsteekt,
dan is hij bij Papa in ongenade. Had Iwan zijn adres maar opgegeven,
dan kondet je hem schrijven hoe alles na zijn vertrek is toegegaan."
"Ja, hij is zoo raadselachtig heengegaan na den notaris volmacht
te hebben gegeven, zijn inboedel te verkoopen; hij had nog geen vast
adres, zoodra hij 't had zou hij 't schrijven. Ik geloof dat hij 't
zich ook sterk aantrekt, maar wat het eigenlijk is, daar komen wij misschien
nooit achter."
"Als we eens over de zaak bezig zijn, Hermelijntje, dan scheiden
we niet uit en 't wordt mijn tijd."
"Nu al?"
"Helaas ja! Poesje lief, beloof je mij dat je nu zoet gaat rusten
en niet opblijft om te pikken en te stikken?"
"Och Coen, ik wou 't zoo graag afhebben en je weet ik houd niet
van dat slapen 's middags."
"Maar ik wil niet dat jij je vermoeit; kom ga stil liggen en ontvang
me straks aan de thee met een
[153:]
vroolijk lachend
gezichtje, zul je het doen, beloof je 't mij?"
"Ik zal 't probeeren."
Hij vertrok weer, door haar uitgeleide gedaan tot aan de buitengalerij.
Toen hij om half vijf t'huis kwam, had zij de thee klaar gezet en zat
met een werkje aan de tafel.
"O ik heb zooveel te vertellen," riep zij opgewonden, "verbeeld
je Goen, daar is een kist van huis gekomen met een grooten brief van
Kitty en een kleinen van Dolly."
"En van niemand anders?"
"Neen van niemand, maar de zusjes denken nog zoo lief aan ons.
Ik heb met uitpakken gewacht tot je t'huis zou wezen, Coen! En ik ben
toch zoo nieuwsgierig, maak je maar gauw lekker en kom mij helpen de
kist te openen."
Weinige oogenblikken later waren beide groote kinderen druk bezig aan
het uitpakken der kist, die allerlei ingemaakte lekkernijen bleek te
bevatten, met nog een menigte aardigheden en kleinkindergoed, door Kitty
en Margot gemaakt of door Dolly afgestaan.
Hermelijn juichte van vreugde, haar oogen schitterden, zij vond alles
even mooi en even lief; de anders vrij stille Gonrad werd door haar
vroolijkheid aangestoken, hij lachte even hartelijk mee, paste de rokjes
om haar vingers, sloeg de doekjes om haar hals, kortom, kinderen als
zij waren, speelden zij zoo luidruchtig en onbezorgd met elkander als
hadden zij nooit zorg, kommer, strijd of verdriet gekend.
"En nu genoeg gestoeid, nu de brief!" zei de Hermelijn, zich
de blonde, dartele krulletjes van voorhoofd en oogen strijkend. "Foei,
foei, wat heb je mijn goedje door elkaar gegooid, ik moet dat alles
nu zelf in orde brengen, en dan wil hij niet hebben, dat ik me druk
maak."
"Laat nu eens hooren wat de zusjes schrijven."
"Och, ze zijn zoo lief en hartelijk, maar 't is niet alles goede
tijding wat ze melden. Hoor maar!"
"Beste zus!
"Nu we eindelijk de kist vol hebben met een massa prullen, die
naar we hopen je wat zullen verstrooien,
[154:]
zet ik me eens
neer om op mijn gemak met je te keuvelen.
"Mijn goede Jo is met papa naar de tuinen en ik zit alleen in mijn
pavilloentje met zus Margot, die mij veel gezelschap komt houden en
met wie ik bijna onophoudelijk over onze lieve afwezigen praat.
"'t Verwondert je, niet waar, och! Hermelijn, 't is alles zoo anders,
zoo geheel anders geworden hier op het "Groote huis." We weten
dikwijls niet hoe we 't hebben. Eén ding alleen is heerlijk,
Jo en ik zijn veel vrijer dan vroeger, we kunnen dagen lang in ons nestje
zitten zonder dat iemand er iets van zegt.
