XLIX.
Op zekeren middag
wandelde Corona met Dolly langs den weg, die voorbij het Javaansche
kerkhof liep en in welks nabijheid Nènèk Djario woonde.
Dolly, die voor eenige dagen met man en kinderen in het groote huis
gelogeerd was, daar haar woning gerepareerd werd, had een boodschap
bij de oude heks, van wie zij een der talrijke kleinkinderen in dienst
had.
[160:]
Het gesprek tusschen
beide zusters was niet bijzonder levendig; Corona zag stil en somber
voor zich uit.
"Rijd je nooit meer te paard?" vroeg Dolly.
"Neen."
"Heb je er geen lust meer in?"
"Dat weet ik niet, ik doe 't niet meer."
"Vroeger deed je het bijna alle dagen."
"Vroeger is van daag niet."
Weer zwegen zij gedurende eenige oogenblikken.
"Wat is 't verschrikkelijk, zich ongelukkig te voelen," zeide
Corona plotseling.
Dolly zag haar aan; haar blik ontmoette den hare en zij begrepen elkander.
"Geen oogenblik een gedachte van zich af te kunnen zetten, altijd
wroeten in het verledene, altijd een band te voelen om zijn geest en
een stekende pijn in het hart, door alles herinnerd te worden aan hetgeen
men verloor. . ."
"lk weet het.. ."
"O maar dat is heel iets anders. Je hebt je kind verloren door
den dood! Dat is verschrikkelijk maar je hebt haar tot het laatst opgepast,
je hebt niets verzuimd om haar te redden, je gelooft dat zij in den
hemel is bewaard voor veel leed en smart; in kalmte kun je aan haar
denken zonder verbittering, zonder wrok, zonder. . ."
"Zelfbeschuldiging," wilde zij misschien zeggen maar het woord
kon haar lippen niet verlaten.
"Neen, aan mijn Nonnie kan ik kalm denken!"
"Maar niet aan haar vader, wil je dat zeggen?"
"lk moet het toch wel, 't is mijn plicht."
"lk moet niets, ik kan denken zooals ik wil, geloof je niet Dolly?"
"lk kan er niet over oordeelen, Corona; ik weet niets van het gebeurde,
alleen weiger ik te gelooven dat Hermine in eenig opzicht schuldig is."
"Er zijn er genoeg, die 't ook meenen, maar dan had hij haar verontschuldigd
en dat heeft hij niet gedaan! Als een ander 't hem gezegd had, misschien
zou ik hebben toegegeven, maar toen kon ik het niet, en nu zou ik 't
nog niet doen."
Dit sprak zij half luid als tot zich zelf.
[161:]
"Ik kan niet
ongelukkig zijn, ik kan, ik wil niet," riep zij plotseling met
haar gewone heftigheid.
"Men kan alles leeren," zei de Dolly zacht en treurig.
"Geen verdriet!"
"Gewoonte is onze beste troosteres; men leert te leven met zijn
leed, en is er misschien even tevreden onder als anderen, die al hun
wenschen vervuld zien."
't Was iets onuitsprekelijk treurigs. die jonge vrouw van even twintig
jaren zulke meeningen te hooren uitspreken.
"Niet ieder heeft zoo'n karakter, zoo zacht en plooibaar als jij."
"Meen je dat ik waarlijk zoo ben, Corona? Je kent me toch beter;
geen der Gérans is zacht, maar ik heb langzamerhand geleerd,
dat het niets helpt, zich te kanten tegen het onvermijdelijke, wij moeten
ons lot allen ondergaan en zoo alleen hebben wij kans dat het lichter
wordt."
"Mohammedaansch fatalisme."
"Of christelijke onderwerping; heb je nooit gelezen dat als wij
ons kruis geduldig dragen, het op zijn beurt ons zal steunen?"
"Heb je dat ondervonden, Dolly?"
