V.
Batavia was in zicht
en de reis met de Menado ten einde. Het was een gelukkige reis geweest
met weinig stormen, zoo goed als geen onaangenaamheden, geen oproer
onder de troepen, voordeeligen wind, zoodat men binnen den bepaalden
tijd aankwam.
Vriendschappen en verbintenissen voor het leven waren er, wel is waar,
niet aangeknoopt, maar toch, men had het goed met elkaar kunnen vinden;
die elkaar minder mochten lijden, waren rustig uit mekaar's weg gebleven,
de anderen hadden zich wat vaster aaneengesloten en toch was men blijde
op Java te zijn, allen, behalve Simons, die nu het voorwerp zijner platonische
bewondering zou verliezen.
Het oogenblik van afscheid kwam, mevrouw Brant had haar beide meisjes
"de bonte tweeling", zooals Hermelijn ze noemde omdat ze van
dezelfde grootte
[32:]
maar van verschillende
gelaatskleur waren - zeer netjes voor de gelegenheid gekleed, precies
gelijk, want zij wilde geen onderscheid maken tusschen de bleeke vlasblonde
Cis en de donkerbruine Non, en toch waren het toevallig steeds kleuren,
die de lichte goed en de donkere afschuwelijk kleedden.
Mevrouw van Diteren had weer eenige kwade oogenblikken op het gezicht
van het eiland, waar al haar lievelingen geboren waren en dat zij ook
met het lieve viertal verlaten had.
Haar echtgenoot snauwde haar onbarmhartig toe dat zij al die malle kunsten
zeker van die gekke meid had geleerd, die zij steeds zoo naliep.
Simons liep rond, met een pakje onder den arm, zoo druk en tevens zoo
schichtig, dat kapitein Brant hem vroeg, of hij reeds door de tarantulaspin
gestoken was.
Eindelijk zag hij Hermine de Géran op het dek verschijnen. Zij
had voor 't eerst een sneeuwwit morgenkleed aan, dat haar hermelijnachtige
schoonheid ten volle deed uitkomen.
Zij liep als gewoonlijk naast mevrouw van Diteren; aangenaam ware het
Simons geweest, als hij haar alleen had mogen spreken, maar daar bestond
weinig kans toe, want de beide dames waren onafscheidelijk, vooral nu
in de laatste oogenblikken.
De treurende moeder begon erbarmelijk te schreien; Hermelijn sloeg den
arm om haar middel en drukte haar hoofd tegen haar borst; zacht fluisterde
zij haar lieve troostende woorden toe.
"Och Mientje," snikte de arme vrouw, "ik weet niet hoe
ik die reis had kunnen doen zonder jou, je bent mij zoo tot troost geweest.
Nu ik je verlaten moet is het of ik opnieuw van mijn kindertjes afscheid
neem."
"Kom, lieve mevrouw, moed! Vijf jaar zijn gauw om, dan zal immers
uw oudste terugkomen, of liever daar moet u voor zorgen, dat is lang
genoeg; dan moet u uw wil doordrijven, 't is wel geweest. En nu is u
terug op Batavia. . ."
"Ach, dat leege huis en al hun speelgoed terug te vinden, waar
ik 't heb gelaten! Ik zie er zoo tegen op Hermine! Zal je mij dikwijls
schrijven?"
"Stellig, mevrouw, en dan komt u eens bij me logeeren."
[33:]
"Ik wou dat
je meeging met ons; 't zou mij zoo goeddoen."
"Dat kan niet, 't spijt me erg, maar u begrijpt het zelf, ik weet
niet of mijn man het goedkeurt en daarbij mijnheer van Diteren,"
voegde zij er lachend bij, "vindt het stellig niet goed."
Daar naderde Simons juist.
"Gaat u nog naar wal?" vroeg hij eerbiedig buigend.
"Neen mijnheer!"
"Dus moet ik hier afscheid nemen."
"Als u daaraan behoefte heeft, ja!"
"Mag ik u een klein souvenir aanbieden, ik heb er nog steeds een
onwaardeerbaar van u."
"Heeft u die mooie pen nog?"
"Ze zal met mij begraven worden."
Hermelijn barstte in een helder gelach uit; als zij lachte klonk er
iets als neerklaterende parelen, zoo melodieus en harmonisch, zoo opwekkend
en verfrisschend tegelijk. Alles was jong in Hermine en dat maakte haar
voor ieder. die niet innerlijk verdord en verdroogd was als van Diteren,
onweerstaanbaar aantrekkelijk.
"Verlangt u hetzelfde van uw souvenir aan mij?"
"Neen, als u het bij uw leven maar soms beziet."