"Maar ik zal je geregeld het een en ander vertellen over alle veranderingen,
die hier zooal plaats hadden. Ten eerste over papa; zooals je weet bemoeide
papa zich nooit heel veel met ons; zoo lang we niet deden wat in Corona's
oogen verkeerd was, liet papa ons onzen eigen weg gaan. Hoogst zelden
sprak hij ons zelfs aan; nu is papa veel vriendelijker geworden.
Laatst vroeg hij me - verbeeld je, ik vertrouwde mijn eigen ooren niet
- of ik gelukkig was en toen zeide hij me, dat het hem zoo speet, dat
Guillaume en Toetie zoo verkwistend en lichtzinnig leefden en dat Dolly
haar leven doorbracht als slavin van Akkeveen.
"Hij verzocht me toen of ik mij Margot wou aantrekken, als hij
er niet meer wasl Ik noemde dat een dwaas idée maar papa verzekerde,
dat hij zeer goed kon voelen, hoe zijn gezondheid hard achteruitging;
's nachts moet papa zware benauwdheden hebben en weinig slapen.
"Toen ik merkte dat papa nogal een teere bui had, begon ik over
je beiden te spreken maar onmiddellijk kreeg ik erop:
"Spreek er niet over kind! Conrad heeft den eerbied tegenover mij
te veel uit het oog verloren en Hermine veroorzaakte Corona zoo groot
verdriet. . ."
"Daar hebt je het weer," bromde Conrad, "ik ben brutaal
geweest maar daarvoor heb ik dadelijk vergiffenis gevraagd en jou schuld.
. ."
"Stil toch, driftkop, stil! Foei, wat heeft die ellendige drift
al ongeluk in je familie veroorzaakt, blijf nu kalm, dan lees ik verder."
[155:]
"Ik vroeg
wat dit verdriet eigenlijk was. Ja, zij had allerlei kwaad over Corona
aan Iwan geschreven en nu had zij alles ontkend. Hij had het nooit van
haar kunnen denken, zij scheen hem zoo lief, bescheiden en verstandig
toe.
"En ben je dat niet?" vroeg Conrad met een boos gezicht.
"Och Coen, dat doet mij nu 't meest aan, dat ik onmogelijk je vader
van mijn onschuld zal kunnen overtuigen, maar 't ergste komt nog."
"Als zij nu schuld bekende, wie weet of Corona dan niet wilde vergeven."
"En is papa dan nog boos op hen? vroeg ik. "Ach Kitty,"
antwoordde hij, "als men zoo dicht bij zijn einde is, dan lijken
al die dingen zoo nietig en klein, dat men zich de moeite niet gunt
om er boos over te worden. Wanneer Corona maar tevreden was, zou ik
niets liever willen dan Hermine en Conrad weer in Djantong geinstalleerd
te zien. Als ik dood ben komen zij er toch van zelf terug."
"Ik kan niet zeggen dat papa er slecht uitziet en ik geloof ook
niet dat hij zoo erg is als hij 't zelf meent, maar 't is toch allerakeligst,
hem zoo over zijn naderend einde te hooren spreken."
"Zeker is 't akelig, maar we kunnen er niets aan doen."
"Helaas! niets! Men kan toch geen leugens bekennen."
"Ik voor mij geloof dat papa zich zoo moedeloos voelt, omdat die
zaak met Thoren van Hagen afgesprongen is; hij had het zich zoo heerlijk
voorgesteld, Thoren zijn opvolger en wij allen kregen dan geen grondbezit
maar bleven administrateurs, of opzichters in zijn dienst. Portias en
ik hadden daar natuurlijk niets tegen; het liefst wou Jo in een groote
plaats wonen om zich geheel aan de muziek te wijden en ik zeg, hoe minder
zorg en verantwoordelijkheid hoe liever. Conrad denkt er ook zoo over,
naar ik meen; nu is alles in duigen gevallen. Arme Hermelijn! die van
alles de schuld krijgt, terwijl zij er onschuldig aan is als het diertje,
waarvan zij den naam draagt.
"Wat Cor betreft, zij is nog meer veranderd dan papa, 't is of
alle levenslust er uit is; haar oogen staan dof, zij stelt in niets
meer belang, haar viool raakt zij niet meer aan, naar bloemen ziet ze
nauwelijks
[156:]
meer om; zij schijnt
vreeselijk veel verdriet te hebben maar zij klaagt bij niemand. Als
er menschen komen doet ze haar best spraakzaam te zijn en te doen of
het verbreken van haar engagement haar geheel onverschillig is.
