XXXV.
Volgens indisch
gebruik zou reeds den volgenden morgen vroeg de begrafenis plaats hebben;
te midden der koffietuinen bevond zich het familie-graf der Gérans.
Reeds vroeg in den ochtend reden de reiswagens naar boven; alle familieleden
waren tegenwoordig en nog verscheidene belangstellenden uit de hoofdplaats
vergezelden hen.
Daar was de oude heer, deftig als een fransche markies uit het oude
régime, de magere August, die
[44:]
't altijd van de
zwakke Yolande had gedacht. Akkeveen gaf immers zijn vrouw geen geld
genoeg om de kinderen te voeden, neen dan liet hij Poppie anders voor
de hunnen zorgen. Guillaume was zeer gevoelig en schreide als een kind.
toen hij zijn zwager, die zich buitengewoon goed hield, de hand drukte;
Portias beet op zijn langen knevel, Kitty vergezelde hem troosteloos,
als moest zij al haar tranen in eens vergieten, Corona bleef statig
en bedaard, maar men kon zien dat zij zwaren strijd voerde om de onrust,
die haar vervulde, te verbergen; zij voelde zich op nieuw vernederd
door Nonnie's dood, zooals zij zich in den laatsten tijd telkens had
gevoeld; niemand had haar noodig, niemand scheen behoefte aan haar te
hebben. Iteko had zij naar huis gezonden.
Ook Thoren van Hagen kwam mede; hij reed met de broers. Corona, die
met Kitty, Portias en haar vader in een rijtuig was gekomen, had geen
gelegenheid hem te zien of te spreken. Dolly sliep toen zij binnenkwamen.
"Laat haar gerust slapen," beval Corona, "op het oogenblik
der begrafenis."
"Papa," zeide Hermelijn, "ik heb Dolly beloofd, toen
zij van nacht wakker was, dat ik haar zou wekken als het tijd werd,
op die voorwaarde alleen is zij rustig gaan slapen. Mag ik haar roepen?"
"Vraag het Akkeveen, ik wil niet beslissen," sprak de Géran.
"Neen, neen, dan begint het weer! Waarvoor dienen al die overgevoeligheden,
ik hou daar niets van, 't is al een beroerde boel genoeg," bromde
hij.
"Akkeveen heeft gelijk, 't zal haar te veel aandoen," meende
Corona; voor 't eerst waren zwager en schoonzuster het eens.
"Zij zal zich goed houden, ze heeft het mij beloofd," verzekerde
Hermelijn, "maar laat mij haar wekken."
"Och, wat bemoeit ge je ook met alles. Je hebt hier al genoeg te
bestellen; 't is of er niets zonder jou kan klaar komen; van het eerste
oogenblik heb je hier een toon aangenomen, die niet te pas komt. Ik
had behoefte het je te zeggen; je bemoeizucht wordt alleen geëvenaard
door je pretentie en als je
[45:]
niet begonnen was
met dat kind te knoeien, wie weet of dan niet. . ."
"Dat lieg je!" barstte Conrad plotseling bleek van toorn uit,
"de dokter heeft zelf verklaard, dat alles wat zij gedaan heeft,
uitstekend was en als hij dadelijk haar raad had gevolgd of jij, die
hier alles te bevelen wilt hebben, waart haar bijgebleven, wie weet
dan of de ziekte niet overwonnen was."
Hermelijn, die gebloosd had van verontwaardiging bij Corona's bitter
verwijt, keerde zich met stralende oogen naar haar man; zij wist niet
of zij waakte dan wel droomde, hij verdedigde haar met een vuur, zooals
zij nog nimmer van hem had gezien.
"Stil kinderen, stil! De plaats is te heilig voor zulke scherpen
woorden," beval de vader met gebiedenden blik. "Als Dolly
moet gewekt worden, zal Akkeveen het wel doen."
"Ik had van jou zoo'n warme verdediging niet verwacht voor de tottok,
die je toch uitlacht," beet Corona haar broer toe.
Hij keerde zich om met minachtend gebaar.
De begrafenis had plaats zonder dat Dolly wakker werd; de stoet kronkelde
reeds sinds lang omlaag door de gewelfde lanen van neerbuigende boomtakken,
waar, kleine acrobaten gelijk, de vogeltjes stoeiden en dartelden in
hun goud-, robijn- en samerkleurig kleed; de bloemen vielen op het witte
kleed, dat de kleine baar dekte. Zoolang mogelijk had men gereden, maar
toen de weg te moeilijk werd, stapten de heeren uit en volgden het kistje
naar de stille plek, door ruischende bamboestruiken omringd, die hun
geheimzinnig eeuwig lied murmelden rondom de monumenten, wier witte
lijnen zich ophieven tegen het zachte, wegsmeltende groen der buigzame
takken.