Hij reikte haar het pakje over, het waren photographieën naar beroemde
schilderijen in een daarvoor bestemd doosje.
"Ik dank u zeer, mijnheer Simons," zeide Hermelijn op den
natuurlijksten toon der wereld, "'t is een heel aardig souvenir
van onze reis, juist geschikt voor menschen, die weinig kans hebben
de schilderijen ooit in werkelijkheid te zien. Mijn man en ik zullen
er met genot naar kijken; u weet "A thing of beauty is a joy for
ever" en aan kunstvreugde zal het ons in het gebergte maar te dikwijls
ontbreken. Nogmaals hartelijk dank!"
En zij reikte hem haar hand en zag hem tegelijk recht in de oogen.
"Wat ziet hij er vreemd uit," dacht zij.
Hij hield haar hand iets langer en steviger vast, dan de strikte beleefdheid
vorderde, maar plotseling liet hij ze los, keerde zich om, en ging over
de ver
[34:]
schansing leunen;
aan de beweging zijner schouders zag Hermelijn duidelijk, dat hij streed
om een plotselinge aandoening meester te worden.
"Mijn hemel, zou hij 't ernstig meenen?"vroeg zij half lachend,
half bewogen aan mevrouw van Diteren.
"Waarom zou hij 't niet meenen, denk je dat het zoo moeielijk is
van je te houden?"
"Vreemd," dacht Hermelijn, "onbekend kom ik op het schip
en nu zijn er twee, die bij 't afscheid om mij huilen. Wat zal Coen
er van zeggen, 't schijnt dat zijn vrouwtje in den smaak valt, maar
ik heb dien armen jongen toch altijd zoo geplaagd."
De andere afscheidsgroeten liepen zeer gewoon af; de bonte tweeling
stortte ook tranen bij het verlaten van de lieve, jonge mevrouw, die
zich zoo aardig met haar had beziggehouden.
"Als ze allen beginnen, ga ik ook nog huilen," sprak mevrouw
Brant, "en dat heb ik nog maar zelden in mijn leven gedaan. Het
ga u goed, mevrouwtje!"
En zij kuste Hermelijn's zachte wangen.
Van Diteren's laatste afscheid woorden waren minder hartelijk dan die
zijner vrouw:
"Nu nieuwe mevrouw, het beste succes met je schoonzuster."
"O ik ben niet bang voor één schoonzuster, voor geen
zes!" riep zij met van ondeugd tintelende oogen hem tartend na.
Van Diteren beet zich op de lippen en mompelde er iets bij.
"We zullen eens kijken verdraaide heks, hoe ze je spoedig leeren
een toontje lager te zingen."
En zoo vertrokken ze allen. Hermelijn bleef het kleine bootje de "Tjiliwong"
nastaren en voelde zich getroffen, bij de gedachte dat zij de menschen,
met wie zij zes weken lief en leed had gedeeld, nu misschien nimmer
zou terugzien, vooral voor die goede mevrouw van Diteren, deed het haar
verdriet, maar alles werd overtroffen door de gedachte:
"Over een paar dagen zie ik mijn man, en van hem zal ik nooit scheiden,
vóór de akelige dood er tusschen komt," juichte zij
in het diepste van haar hart.
"Ik vind het niets hartelijk van haar man, dat hij
[35:]
niet komt afhalen,"
zei mevrouw van Diteren boord van den "Tjiliwong" tot mevrouw
Brant.
"Btrant dacht ook dat hij hier zou zijn. 't Is vreemd."
Maar Hermelijn zag er niets vreemds in. Zij had een telegram ontvangen
met de woorden:
"Welkom in Indië!"
Zij vond dat een allerliefste attentie van Conrad Géran; een
grooten brief had zij toch aangenamer gevonden. Die laatste dagen vielen
haar het zwaarste, slechts de heer Tulings en een andere familie, die
zich zeer op den achtergrond had gehouden, bleven op de boot. Zij brandde
van verlangen aan wal te gaan en Batavia te zien, maar zij durfde niets
op eigen gezag doen in het vreemde land.
Eindelijk kwam de "Menado" te Samarang aan. Den laatsten nacht
had Hermelijn geen oog gesloten: nu zij dan het begin stond van een
nieuw leven, begon zij eerst er het volle gewicht van te gevoelen; in
die laatste stille uren kwamen de herhaalde waarschuwingen en plagerijen
van van Diteren haar weer voor den geest, maar dan trachtte zij er om
te lachen. Haar Conrad zou met haar zijn, en wat behoefde zij nog te
vrezen?