"lk geloof niet dat zij een traan gelaten heeft om Iwan's vertrek;
zij, die vroeger zulke geweldige huilbuien kon hebben. Weet je nog dien
dag toen ze met hem een querelle d'amoureux had? Ze slaapt lang, ik
vrees dat zij kunstmiddelen gebruikt om in slaap te raken; zij verbeeldt
zich met haar apotheek een halve dokter te zijn, wie weet wat zij inneemt!
Maar 't wonderlijkste is haar verhouding tot Iteko. Zij wil haar met
meer bij zich op de kamer hebben en je herinnert je nog hoe zij vroeger
niet buiten haar kon. Iteko gaat eenvoudig haar gang; zij geeft den
kinderen les en schijnt Cor uit den weg te blijven. Ik weet niet, wat
er van te denken; er gaan dagen om, dat ze geen woord samen spreken.
"Corona sluit zich hoe langer hoe meer in zich zelf op; mij zoekt
zij ook niet meer en ik dring mij niet in haar vertrouwen; daarbij kan
ik 't haar nog maar niet vergeven dat zij mij mijn liefste zusje en
mijn ondeugendsten broer ontroofde.
"Jo en ik praten dikwijls over je beiden, en we stellen ons voor,
hoe prettig 't zou zijn als we ook te Samarang woonden en 's avonds
gezellig musiceerden; je wilt niet gelooven hoe saai het hier is met
dien eeuwigdurenden regen. We kunnen toch niet altijd bij ons t'huis
zitten; papa leest zijn couranten en valt dan in slaap. Corona is aan
het lezen uit dikke boeken, maar dikwijls ziet ze over de bladzijden
heen en ik geloof dat ze meer aan Iwan dan aan de geleerde schrijvers
denkt; spreken doet ze haast niet als we onder ons zijn, zelfs wanneer
ze aan het haken is aan een eindelooze sprei. Philip maakt zijn voetzoekers
en is altijd in zijn rommelkamer ergens in de bijgebouwen bezig. De
groote broers komen zoo goed als nooit; ik weet niet wanneer Akkeveen
hier het laatst is geweest, Guillaume zegt ronduit dat hij 't hier zoo
vervelend vindt sints zijn zusje Blanche Hermine weg is en acht het
de moeite niet waard de rit van Wilhelmshöhe
[157:]
anders dan om dienstzaken
te maken. Ik geloof, dat hij niet goed oppast; papa heeft hem een paar
malen flink onder handen genomen maar hij gaat telkens weer naar Soekarenga
en moet in de societeit zwaar spelen en ik vrees zelfs drinken; August
vindt het bij zijn Poppie te prettig, daarbij is zijn gezelschap zoo
bijzonder opwekkend niet, we verliezen er niet veel bij.
"Van Dolly kreeg ik gisteren dit pakket met een briefje aan je
adres, dat ik hier bij sluit.
"En nu adieu, mijn lieve tortelduiven, Jo en ik zijn bang dat wij
van somberheid en narigheid nog in uilen veranderen, verbeeld je Kitty
een kokok beloek [Uil.] en Jo zou heel muzikaal gaan krassen volgens
de regels der edele toonkunst.
"Waarlijk, die in ongenade zijn gevallen, hebben het zoo erg niet;
arme verstootelingen vaart wel! Vele groeten van Jo, Margot, Philip,
Guillaume enz. enz.
Uit aller naam
Kitty."
"En de brief van Dolly?"
"Och daar heb je niet veel aan. Raadgevingen, die mij goed te pas
komen."
"En die je zult opvolgen?"
"Zooveel ik kan; die lieve Dolly, zij is zoo moederlijk voor mij.
We zijn zoo wat even oud en toch vind ik dien beschermenden toon van
haar zoo prettig, zoo veilig. Je hebt lieve zusters, Coen!"
"Op eene na!"
"En, die is ook zoo kwaad niet, maar we weten niet wat er gebeurd
is, hoe zij bedrogen en gegriefd is geworden; hoe vreemd dat Iteko nu
in ongenade schijnt."
"Dat doet me pleizier."