"Ja, ik heb ook oogenblikken gehad van opstand en van wanhoop;
ik heb ook dikwijls geschreid om een lichtstraal van troost en alleen
kalmte gevonden in de gedachte dat het leed ons toegezonden wordt om
een hooger doel, tot inwendige verbetering."
"Dat is niet zoo! Ik was zoo goed, toen ik gelukkig was, maar nu
voel ik 't, ik word slechter, liefdeloozer, onverschilliger dan ik 't
ooit geweest ben. Er was een tijd. dat ik ieder om mij heen gelukkig
wilde zien, nu geniet ik alleen, wanneer ook anderen lijden."
"Laat je daarom Conrad en Hermine in den vreemde blijven en daar
door ieder verlaten haar bevalling afwachten?"
"Alleen daarom! Ik ben ongelukkig geworden door haar laagheid en
dan zou zij genieten van haar triomf en ik zuchten in mijn eenzaamheid?
Neen, ik gun haar die voldoening niet."
"Wie weet hoe onschuldig zij is, hoe zonder eenigen redelijken
grond je papa het leven veronaangenaamt
[162:]
door zijn vijandschap
met Conrad, hoe je zelf je het leven verbittert om niets en je zielerust
vrijwillig verstoort."
"Er is geen rust meer voor mij mogelijk, in het graf misschien.
O foei; wat is het leven?"
"Geen feest, maar zooals ik je daar straks zei, als men het van
de hoogte beziet, dan kan men er nog veel goeds in vinden."
"Voor mij niet meer! Ik heb alles verspeeld; hij heeft me nooit
liefgt'had, ik ben er van overtuigd."
"En ik geloof dat hij van je hield, zoo veel hij kon, verder wil
ik niets beslissen. Zou er geen verzoening mogelijk zijn ?"
"Nooit meer."
"Voor hem?"
"Dolly, vraag niet meer! Ik kan je niet zeggen wat er tusschen
ons gebeurd is, ik ben te ver gegaan, dat is zoo, maar hij vroeg van
mij iets; dat ik niet kon toestaan, zonder mijn geheele persoonlijkheid
op te offeren; zelfs de liefde heeft grenzen."
"Ik ken alleen moederliefde en die heeft geen grens."
"En hoe zou ik me kunnen onderwerpen aan mijn lot? Er is niets
in mijn smart, dat verheft of veedelt, het verbittert en vernedert alleen."
"Ten minste zoolang jij je laat beheerschen door wrok en haat."
"Ik wil mij niet onderwerpen, ik wil niet lijden maar het vervolgt
mij toch dag en nacht."
"En wat doe je dan om het te vergeten?"
Corona wendde het hoofd om bij Dolly's ernstige vraag.
"Ik bid je, Corona, laat je niet verleiden door je verdriet! Je
neemt opium in, ik weet wel, je wil je verdriet verdooven, in plaats
dat je het draagt als een boete misschien!"
"Een boete, heb ik dan iets verkeerds gedaan tegen hem?"
"Dat weet je zelf het beste!"
"Tegen jou misschien, of tegen Guillaume of tegen Kitty? Maar 't
gaat als in een sprookje voor de kinderen? De deugd wordt beloond, de
misdaad gestraft en ik ben zoo erg, zoo verschrilkkelijk misdadig ge
[163:]
weest, niet waar,
tegen mijn familie, tegen mijn vader zelfs. O natuurlijk, ieder verheugt
zich dat de groote Cor gestraft is, dat zij nu lijdt, dat haar leven
gebroken is, dat men haar verlaten heeft. O God! Is het dan niet zwaar
genoeg, verdriet te hebben, moet ieder het dan nog weten en er over
juichen?"
Haar stem klonk schel als gebroken accoorden, zou Portias zeggen; droog
en brandend staarden haar oogen voor zich uit, zij zag er tien jaar
ouder uit dan op dien morgen in het rozenparadijs.
"Ik kan je niet helpen, maar je gelooft toch niet dat ik mij verheug
in je leed," sprak Dolly.
