XLVII.
Corona wandelde
in haar rijkleed door het rozenparadijs.
In haar eene hand hield zij haar karwats met zilveren knop, in de andere
de frissche rozen die zij had geplukt; een rozenknopje, zacht als fluweel,
half ontloken tusschen de smaragdgroene bladeren verscholen, drukte
zij aan de lippen, straks wilde zij het haar bruidegom bieden. Het was
zoo geurig hier tusschen de bloemen na het zware onweer van den nacht.
De zon dreef de wolken voor zich uit, soms schenen deze den strijd te
winnen, maar dadelijk vertoonde zij zich weder in vollen luister en
goot zelfs over die zwarte massa's het goud van haar verblindenden vuurschat.
Een glimlach van vreugde speelde over haar lippen, zij vreesde geen
wolken meer, zij was zoo zeker van zijn liefde, van zijn trouw na de
zoete uren van gisteravond.
Hoe teeder, hoe goed was hij toen voor haar geweest; nu zouden ze te
zamen een tocht maken naar Djira, daar waar zij voor 't eerst de zoetheid
van de liefde had gesmaakt, de eerste trillingen van het machtige, zalige
gevoel dat haar geheel vervulde en zonder het welk zij meende niet meer
te kunnen leven.
Op weinige stappen van haar af, trappelde haar rijpaard, door Djario
geleid; hier tusschen de rozen wilde zij haar Iwan afwachten om dan
met hem samen den tocht te maken, die zoo genotvol beloofde te worden.
Eindelijk hoorde zij voetstappen, die naderbij kwamen; kwam hij niet
te paard?
[141:]
Zij snelde naar
de boog van klimrozen, die de poort van het rozenparadijs vormde, daar
stond zij tusschen de glinsterende parelen van de regendroppels, die
in het zonnelicht met zevenvoudigen glans flikkerden, in het eenvoudige
donkerroode kleed, dat haar fraaie vormen zoo sierlijk deed uitkomen,
de rozen in de hand, die niet frisscher waren dan haar zacht gekleurde
wangen en half geopende lippen; zij was zoo schoon als zij wellicht
nooit was geweest en wellicht nimmer meer zou zijn, met die vochtige
schemering als een zilveren sluier over de glanzende oogen en de lippen
half geopend, haar Iwan verwelkomend.
Hij naderde, bleek, mat, lusteloos, als iemand, die een langen weg heeft
gemaakt; 't was hem ook of hij van den hemel weer naar de aarde was
afgedaald in eindeloozen tocht; hij zag Corona tusschen de rozen en
het zonnelicht en lachte haar niet eens toe, hij had er geen moed voor.
Wie weet, zoo zij er in geslaagd ware hem door haar glimlach te winnen,
zoo de zonneschijn, die in haar oogen staalde de wolken van zijn voorhoofd
had weggedreven, of het gesprek dat zich tusschen hen zou ontspinnen
geen andere wending had genomen, maar neen, zijn duistere blik verdonkerde
den hare; zij sloeg de oogen neer toen hij haar hand nam en een vormelijken
kus op haar wangen drukte.
Iwan had vele gebreken, gebreken die zelfs zijn karakter aantastten,
maar hij bezat een zeer ontwikkeld eergevoel, dat misschien aan zijn
militaire opleiding te danken was; hij verafschuwde logen en bedrog
boven alles; zulk een handelwijze als die hem uit Hermelijn's brief
bekend werd, vervulde hem met afkeer en walging.
Als Corona tot zoo iets had medegewerkt zou zij valsch zijn, of was
het een onbezonnenheid, een betreurenswaardige maar toch licht te vergeven
zwakheid, of achtte zij die zoo klein uit gemis aan zedelijk rechtsgevoel?
Hoe geheel anders was het tweede gedeelte van den nacht geweest dien
hij in zulke zoete betoovering begonnen had! 's Morgens vergat hij geheel,
dat hij met Corona de afspraak gemaakt had, een rijtoertje met haar
te doen; één wensch bezielde
[142:]
hem alleen, haar
te spreken, haar verontschuldiging te hooren en de voldoening te eischen,
waarvan Hermelijn gewaagde.