Zij trachtte zich opgeruimd te voelen maar haar hartje klopte geweldig,
zij hoopte spoedig aan te komen en 't was toch een verlichting, te hooren
dat het nog langer zou duren dan men aanvankelijk dacht.
Eindelijk kwam men aan; de haven van Samarang laat, wat veiligheid betreft,
veel te wenschen over, soms zijn de stoombooten van wal uit niet te
bereiken.
"De blauwe vlag waait."
En dan weet men dat alle gemeenschap over zee verbroken is; de tambangans
(schuiten) mogen de rivier niet verlaten, daar de onstuimige zee te
veel gevaren zou opleveren voor hen, die zich toch op de golven wilden
wagen.
Gelukkig voor Hermelijn was de blauwe vlag niet op den toren der hoofdwacht
geheschen, de witte huizen der stad teekenden zich scherp af tegen het
geboomte en de hooge berg Oenarang vormde een indrukwekkenden achtergrond,
tegenover de vrij wilde zee.
Een tambangan worstelde met de golven, nu eens
[36:]
zwevend in de hoogte,
dan weer diep nederdalend.
Hermelijn volgde de eerste zwarte stip. die langzamerhand grooter en
grooter werd, met kloppend hart en trillende oogen.
Twee heeren zaten er in, haar schoonvader zeker. . en hij.
"Er ist's, die Flagge der Liebe mag wehen."
Onophoudelijk gonsden haar die woorden uit de Freischütz door het
hoofd, terwijl ze met ijskoude handen zich aan de leuning vastklemde
en niets anders meer zag, niets anders meer hoorde dan het bootje en
het klotsen der roeispanen in de dansende golven.
De heeren zwaaiden met hun hoeden, zij haalde haar zakdoek uit en wuifde
terug.
"Er ist's, er ist's!"
't Was of elke golf, die tegen het schip opvloog en het zilverschuim
hoog en sissend deed omhoogspatten, de woorden zong en nog eens zong,
zoo zelfs dat zij haar tergend in de ooren klonken. Zij begon de gezichten
te onderscheiden en toen kon zij het niet langer meer blijven uithouden;
zij wist het zelf niet of 't angst, dan wel vreugde, of schaamte was,
maar zij had nu willen vluchten verre van daar. Iets bleef in haar hart
de overhand behouden, de zekerheid dat over weinige oogenblikken, zij
niets anders meer gevoelen zou dan diep innig geluk, het bewustzijn
dat al haar wenschen vervuld waren, dat zij niets meer te verlangen
of te vreezen had, dat zij dan eerst zich in veilige haven zou bevinden.
"Wil u den damessalon ingaan?" vroeg de kommandant, die haar
op de trap ontmoette.
"Heel graag, mijnheer! Brengt u de heeren dan beneden?"
"Zeker, mevrouw, ik zal mij met de ontvangst belasten," zeide
hij zeer ernstig zonder een in zulke omstandigheden zoo goedkoope poging
om aardig te zijn.
Daar zat zij nu op de rood fluweelen divan en volgde met haar oog de
vergulde lijsten om de kleine bloemstukken; zij telde werktuigelijk
de roode en blauwe blaadjes, en deelde de figuren van het lijstje in
vijftallen af.
Eensklaps rees zij op.
[37:]
"Was dat wel
Conrad geweest, die eene heer! Misschien had hij een ongeluk gehad,
misschien was hij ziek, misschien. . ."
"Hoe dwaas! hoe kinderachtig," dacht zij dadelijk weer, en
streek zich met de hand over de golvende lokken, die ondanks al haar
moeite om zich vandaag bijzonder netjes te kappen, weerbarstiger schenen
dan ooit en zij begon te lachen. Maar die lach klonk zoo zonderling,
't was of zij nu eerst voelde dat zij de Hermelijn van vroeger nimmer
meer zou zijn, dat zij zich zelf vreemd werd.
Daar hoorde zij duidelijk dat de tambangan aanlegde, dat de kapitein
de aankomelingen begroette; er werd over de kalme of onstuimige zee
gesproken, hoe kon men dat doen op zoo'n oogenblik?
Zij ging naar de deur maar kwam terug en bleef weer zitten, even zag
zij in den spiegel en schrikte over haar bleekheid; die zwarte japon
kleurde haar niets, zij zag er niets goed uit, zij zou haar man stellig
teleurstellen. Waarom had ze met geen rood of blauw dat zwart opgevroolijkt?
Daar hoorde ze mannenstappen de trap afgaan, toen vouwde ze haar handen
en lispelde, bevend:
"O vader, sta me bij, ik ben bang."
Van Diteren, als hij er bij geweest ware, zou gegrijnslacht hebben,
zoo was die brutale meid nu eindelijk klein geworden.