Corona zweeg en zag naar den grond.
"Laat ons er niet meer over spreken! 't rijt de wonde nog meer
open!" sprak ze eindelijk.
"Moeten we niet rechts afslaan?"
"Dit pad langs!"
Weinige oogen blikken later stonden zij voor het armzalige hutje en
bittere smart vervulde weer Corona's ziel, zoodra zij de plek zag, waar
hij op dien morgen had gestaan, toen hij haar als een redder in den
nood verschenen was, toen zij samen bij de baleh-baleh van den zieken
knaap hadden gestaan en hij den eersten kus op haar hand had gedrukt.
Het was of hij daar nog stond bij den ingang van de hut met zijn vroolijken
lach en mannelijke houding, met zijn gelaat vol zonneschijn, dat zij
nu niet kon zien dan misvormd door een bloedroode striem.
Zij ging voort met samengeperste lippen en gewrongen handen, door smart
en wroeging verteerd.
"Ik geloof waarlijk dat Nènèk aan het pakken is,"
zeide Dolly; inderdaad stond de armzalige plunje van de oude heks in
een paar krepeks en boenkoesans [Valiesjes en pakken.] voor de open
deur.
"Nènèk," riep zij luide en de oude vrouw, vrij
netjes in reistoilet gekleed met een slendang over de schouders en ongescheurde
kleederen aan, kwam naar buiten.
"Astaga, nonna, nonna!" riep zij op haar gewone schrikachtige
manier.
"Ga je op reis?" vroeg Dolly.
[164:]
"Ik ga verhuizen."
"En waarom? Woon je hier niet goed?"
"O jawel, maar het zal hier niet goed worden; 's nachts dreunt
de grond en daarboven is de berg zoo boos."
"Wat ik me al sints lang verbeeldde," sprak Dolly tot haar
zuster, "de krater is niet rustig."
"En kun je dat hier reeds merken?" vroeg zij de oude vrouw.
"Ik weet het, ik heb de pontianaks, die boven wonen, naar de vlakte
zien vluchten! Er komen groote ongelukken en ik ga ver weg; de nonna's
moeten ook oppassen!"
"Wie weet hoe zulk een uitbarsting mij welkom zou zijn," zuchtte
Corona, "zeg eens nèk, voor je heengaat, moest je mij iets
geven, een drank, die mij doet vergeten."
"Wil de nonna nu wel drinken? Jammer dat die goede toewan vertrokken
is. Toen Djario me vertelde dat u met hem ging trouwen, toen was Nènèk
blij in haar hart, en zij dacht, ik ben er oorzaak van. Weet de nonna
nog dat zij hier eens koffie dronk? Daar heb ik een obat in gedaan,
die kracht heeft op oogen en hart, en als men dat samen drinkt dan komt
de liefde bij beiden op, of zij willen of niet!"
"Heb je dat gedaan, foei Nènèk, dat was niet goed,"
vermaande Dolly.
"Och, 't is medicijn na de ziekte geweest, Nènèk;
ik althans had toen geen liefdedrank meer noodig om hem te beminnen
en hij. . . hij. . ."
"En nu wil de nonna hem vergeten! O 't is gemakkelijker, veel gemakkelijker
liefde te planten dan haar weer uit te trekken als zij eens wortel heeft
geschoten; er blijft altijd een open plek en die kan niet gevuld worden,
door geen obat."
"Dan geef ik niets om je kunsten, Nènèk, niets!"
"Heeft Nonna misschien den rooden hond gezien?"
"Ik heb 't me verbeeld ten minste."
"Daarom heeft Nonna ongeluk gehad. De kalang voorspelt altijd ramp.
Nènèk heeft hem nachten lang hooren huilen, dat voorspelt
een groot, groot ongeluk!"
"Nu, Nènèk, hoor eens wat ik je te zeggen heb,"
zoo viel Dolly haar ongeduldig in de rede.