Eerst had hij er aan gedacht naar Djantong te rijden, mondeling met
Hermelijn te beraadslagen, maar neen! er mocht niemand tusschen hem
en Corona staan, hij kende de zaak, er viel niet meer over te spreken.
Hoe spoediger alles tot een oplossing kwam, hoe minder over alles gepraat
werd, hoe beter het zou zijn; hij kon echter niet veinzen, terwijl zijn
hart overvol was, niet op de gewone wijze met Corona omgaan.
"Scheelt je iets, Iwan?" vroeg zij bezorgd.
"Ja, ik heb hoofdpijn, ik kon niet slapen en heb me toen in den
gondel neergelegd en terwijl ik zoo op 't meer dobberde, begon het onweer,
dat heeft me een weinig ontstemd."
"Is dat alles? Dan is 't de moeite niet waard er zoo somber voor
uit te zien, waarom zit je niet te paard? Gaat ons tochtje niet door,
je waart er gisteren zoo op gesteld."
"Gisteravond! 't Is waar ook! Ik dacht er niet aan, ik moet je
eerst spreken, Corona; hoe eer het gebeurt, hoe beter, ik kan geen wolkje
tusschen ons verdragen!"
"'t Zal iets belangrijks wezen, denk ik; kom, treed mijn paradijs
binnen, je bent er toch de koning van! Djario zal wachten met Angot,
en je kunt papa's paard straks krijgen, als het belangrijke gesprek,
dat onderweg niet schijnt te kunnen plaats hebben, afgeloopen is."
Zij nam zijn arm en door de paadjes wandelden zij naar het midden van
het perk, waar hoogstammige rozenstruiken een soort van rotonde vormden;
marmeren banken stonden om een tafel, waarop een menigte rozen lagen
van verschillende kleur en vorm, dezen morgen pas geplukt en voor de
bouquetten bestemd in het groote huis.
"Ga zitten, mon beau prince, wat heb je op het hart?" ging
zij met gemaakte luchthartigheid voort, want onwillekeurig voelde zij
zich bezorgd en vreemd te moede bij Iwan's ongewonen ernst.
"Corona", begon hij, "ik haat omwegen en afwijkingen,
antwoord me oprecht, heb je je niets slechts
[143:]
te verwijten ten
opzichte van Hermine en Conrad?"
"Bij hun huwelijk bedoel je? Weet je dan niet. . . 't is zoo lang
geleden en alles is goed uitgekomen."
"Dat doet er niet toe, ik vraag je alleen of je niets gedaan hebt
bij die gelegenheid, dat op je karakter een smet werpt?"
"Waarom vraag je dat? Is er iets gebeurd? Ik begrijp je van morgen
niet, Iwan!"
"Geef me antwoord! Heb je je iets te verwijten, beken het mij oprecht,
geloof me, 't is het beste."
Zijn stem klonk stroef en gebiedend; van hoeveel kleinigheden hangt
het lot van menschen en volken niet vaak af, een woord anders uitgesproken,
een blik van liefde, in plaats van strengheid werkt wonderen uit, doet
wijken wat onwrikbaar scheen.
Corona voelde haar trots opkomen, zij wilde zich niet buigen, zich niet
vernederen door haar ongelijk te bekennen, nu hij haar op dien toon
ter verantwoording riep.
"Ik heb niets te bekennen," antwoordde zij koel.
"Corona, ik bid je, speel niet met mijn gevoelens! Ik weet alles;
je behoeft niets te loochenen."
"Wat loochen ik? Ik ben je slavin niet. Als je alles weet, waarom
ondervraag je mij dan?"
"Omdat ik je niet in staat achtte tot zulk een laagheid, omdat
ik uit je mond een ontkenning hoopte te vernemen of althans een bekentenis,
die je kon verontschuldigen."
"Ik heb mij niet te verontschuldigen tegenover je."
"En tegenover Herrnine?"
"Dai is onze zaak. zij heeft mij alles vergeven."
Eensklaps hief zij zich op; haar gehandschoende hand, die 't karwatsje
hield, sloeg daarmede zenuwachtig op het marmer.