Toen Dolly ontwaakte, was haar eerste vraag:
"Zijn ze gekomen?"
"Bedaard, lieveling!" sprak Corona zoo zacht en teeder als
zij vermocht, "'t moest immers eens gebeuren!"
"Wat is er gebeurd? Is ze weg? Waar is Hermine, zij had beloofd
mij te roepen. Je hebt haar weggezonden, Corona, je ontneemt mij alles,
je hebt
[46:]
mij mijn lief kind
misgund, nu beroof je mij van mijn zuster, mijn vriendin!"
"Ik zal haar roepen," zei Corona dof "maar Dolly, ben
ik je eigen zuster niet, waarom is Hermelijn je meer, zij een vreemde!"
Kitty kwam binnen en nam Dolly in de armen, zij liet zich door haar
omhelzen maar herhaalde telkens:
"Ze hebben mij bedrogen! Ze hebben het altijd op mijn kind voorzien,
allen, allen! Niemand gunt mij iets!" En zij brak los in een storm
van hartstocht en woede, zoo als indische vrouwen die kunnen ontwikkelen;
men moest Hermelijn, die even ingesluimerd was, roepen. Zij knielde
bij de razende vrouw neer en fluisterde haar teeder toe, maar niets
baatte nog, geen liefkoozingen, geen beroep op Dolly's godsdienstige
gevoelens, geen herinnering aan hare andere kinderen.
Eindelijk viel zij uitgeput neer; hevige koorts greep haar aan en beurtelings
lachte en schreide zij, wees ieder af, behalve Kitty die zij duldde
en Hermelijn om wie zij telkens riep.
Corona stond alleen, ieder spande tegen haar samen, en zij had toch
zulk innig medelijden met Dolly; zij had waarlijk veel van Yolande gehouden
en voelde spijt, bitteren spijt zonder het zichzelf te bekennen over
haar aandringen om het kind af te staan. Toen de begrafenisstoet terugkeerde,
vonden zij Dolly in een treurigen toestand, die Hermelijn in het gelijk
stelde.
"Hadden wij haar maar gewekt," zeide de oude heer.
"Dan hadden we nog meer spektakel gezien."
"Zij had dan niemand iets te verwijten gehad," meende Portias.
Alleen enkelen kwamen weer, de meesten, waaronder de vreemden, waren
teruggekeerd naar de hoofdplaats.
Tegen den avond wilde ook de oude heer de Géran vertrekken.
"Blijf je nog, Corona?" vroeg hij.
"Neen papa, ik heb hier niets te doen," antwoordde zij scherp.
"En Kitty?"
Het gezicht van Akkeveen verried genoeg, hoe bezwarend hij de aanwezigheid
van vele logés vond.
[47:]
"Wij gaan
ook mee," sprak Portias.
"Evenals ik," zei Conrad.
"Je vrouw is de eenige, die met haar overweg kan; je zult mij pleizier
doen te blijven."
"Maar morgen moet ik naar huis. Ik ben er lang vandaan!"
"Zooals je verkiest, als Hermine maar niet meegaat."
"Dat moet zij weten!"
Zoo bleven dan Conrad en Hermelijn alleen bij de beroofde ouders; de
reiswagens verdwenen, het licht der fakkels, door de loopers gezwaaid,
flikkerde door het geboomte, de vonken spatten weg tusschen het groen,
en diepe duisternis omhulde weldra het huis, waarui dien morgen het
helderste licht was weggedragen.
Toen na een onrustigen slaap Dolly den volgenden morgen ontwaakte, zag
zij met starende oogen voor zich uit, als ontbrak haar alle bewustzijn
en alle herinnering aan het gebeurde. Hermelijn, die bij haar had gewaakt,
kwam met haar oudste jongetje op den arm voor haar bed staan, zij wilde
of kon het niet opmerken; wezenloos bleef zij voor zich uit zien.
Akkeveen kwam haar bezoeken; zij rilde even maar sprak niets, geen voedsel
of drank wilde zij gebruiken op Hermelijns dringende beden; zoo bleef
zij uren lang.
"Dolly," fluisterde Hermelijn. "Ik wil je iets laten
zien, je moet mij zeggen, of het gelijkt en wat er aan ontbreekt."
Vragend zag zij op terwijl Hermelijn een portefeulle opensloeg en haar
een teekening toonde, het welgelijkende portret der kleine Nonnie, met
haar sprekende zwarte oogjes en het bloemkransje op 't haar.
