IV.
[25:]
"Ben je zoo
druk aan 't schrijven, Mientje?"
"Och mijn lief mamaatje."
Hermelijn streek met de hand over de oogen, die een weinig vochtig waren,
trok mevrouw van Diteren naar zich toe en kuste haar hartelijk,
"Ik amuseer mij zoo met mijn Coentje alles te schrijven wat mij
op het hart ligt."
"Moet hij dat alles lezen?"
"Ja, later, als wij op 't land samen zijn. Nog achttien dagen!"
"Nog achttien dagen, dan ben ik weer zooveel verder van mijn kindertjes."
"Maar dan krijgt u ook spoedig tijding van hen!"
"Ze mogen zoo dikwijls niet schrijven, dat leidt hen af in hun
studie."
"O mevrouwtje, dat u zich dit alles heeft laten wijsmaken. u die
meer verstand in uw pink heeft, dan die zes totebellen . . ."
"Mientje, wat een leelijk woord, het zijn toch van Diteren's zusters
en ze zijn zoo knap."
"Zoo knap, zoo knap, dat zij uw liefde en eenvoud niet meer kennen.
En ik zeg U dat u veel knapper is dan alle zes te zamen met. . . uw
man daarbij" wilde zij zeggen, maar hield het woord in en zeide
alleen:
"Ik had u eerder moeten kennen."
"Je bent ook zoo flink, Kassian, die arme Simons."
"Zit hij te dammen met zijn tweede vlam, mevrouw Brant?"
"Als je niet getrouwd was, werd hij stellig op je verliefd."
"Zou hij 't dan nog moeten worden?"
"Nu ja, je bent getrouwd en al wordt hij verliefd, het helpt hem
weinig."
"Neen daar vrees ik ook voor! Maar ik ben moe van 't schrijven.
Ik ga mijn boekje opbergen en dan wil ik eens kijken hoe hij 't daar
boven maakt."
"Mevrouw Brant wint altijd."
"Natuurlijk, anders was er geen aardigheid bij."
Een oogenblik later kwamen beide dames op het dek
[26:]
waar Simons werkelijk
vlijtig aan het dammen was met de kolossale mevrouw Brant, een dame
met sterk Groningsch accent, die ook voor 't eerst de keerkringen passeerde
en nog geen twee jaar gehuwd was Kapitein Brant, die met verlof in Europa
geweest was met zijn twee voorkinderen, had daar haar kennis gemaakt.
Zij was een weduwe ook met twee kinderen en woonde in de kleine stad,
waar Brant zijn familie kwam bezoeken en plan had zich te vestigen.
"Mooier kon je het niet treffen," zeide men, "mevrouw
X gaat de stad uit en heeft nog huur aan haar huisje. 't Is juist groot
genoeg voor je en misschien wil zij zich ook van haar meubels ontdoen."
Kapitein Brant maakte haar een visite; och ja, zij wilde om mijnheer
pleizier te doen, wel het een en ander verkoopen, maar zij had er geen
plan op gehad, alles was nog betrekkelijk nieuw en keurig netjes onderhouden.
Dit zag Brant's militair oog onmiddellijk; smaakvol waren de meubeltjes
niet, fijn nog minder maar solide, o zoo solide. Voor een officier,
die voor twee jaren met verlof in Holland is, komt het er echter op
een weinig meer of minder soliditeit niet aan. Het moeten al heel zwakke
dingen zijn, die 't geen twee jaar kunnen uithouden; doch mevrouw sprak
zoo mooi, zelfs aandoenlijk, wanneer zij het over haar verlatenheid
als arme weduwe had en zij vroeg hem zoo weinig.
De kapitein vond alles dol goedkoop, toen zij met een zucht en de verklaring
dat zij er zich van ontdeed alleen om mijnheer te gerieven, hem een
prijs noemde, dien hij in vergelijking met de indische prijzen werkelijk
laag vond, maar t'huis gekomen en alles optellend en besprekend met
zijn moeder en broers, verklaarden deze niet meer of minder dan dat
mevrouw X een afzetster was. Zij bepaalden een som, waarvoor zij alles
te houden of te geven had, en den volgenden morgen ging onze kapitein
met lood en schoenen naar de weduwe.
Hij had een afschuw van loven en bieden, en in plaats van met zijn voorstel
aan te komen, verklaarde hij haar spoedig, dat hij alles voor den door
haar gestelden prijs overnam.
Nu werd zij waarlijk onweerstaanbaar; zij liet haar
[27:]
kindertjes komen
en sprak over "de engeltjes" van den kapitein, luisterde naar
de opsomming hunner kwalen, raadde dik ondergoed aan, flanellen borstrokken
en wollen kousjes, verzocht hen eens bij haar grut te komen spelen;
in een woord de kapitein raakte in de wolken.