"Heeft zij 't gezegd?" vroeg zij hijgend van toorn, "heeft
zij mij verraden, omdat,. . . omdat. . . zij je zelf bemint?"
"Schaam je, Corona! Hermine is edel en tot elke lage daad onbekwaam;
als zij gesproken heeft dan is 't om jou en mijn best wille."
"Ik veracht haar toch en jij, jij hebt steeds met haar samengespannen
tegen mij. Waarom je mijn liefde
[144:]
zocht is mij een
raadsel of het moest zijn om. . . om... o dat ik het niet eer bedacht,
maar dan had je evengoed Margot kunnen vragen!"
"Corona, we zijn geen kinderen meer, laat ons het geluk van een
dubbel leven niet verspelen door een booze gril. Ik weet, je hebt die
brieven geschreven, je hebt je schuldig gemaakt aan valschheid in geschrifte,
aan een daad, die niet alleen strafbaar is voor de rechtbank van het
geweten maar ook voor den burgerlijken rechter . . ."
"Geef me aan, laat me in de gevangenis sluiten, dan ben je vrij!"
"Ondeugend kind, ik luister niet eens naar je; zeg me één
woord, Corona, zeg dat het je spijt, dat je in een onbezonnen oogenblik
handelde, dat je gehoor gaf aan den boozen raad van een slecht schepsel."
"De schuld op een ander werpen, nooit! Als ik iets doe, dan draag
ik er ook zelf de gevolgen van."
"Word niet zoo driftig, liefste. . ."
"Noem me zoo niet! Ik heb Conrad laten spreken van een liefde,
die hij niet voelde, ik was zoo schuldig niet als jij, die me dagelijks
bedriegt met woorden van valsche liefde, je hebt nooit van me gehouden.
Je hart hangt alleen aan Hermine. . ."
"Houd op met die dwaasheid, geef me je hand!"
Zij rukte die met geweld los en bij deze beweging vielen de rozen ter
aarde, waar ze weldra verwelkt en vertrapt zouden terneder liggen.
"Laat ons het pleit in liefde beslechten," smeekte Iwan, "ik
bid je, Corona, wees zoo driftig niet. Beleedig mij niet met die ongegronde
verwijten, zeg niets, wat onherroepelijk zou kunnen worden. Hermine
heeft hier niets te maken dan alleen dat je om haar een beklagenswaardige
zwakheid bedreef. Beken dat je die betreurt en, tot bewijs daarvan,
stuur haar weg, die er de oorzaak van is, want je kunt het niet gedaan
hebben uit eigen beweging, je bent er te edel, te goed voor."
"En als ik 't niet doe, als ik Iteko, want die bedoel je, niet
wegzend, als ik alleen de volle verantwoordelijkheid wil blijven dragen
van mijn handelingen waarvan ik geen enkele betreur?"
[145:]
"Dan. . .
dan, Corona, zal ik denken dat wij niet bij elkander passen, dat een
huwelijk tusschen ons onmogelijk is bij zulke geheel verschillende begrippen
over eer- en plichtgevoel."
"Dat heb je waarschijnlijk goed gedacht. Ik heb die brieven laten
schrijven door Iteko, 't is waar, door Iteko, die je verafschuwt en
nu verlang je van mij, dat ik het arme schepsel, dat geen andere schuld
heeft dan dat ze mij gehoorzaam was, daarom zou ontslaan; evengoed kan
je mij dwingen mijzelf tegen te spreken, ik laat me door niemand bevelen."
"Er is geen sprake van bevelen!"
"Je weet, wat' ik je vroeger zei toen je hebt geweigerd, iets te
doen dat je niet beviel ter liefde van, mij. Nu staan de zaken gelijk,
ik weiger ook want ik zie het redelijke niet in van je verzoek."
"Corona, heb ik dan toch niet je wensch gedaan? Is die zaak niet
vergeten?"
"Je hebt er mij weer aan herinnerd."
"Welnu, laat het voor.'t laatst zijn, een woord van. . . je maakt
alles goed! Beken je onrecht, door haar wegte zenden. Ik bid er je om,
Cora, bij onze liefde!"