[165:]
Terwijl Dolly haar
boodschap afdeed, was Corona naar binnen gegaan en zag de ruimte rond
die nu nog lediger dan anders geworden was; maar voor haar was de hut
Iiet ledig, zijn tegenwoordigheid vervulde haar geheel, zij zag hem
daar staan, vriendelijk, handig bezig, haar een weinig plagend. Kon
nu alles voorbij zijn. alles?
Zij drukte de hand op het hart en ging naar buiten; zij voelde dat zij
zwak werd, dat zij kon gaan schreien voor 't eerst.
"Nonna huilt niet," zeide de oude Nènèk, "ofschoon
haar hart ziek, zeer ziek is. Het water der oogen dat niet naar buiten
komt, valt op 't hart terug en maakt het nog veel zieker."
"Je ontvlucht den Merawoe, oude ziel! sprak Corona en drukte haar
een gouden tientje in de hand, "je hebt niets te verliezen dan
je ellendig leven. Het zou voor mij een reden zijn om te blijven."
"Nonna zal zien, hoe verschrikkelijk de toorn van den berg is!"
De zusters gingen heen.
"Je merkt het, zelfs die tooverkol heeft geen geneesmiddel voor
de ziekte van mijn hart," sprak Corona.
"Ik zou me schamen over die gekheid te praten," antwoordde
Dolly, "maar ik hecht meer geloof aan haar voorspelling omtrent
den berg. Hoe dikwijls ben ik niet wakker geworden door onderaardsch
gerommel, wat Akkeveen verbeelding noemde, en zie eens van hier, hoe
hij werkt."
Een reusachtige pluim van rook ontsnapte den krater en teekende zich
scherp tegen de blauwe lucht af.
"Heerlijk, ik heb er altijd naar verlangd hem in volle woede te
zien en wensch 't nu meer dan ooit."
"Stil, Corona, wat je daar zegt is God verzoeken! Een uitbarsting
van den vulkaan zou ons aller dood zijn."
"Och dood, is zoo erg niet! Zeg liever ons aller ruïne, onze
landen zouden verwoest worden en wat waren de Gérans zonder rijkdom?
Hoe lang is het wel geleden dat wij in den krater daalden en dat Hermine
verloren raakte en dat hij mij. . ."
"Zijn liefde bekende," wilde zij zeggen.
[166:]
"Drie dagen
voor Nonnie's dood; 't is lang geleden, bijna een jaar," zuchtte
Dolly.
"Kon ik alles ongedaan maken, wat na dien tijd gebeurde; o mijn
God, zal dit leven altijd zoo moeten duren, jaren lang? Ik wil vergeten,
ik wil het en vroeger kon ik alles wat ik wilde."
Dolly gaf geen antwoord meer; zij had genoeg aan haar eigen leed en
haar zuster weigerde toch allen troost.
t'Huis gekomen, gaf de oude heer de Géran zijn dochter een brief
over, met de woorden:
"Van onzen franschen oom! Lees, kind!"
Corona las en haar wangen namen een diepen
blos aan.
"De graaf de Saint Paul wil zijn zoon met diens gouverneur naar
Indië zenden om onze kennis te maken papa, we moeten hem goed ontvangen."
"Zeker, Corona, zeker, lieve meid! Ontvang ze zooals je verkiest,
zoo vorstelijk als het je goeddunkt om je neef een hoog denkbeeld te
geven van indische gastvrijheid."
"Papa," vroeg Dolly bedeesd, "weet u, dat de Merawoe
zeer onrustig is en ons met een uitbarsting dreigt?"
"Och kom, je bent een onheilspellende vogel," zeide Corona.
"Verwijt mij geen bijgeloof als jezelf zooveel vertrouwen hecht
aan de domme praatjes van die heks."
"We kunnen er niets aan doen, Dolly," sprak haar vader, "we
wonen hier eenmaal op een vulkaan. Wees liever blijde," fluisterde
hij haar toe, "dat er nu weer iets is, dat je zuster eenig belang
inboezemt."