Den nacht bracht hij slapeloos door; een enkel denkbeeld hield hem bezig,
waarom moest die teere, zorgvolle moeder dit huis nu voor hem verlaten,
zou er iets tegen zijn, dat hij met zijn lievelingen bij haar introk?
Neen niets, als zij maar wilde.
En zij wilde. De kinderen waren geen bezwaar, integendeel ze zouden
met mekaar heel aardig kunnen spelen.
"En nu we toch trouwen, zal ik je maar bekennen, dat ik je heel,
heel veel voor alles in rekening heb gebracht. Ik zag er eerst tegen
op maar nu ieder van ons met zijn drieën is, hebben we mekaar niets
te verwijten," zoo redeneerde zij. Kort daarna werd het huwelijk
gesloten. De beide meisjes van weerskanten gingen mee naar Indië
en de geïmproviseerde broertjes bleven op dezelfde kostschool;
gedurende liet verblijf in Holland had geen der partijen zich over den
genomen stap beklaagd en mevrouw Brant zag er niets tegen op den man
harer keuze te volgen.
Een hartstocht had zij en dat was dammen; ieder werd om beurten voor
het bord gezet en was er niemand te vinden dan werd de man er aan gewaagd.
"Maar met hem kan ik het nog dikwijls doen in de eene of andere
negorij, waar hij geplaatst wordt," sprak zij openhartig, "Nu
wil ik het liever met een ander probeeren."
"Wint u, mevrouw?" vroeg Hermelijn naderbij komend.
"Ja, als u er bij komt, dan kan ik drie tegelijk slaan zonder dat
hij er iets van merkt, hij kan zijn gedachten niet bij het spel houden."
"Dus zal ik maar heen gaan om u de overwinning niet te gemakkelijk
te maken!"
"Ik heb er een nederlaag voor over, als u bij ons komt staan,"
zei Simons, "heeft u gedaan met schrijven?"
[28:]
"Voorloopig,"
en mevrouw van Diteren toefluisterend, een drama getiteld: "Het
damspel op de Menado" of "de zelfopofferende ambtenaar."
De beide onafscheidelijke dames verwijderden zich.
"Men zou niet zeggen dat zij al getrouwd is," merkte mevrouw
Brant op met al het gewicht dat eene, die het reeds tweemaal geweest
is, in zoo'n opmerking kan leggen.
"Zij is 't toch helaas wel!" zuchtte Simons.
"Och, 't is de moeite niet waard; met den handschoen of liever
niet eens met een handschoen, want dat doen ze niet meer."
"Vindt u het geen waagstuk van haar?"
"Verschrikkelijk." ongehoord! . . . Ze kennen mekaar zoogoed
als niet."
"Dat treft de kerel, zonder eenige moeite, zonder gevaar voor een
blauwtje zulk een vrouw t'huis te krijgen."
"En 't moet een nare, akelige jongen zijn. Brant kent die familie,
door en door inlandsch - dat zeggen de Oosterschen voor Indisch, moet
u weten - echte sinjo's, die geheel onder den invloed van hun vader
en zuster staan."
"Kent de kapitein haar man?"
"Neen, maar wel zijn familie! De vader zoekt de vrouwen voor zijn
zoons uit. Misschien hebben ze dien zoogenaamden man van haar zijn handteekening
laten plaatsen onder de procuratie zonder dat hij wist, wat hij teekende."
"Maar dat zou onmogelijk wezen."
"Verbeeld je, getrouwd zijn zonder het zelf te weten."
"En is daar niets aan te doen?"
"Zij is vol illusie, het spijt me alleen dat wij te Batavia uitstappen.
Ik zou die ontmoeting zoo graag gezien hebben op Samarang tusschen die
onbekende echtgenooten."
"Ik niet, ik vind een teleurstelling hartverscheurend. Waarom kon
ze niet wachten met trouwen tot ze in Indië was?"
"De Gérans weten ook wat zij doen. Op geld komt het bij
hun niet aan, ze moeten een mooi meisje hebben, van goede familie, want
trotsch is dat volk er bij, zegt
[29:]
Brant. Verbeeld
je, als zij eens kennis maakte met die menschen en ze bevielen haar
niet, dan kwam er van trouwen niets."
"Des te beter."
"Maar dan zou ze toch niet juist u nemen."
"Dat weet ik wel, maar er was altijd meer kans dan nu."
"Nu verbeelding heb je genoeg, Simons, maar kijk eens aan waar
je dien dam zet. Is 't je ernst? Praten of spelen, een van tweeën,
naaien en breien gaan niet samen.
Haar echtgenoot liep met van Diteren op en neer.
Ook zij hadden het over Hermine de Géran! Wat zou er van de conversatie
aan boord der Menado geworden zijn, wanneer zij de reis op een andere
boot had gemaakt?