"Zij is in elk geval de oorzaak van alles. Ik kan me begrijpen,
hoe Corona nu met tegenzin dat dierage aanziet. Kom, ik ga mijn spulletjes
wegbergen."
Hermelijn ging naar haar slaapkamer met haar schatten, doch toen zij
voor de geopende kast stond, om alles een plaats te geven, werd haar
gevoel haar
[158:]
plotseling te machtig
en zij begon, met het hoofd tegen een der planken geleund, zacht te
snikken.
Hoe goed en vroolijk zij zich ook tegenover haar man trachtte te houden,
toch waren er oogenblikken, dat het valsch vermoeden dat op haar drukte,
haar zeer zwaar viel; men beschuldigde haar van een laf verraad, ieder
wist dat zij door Corona werd aangezien als de verbreekster van haar
engagement.
Boven alles griefde het haar dat Corona in de heftigste bewoordingen
haar verweten had, Iwan lief te hebben en zich zelfs niet ontzag, dit
haar vader te zeggen. Haar eenige troost was Conrad's volledig vertrouwen,
de zekerheid dat hun liefde hoe langer, hoe inniger en sterker werd;
in zijn bijzijn was zij dan ook altijd even opgeruimd en vroolijk, zij
wist hoe bitter die beschuldigingen tegen haar hem griefden en zijn
toorn zelfs tegen zijn vader opwekten; met veel moeite had zij hem bewogen
tegen Nieuwjaar aan zijn vader te schrijven en hem mede te deelen met
welke zoete hoop zij zich durfden vleien. Er was geen antwoord gekomen.
"Hermelijntje," fluisterde zijn stem aan haar oor.
Snel wischte zij de tranen af.
"Wat is er Coen?" vroeg zij.
"Is er iets, wat je betreurt?"
"Neen Coen, voor mijzelf niets!"
"Denk je dat ik geen moed heb te werken voor mijn vrouw en kind?"
"Ja, maar 't valt me zoo hard dat het is om mij."
"'t Is niet om jou, lief wijfje! Werd alles tusschen ons dan niet
gemeen! Dragen we niet alles samen, vreugde en leed! Je hebt mij zoo
veel vergeven."
"Spreek daar niet over, beste Coen! Och 't is dwaas van me zoo
verdrietig te zijn maar je maakt mij innig gelukkig met die woorden;
om ze te hooren daar heb ik wel een traantje voor over."
En zij vlijde zich aan zijn borst en hij kuste haar tranen weg.
"Lief en leed, alles wat God zendt is ons welkom, niet waar; vrouwtje,
wij nemen alles even gaarne aan, als we maar bij elkander zijn."
"Maar die leelijke beschuldigingen!"
[159:]
"Wat komt
het er op aan, Onze Lieve Heer weet je onschuld en ieder die je kent
is er ook van overtuigd. Kom, zie mij eens vroolijk aan! Ik heb toch
veel liever dat je verdrietig zijt, als ik er bij ben; begrijp je dan
niet hoe treurig ik 't denkbeeld vind, dat je, als ik uit het huis moet,
zit te huilen?"
"Dat moet je niet gelooven, Coen; die brieven en dat kistje deden
me denken aan Ngaroengan en Ujantong en dat maakte me wat aangedaan.
Zie je, hoe ik weer lach!"
"Morgen zal ik je iets t'huis sturen."
"Wat dan?"
"Ik kan het niet langer uithouden zonder piano, ik verlang er zoo
erg naar, je te hooren spelen en zingen. Ik ga er een huren."
"Maar Coen, zal de beurs dat kunnen lijden!"
"'t Moet! Je heet een rijk huwelijk te hebben gedaan en nu zou
je om 't geld niet eens een piano kunnen houden! En daarbij, 't is voor
mijn pleizier, ik ben er op gesteld voor mijzelf."
"Wat ben je toch een lieve, goede Coen!" riep zij uit de volheid
van haar hart, "beter man bestaat er niet."
En werkelijk, zij meende het; dagelijks zag zij in, hoe veel schatten
van liefde en trouw hij onder dat koele, bijna norsche uiterlijk bewaarde,
waarvan niemand dan zij alleen het bestaan vermoedde, en dagelijks dankte
zij God, dat zij den sleutel had gevonden, om ze voor haar te ontsluiten.