"Die bestaat niet. Als bevelen niet baten dan begin je te bidden.
Ik luister naar geen van beide; 't is een lage wraakneming van Hermine,
een samellspanning van allen tegen mij en Iteko. Je allen haat haar
omdat zij mij liefheeft; 't is laag van je, Iwan, dat ge je door hen
laat medeslepen om tegen mij op te treden. De brievengeschiedenis, meende
ik, was ook door Conrad en Hermine vergeten, nu moet je die oprakelen
om je macht over mij te toonen, daarom was je gisteravond zoo bijzonder
teeder o mijn God! mijn God! wat een komedie om mij te bedriegen, schandelijk!"
"'t Is niet waar, van nacht eerst . . ."
"Heb je alles vernomen? Ik geloof je, stellig, je bent immers een
man van eer, ha, ha!"
Zij lachte droog, valsch, snijdend, met een klank, die Iwan door de
ziel sneed en hem vreemd voorkwam, als ware het een ander, die zoo lachte.
"Corona, wilt ge je bedenken?" vroeg hij.
"Neen, ik doe slechts wat mij redelijk voorkomt.
[146:]
"Ik heb mijn
eigen begrippen, evenals jij; kunnen wij ze niet in harmonie brengen,
welnu laat ons scheiden nu het nog tijd is."
"Mijn lieveling, mijn Corona," riep hij uit, half snikkend,
"verstoor toch zoo roekeloos ons levensgeluk niet. Als je wist
hoe innig ik je liefheb hoe gelukkig ik gisteravond was, vóór
dat die schaduw op mijn geluk viel"
"Je liegt, Hermine zal 't ontgelden."
Haar geheele lichaam sidderde, haar oogen schoten vonken vuur, haar
neusvleugels trilden en zij sloeg haar karwats in machtelooze woede
tegen de rozen en het marmer.
"Laat die dwaze wraaknemingen, Corona, wij kunnen zoo gelukkig
zijn, als je die ellendige drift onderdrukt en de zaak kalm aanziet;
geloof me, ik zou niet ernstig bij je aandringen op iets dat je zwaar
viel, als ik niet zag dat onze toekomst er mee gemoeid was, als ik niet
begreep dat er tusschen ons geen vrede, geen vertrouwen meer mogelijk
was, vóór je mij dat offer brengt, vóór
je mij getoond hebt dat die onbezonnen daad je berouwt."
"Ze berouwt mij niet, er is maar één ding, dat ik
ongedaan wenschte te maken, onze verloving. Ik wil geen tiran, die mij
bedriegt bovendien en een liefde huichelt, nimmer voor mij gevoeld."
"De drift doet je dwalen, Corona, je meent het niet en ik vergeef
je, Ik bid er je om, geef toe! Is het niet schandelijk dat je een oogenblik
weifelt tusschen Iteko en mij, mij, je bruidegom, wien je voor God het
woord van trouw gaf?"
"lteko meent het beter met mij, je hebt mij ten huwelijk gevraagd
om mijn fortuin, om den invloed van papa, omdat zij. . ."
"Dat weet je beter, vraag het je vader eens. . . Corona, kom tot
je zelf. ik zal heengaan, ge zult je bedenken als je kalmer bent."
Hij wilde de armen om haar heen slaan, haar met zacht geweld tot overgave
dwingen maar juist door die liefkoozing werd haar toorn tot het toppunt
gevoerd, zij rukte zich met geweld los uit zijn krachtige omarming.
[147:]
"Raak me niet
aan!" siste zij met tijgerachtige uitdrukking in de oogen. "Ga
naar die andere, maar mij vergeten zal je nooit, nooit!" en snel
als de gedachte hief zij haar karwats op en sloeg hem daarmee dwars
door het gelaat.
Iwan werd doodsbleek, de striem gloeide en brandde als vuur; hij wankelde
even, doch onmiddellijk wrong hij het zweepje uit haar hand en slingerde
het verre weg tusschen de rozestruiken.
"Vaarwel," zeide hij kort en dof, "je weet waar ik woon,
als je mij nog iets naders te zeggen hebt. Morgen ben ik vertrokken!"