"Ik zie hun vriendschap niet graag, zij haalt mijn vrouw allerlei
dingen in 't hoofd," sprak van Diteren.
"En de mijne zet ze onophoudelijk met haar stillen aanbidder voor
het dambord."
"Ik mag ze niet, en jij?"
"Ik vind het een verduiveld aardige meid. Bij de hand, van alle
markten t'huis, niet preutsch en toch met zoo'n air over zich, dat niemand
het wagen zal haar te na te komen."
"Maar bemoeiziek in de hoogste mate."
"Dat kan ik niet vinden, enfin, ik heb er ook geen ondervinding
van."
"In plaats van mijn vrouw wat neer te zetten, en te zeggen, dat
het voor 't welzijn der kinderen is, dat zij in Europa blijven, zet
zij haar op en verzekert, dat het onnoodige plagerij van mijn kant is
en volstrekt niet noodzakelijk."
"Heeft zij dat gezegd "
"Nu ja, niet precies maar in dien geest toch."
"Een bewijs dat zij oprecht is."
"Laat ze haar oprechtheid voor zich houden lk kan er mij in verkneukelen,
dat zij bij die Gérans komt. Let maar op, Brant, we zullen er
mooie dingen van beleven."
"In elk geval niets ten nadeele van haar naam en karakter, want
zij is zoo braaf als trotsch. En een vrouw, die beide is, zal zelfs
door onze alles behalve reine indische maatschappij geëerbiedigd
worden."
[30:]
"Wat zij is,
hoe weet je dat?"
"Hermelijn wordt zij genoemd en dat is zij, blank en rein; zoo
zal zij ook blijven."
"Mijn hemel, Brant, ken je haar van vandaag of van gisteren, hoe
kom je zoo poëtisch?"
Het gesprek werd fluisterend voortgezet. Van Diteren had nu eenmaal
een antipathie opgevat tegen de vrouw, die hem geen gelijk gaf in iets
wat hij tegen beter weten in had volgehouden, alleen om de arme moeder
te toonen dat zij van zulke dingen geen verstand had. Daarbij was hij
een van die ongelukkige wezens, bij wien de indische zon alles verzengd
heeft, wat eeuwig jolig en frisch moet blijven; hij geloofde niet aan
liefde, zelfs aan geen ouderliefde, aan onbaatzuchtigheid, aan opoffering,
alles werd gedaan om bij-oogmerken, niemand was volgens hem goed en
edel dan omdat hij inzag dat hij door zich zoo te verloonen beter zijn
doel zou bereiken dan omgekeerd.
Hij begon hij den kapitein staaltjes te verhalen, die hij zelf had bijgewoond
van meisjes, bij wie Hermine niet in de schaduw kon staan en waarop
thans zeer veel af te dingen viel, die de laster had aangevallen met
of zonder recht.
"De laster, o spreek me niet van laster! Ga maar eens bij Verhuell
kijken, daar zie je wat laster doen kan en hoor wat Bouwmeester als
Hamlet er van zegt. "Wees zoo rein als ijs, zoo koud als marmer,"
ik weet het niet precies meer, maar 't komt er op aan dat het niemendal
helpt, hoe men zich houdt; als de laster je pakken wil, dan krijgt hij
je ook beet."
"Men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan."
"En welk vlekje is er aan mevrouw de Géran? Is er een zweem
van koketterie in haar houding tegenover dien fat van een Simons of.
. . of tegenover jou?"
"Tegenover mij, jawel, zij kan me niet luchten."
"En dat pikeert je tegen wil en dank."
"Ik heb geen moeite gedaan om haar een andere opinie van mij te
geven."
"Maar je zoudt willen dat zij die had. Heeft ze niet altijd standvastig
geweigerd piano te spelen of te zingen?"
"Omdat ze niet wist of haar man het goed zou vin
[31:]
den, heeft ze aan
mijn vrouw gezegd. Ik geloof om ons een hoog idee van haar talent te
laten behouden."
"Hoe 't ook zij, die jonge Géran is een gelukkige kerel;
't is te hopen dat het uilskuiken zijn geluk beseft."
"Wel kapitein," vroeg Simons, die na schitterend verslagen
te zijn door de vrouw, den man naderde, "u heeft het ook over de
jonge mevrouw, geloof ik! Vindt u die huwelijken met den handschoen
geen ellendige instelling?"
"Even ellendig als het: "Hier liggen voetangels en klemmen"
in een mooien, open bloementuin."
"Pas maar op de voetangels, jong mensch! Ik zou je daarvan kunnen
vertellen, 't kan zijn nut hebben."
Een damspel met mevrouw Brant was stellig veel geschikter, zoo niet
nuttiger bezigheid voor den vrij baarschen jongen ambtenaar, dan een
gesprek onder vier oogen met den levenswijzen van Diteren, dat hem moest
bekend maken met de minder ideale zijde van het indische leven.