III.
De "Menado" stoomde onvermoeid door den Indischen Oceaan, die op 't oogenblik ten minste, zich kalm en glad uitspreidde als de oppervlakte van een metalen spiegel.
[19:]
In den salon zit
voor een der tafels mevrouw de Géran te schrijven. Een ongeloofelijke
dikke vlecht hangt tot voorbij haar middel, op haar voorhoofd dartelt
een rijkdom van donkerblonde krulletjes, die zich nimmer de beleediging
zouden getroosten voor poneyhaar gehouden te worden; de zeelucht heeft
haar wangen frisch gekleurd, maar vermocht haar schitterend blanke kleur
niet te verbranden. Zij heeft een donkerblauwe huisjapon met donkerroode
opslagen aan, die hare welgevormde, ranke gestalte knap omsluit.
Terwijl zij schrijft schitteren haar oogen onder de lange wimpers, de
kuiltjes komen te zien en verraden hoe ondeugend zij lacht.
"Verbeeld je, beste Coen," zoo staat er, "die jongen
verbeeldt zich verliefd op mij te zijn; ik doe of ik 't niet begrijp
en hij staat verbaasd over zoo veel onbegrijpelijkheid. 't Is zoo dwaas,
die onbehouwen knaap."
"Wat voor liefs zou ik niet geven mevrouw, om een kijkje te mogen
nemen in dat keurige boekje."
Hermine schrijft nog een paar letters, tot de kuiltjes verdwijnen, wat
echter niet zoo dadelijk gelukken wil en antwoordt:
"Och meneer Simons, misschien loonde dat kijkje 't offer niet."
"Niet? O mevrouw, uw intiemste gedachten, uw journaal."
"Hoe weet u dat?
"Een dame aan boord, die in een boekje schrijft, wat zou die anders
doen dan een journaal aanleggen."
"Vooral wanneer er zulke belangrijke dingen voorvallen als hier;
wat zou u interesseeren?"
"Uw manier van alles te zien en weer te geven."
"O meneer, dat is de moeite van het nieuwsgierig zijn niet waard."
Zij schreef voort.
"Het boekje is bijna halfvol," zuchtte hij, zich tegenover
haar plaatsend.
"Zucht u daarover?"
"En zou ik niet zuchten?"
"Omdat mijn boek half uit is?"
"Dan zal de reis ook geëindigd zijn; ze is reeds over de helft."
[20:]
"Gelukkig."
Zij ging voort met schrijven:
"Nu zit hij tegenover mij en vertelt allerlei flauwe dingen, ik
moet er mij zelf telkens aan herinneren dat ik getrouwde vrouw ben;
hoe zou ik hem anders er in laten loopen. Denk eens aan, Coen, een blonde
jongen, van dat akelige vlasblond, dat op het voorhoofd reeds heel ver
naar achter kruipt maar met studie over den kruin is gekamd om alle
leemten zooveel mogelijk te bedekken, een baard en snorretje bestaande
uit twintig en nog eenige haren, gedecideerd rossig, oogen, waarvan
zonder het brilletje niets zou te zien zijn. Ik heb zeker portret voor
mij, en onwillekeurig vergelijk ik beiden, dat breede voorhoofd, die
mooie, fluweelachtige oogen, dien donkere knevel, dat karakteristieke
in kin en neus, o beste Coen, wat tel ik de dagen, wanneer ik dat alles
zien kan, niet op een koud, stom portret, maar in werkelijkheid. . ."
Haar pen ging vlugger over het papier, haar lippen zeiden zachtjes de
woorden na, die zij schreef. Een lieve blos steeg naar haar wangen.
"Wat voor moois schrijft u weer?" klaagde haar trouwe ridder,
die haar stilzwijgend bewonderde.
"Is u daar nog? Foei meneer Simons, nu stoort u mij bepaald.
"Zoo uit de verte, mevrouw! Mag ik dat niet eens? Moet ik heengaan?"
"U heeft het recht overal te zitten, waar u wil, maar niet om met
mij te praten, als ik schrijf."
"Maar als u eens niet schreef?"
"Dan was het een ander geval; voorloopig ben ik aan 't schrijven."
"U kan uw heele leven nog schrijven."
"En met u praten niet? Neen, dat is waar, maar ik schrijf liever
op dit oogenblik, dan dat ik ooit weer met u praat."
"Kan ik u dan zoo weinig schelen?"
"Dat weet ik niet, ik heb er nooit aan gedachten 't komt er ook
niet op aan, of u mij iets of niets schelen kan."
"Bij u misschien, maar bij mij niet."
Zij trachtte weer te schrijven maar de draad was afgebroken.
[21:]
"U is meedoogenloos!
Ik zal u mijn gezelschap niet langer opdringen."
"'t Verstandigste, wat ik nog van u gehoord heb. Ziezoo, daarvoor
verdient u een belooning."
Zij trok de stalen pen uit haar houder, stak die nog vochtig van den
inkt aan de punt van haar haaknaald, en bood ze op deze wijze haar vurigen
bewonderaar aan.
"Alles wat van u komt is mij oneindig veel waard," zeide hij
ootmoedig, nam met zijn twee vingers de pen uit het haakje, bemorste
zich met de inkt, tot groote vroolijkheid van Hermine, en deed toen
het zwarte, verroeste ding verdwijnen in zijn portemonnaie.
"Daar zal ze blijven als een herinnering aan de mooiste vingers,
die ooit een pen in beweging hebben gebracht," zeide hij, "als
een aandenken aan de prachtige woorden, die zij op uw bevel geschreven
heeft en die ik nooit, nooit zal mogen lezen."
"Gelukkig dat uw portemonnaie niet met wit satijn gevoerd is,"
merkte de jonge mevrouw spottend aan.
"Ha! kijk eens, hoe het gele leer reeds de sporen draagt van uwe
vingertoppen."
Simons zuchtte hoorbaar, en trachtte met zijn zakdoek alles weer in
orde te brengen; ondertusschen scheen Hermine den draad teruggevonden
te hebben en schreef voort:
"Och mijn lieve, beste man, hoe verlang ik naar je, als ik naar
al die onbeteekenende praatjes luister van menschen, die mij niets,
niets aangaan! O, 't is zoo vreemd, daar alleen tusschen te zijn, niemand
te hebben, voor wie ik iets voel - de goede mevrouw van Diteren uitgezonderd
- mij tegenover hen trotsch en statig te moeten houden. Lieve Coen,
wat zal ik me anders voordoen als we samen zijn; we kennen mekaar nog
zoo weinig niet waar, maar we zullen spoedig kennis maken of liever
hernieuwen. Je Hermelijntje is nog dezelfde van vroeger; weet je nog,
hoe je mij dien naam gaf, nadat we in de dictionnaire gezocht hadden,
wat Hermine in het Fransch "beteekende. "Hermelijn!"
zoo moet je heeten, zei je. Wit en zwart, zoo is het ook, je wenkbrauwen
en je oogen zijn zwart en anders ben je wit."
"Na dien tijd heeft memand mij meer zoo
[23:]
genoemd, maar nu
zal jij me weer Hermelijntje noemen, ik zal zoo'n zacht lief Hermelijntje
voor je wezen, Conrad! voor jou alleen, versta je dat? Ze hebben wel
eens gezegd dat ik een nagemaakte hermelijn ben. Ik zal je vertellen
van waar dat komt, want In Indië weet men zeker weinig van bont
af; het hermelijn is erg duur en zeldzaam, maar toch verkoopen de bontwerkers
veel wit bont met zwarte staarten. Weet je, waar dat alles van afkomstig
is? Van witte poezen en van de staarten van zwarte. En nu bedoelen ze
daarmee dat ik in plaats van een hermelijn een kat ben. Hoe vind je
dat, ventje lief? Ik kan me verbeelden, dat wij al deze malligheid samen
lezen, op een regenachtigen middag in onze voorgalerij, maar dan moet
ik heel dicht bij je zitten, om wanneer ik verlegen ben over die gekheid
mijn gezicht op je schouder te verbergen. O Conrad, ik mag er niet aan
denken, zooveel geluk. Wat is Onze Lieve Heer toch goed! Toen mijn arme
papa stierf, dacht ik dat er nooit meer iemand op de wereld zou wezen,
die aan mij dacht, dat het niemand ooit meer zou kunnen schelen of ik
vroolijk was dan bedroefd,of ik altijd maar voor me zelf zou moeten
leven, van de eene betrekking in de andere gaan, al mijn vroolijkheid
verliezen, nooit meer hartelijk lachen, nooit meer stoeien. Ik was papa's
oogappel, Moe was altijd even knorrig en grienig. Ik deed thuis alles,
ik stak mijn handen uit, ik lachte en zong en als er geen vleesch op
tafel zou komen, dan wist ik zulke mooie bloemen in de vazen te doen,
dat zij reeds dadelijk daaraan zagen, wat er mankeerde, en dan zei ik
er een paar grappen over en prees de sauce piquante, die precies rook
als gebraden vleesch. De kinderen waren ziekelijk en lastig; maar ik
kon er goed mee terecht, dat beviel Moe niet en toen het groote ongeluk
ons getroffen had, zocht zij troost bij haar familie en deed mij voelen
dat elke band tusschen ons verbroken was. En toen kwam jou voorstel!
Och Conrad! ik kan het mij niet verbeelden dat ik voor jou alleen zal
moeten leven, dat het mijn plicht is, mijn eerste, mijn grootste plicht
je gelukkig te maken, je alles te zijn.
[24:]
Ik vind het zoo
heerlijk dat we daar zullen wonen, afgescheiden van de wereld, geheel
voor en met mekaar als Paul en Virginie. Ik ben niet bang voor de eentoonigheid
van Ngaroengan; een piano zal er immers zijn, en ik heb boekenj me,
die we samen zullen lezen. . . . Wat zijn we nog jong, Coen! Vind je
dat niet heel prettig? Twee en veertig jaar met ons tweeën, - we
zullen echte, goede kameraadjes zijn. Ik verbeeld me, dat we er nog
pleizier in zouden hebben met den vlieger te spelen, en ik kan ook paardrijden!
En dan gaan we samen rijden, uren, uren ver!
"Ik schrijf hier alles wat mijn hart mij ingeeft, mijn brieven
verscheur ik drie, vier malen en begin ze telkens opnieuw: ik ben nog
een beetje bang voor den Conrad, dien ik niet ken, maar de andere met
wien tik kennis zal maken, die mij schaken zal en mij brengt, diep,
diep in het gebergte, waar hij ons nestje gebouwd heeft, die moet alles
weten, alles wat in mij omgaat.
"Ach Coen, ik ben zoo gelukkig! Als je toch wist, hoe ik iederen
morgen en iederen avond, je portret een nachtkus geef, en hoe ik me
voorstel, dat we in het vervolg zoo'n akelig stuk papier niet noodig
zullen hebben om dat mekaar te doen.
"Ondankbaar schepsel, nu spreek ik zoo van dit lieve portret en
ik zou 't niet willen missen voor ik weet niet hoeveel. Ik ben te gelukkig,
Coen, en dat doet me zulke dwaasheden zeggen. Is 't wel goed zoo gelukkig
te zijn en geeft dat geen teleurstelling? Ze zeggen . . . . maar zij
n we niet allen in Gods hand?
"Beste Coen, je gelooft het immers ook, dat wij een goeden Vader
in den hemel hebben, die ons doen en laten bestiert, die ons verdriet
toezendt - zooals Papa's overlijden - opdat wij ons leed moedig dragen
en daardoor beter worden, die evenals Hij regen en droogte aan het land
geeft, ons ook tranen en geluk toezendt?
"Lieveling, als wij samenzijn, vrees ik geen leed, ik zal op je
steunen, je zult me leeren beter te worden, want. . . ."