"Vind je dat het gelijkt, Conrad heeft het op mijn verzoek geteekend."
"O Hermine," en snikkend viel de arme vrouw in de kussens
terug en gaf zich nu aan een natuurlijke droefheid over.
Hermelijn verliet haar geen oogenblik; het portret moest voor haar blijven
staan; 't was het eenige, wat zij van haar behield en de krulletjes,
die Hermelijn had afgeknipt.
"Je hebt aan alles gedacht, ik dank je!" zuchtte zij.
[48:]
Zij lag kalm, hoewel
zielsbedroefd en vroeg eindelijk naar haar man.
"Akkeveen," sprak zij toen hij binnenkwam, "als ik je
misschien iets bitters gezegd heb, vergeef 't mij! Ik wist niet wat
ik zei; 't had niet veel gescheeld of ik was krankzinnig geworden. Zij
heeft mij gered! Zie, wat ze mij bracht."
Ook Akkeveen was diep ontroerd, toen hij de teekening zag.
"Heb je daarom je bij haar bedje opgesloten, Hermine we zullen
je altijd dankbaar blijven," sprak hij, haar de hand drukkend.
Tegen den middag keerde Conrad naar huis terug; een koortsachtige spanning
dreef hem weg; wat het was kon niemand vermoeden, Hermelijn bleef natuurlijk.
Dolly kon en wilde haar nog niet missen. Hij nam afscheid van zijn zuster,
die juist alleen was.
"Conrad," zei de Dolly hoog ernstig, "waardeer toch goed
wat voor schat je in Hermine bezit! Ik geloof niet dat zij gelukkig
is."
"Ben ik het dan?" vroeg hij bitter.
"Dan heb je het aan jezelf te wijten; het leven is zoo vol ellende
en verdriet, dat we door onze eigen schuld geen oogenblik van geluk
mogen laten verloren gaan. Waarom ben je niet gelukkig, Coen?"
"Omdat . . . . . omdat zij mij uitlacht en bespot!"
"Zij, o foei Conrad! schaam je!"
Juist trad Hermelijn binnen en Conrad wilde heengaan.
"Dag Hermine," en hij gaf haar verlegen de hand.
"Dag Conrad," en zij drukte die; toen ging hij snel heen.
"Je moet me alles vertellen, Hermine," fluisterde Dolly, "misschien
kan ik er iets aan doen; 't mag zoo niet blijven."
"Niemand kan het veranderen. niemand!" was het moedelooze
antwoord, dat Dolly door de reeds zoo verwonde ziel sneed.
Reeds daags daarna stond zij op en deed haar gewone werk, zij streefde
er naar, niet om weer zichzelf te zijn, maar om dat te blijven, waartoe
zij zich met alle krachtsinspanning had opgewerkt.
[49:]
Zij deed haar gewone
bezigheden, verzorgde haar kindereen, opende het kastje met de kleertjes
van de kleine afwezige, en sloot daar alles in weg, haar poppen, haar
speelgoed, haar kleertjes; soms werd de aandoening te machtig, en dan
liet zij haar tranen vloeien op de geurige kleertjes, op de voorwerpen,
die nog den indruk bewaarden van haar thans verstijfde vingertjes.
"Ik sluit alles weg, ik wil niets meer van haar zien dan haar portret,"
zeide zij tot Hermelijn, 't maakt mij zwak en ik moet sterk wezen om
mijn plicht te doen."
"Altijd plicht, o Dolly, wat is dat koud," sprak de jongere
zuster huiverend en onwillig.
"Wat blijft er over als alles heengaat? Wat zouden we zijn zonder
plichten! God heeft het beschikt dat ik Nonnie moest missen. Hij weet
ook waarom! Hier zou zij bedorven zijn, bij Corona was zij misschien
ook overleden, verre van mij, en toch, ik kon niet anders handellen,
ik kon niet! Zij is goed bewaard bij de engelen, haar zusjes."
Zij snikte, maar zonder wanhoop of woeste smart.
"Als ik geen andere kinderen had, zou ik bidden dat ik spoedig
bij haar mocht komen want het leven is niets dan last, maar nu mag ik
het niet. Ik wil de jongetjes niet alleen laten. Ik hoop dat Corona
hun vader niet meer in de verleiding brengt. En daarom moet ik sterk
zijn en mag mij niet meer aan mijn droefheid zoo overgeven als dien
ochtend."
"Dolly je leert mij veel!" zeide Hermelijn diep ontroerd.
"Ik geloof 't ook, plichtsvervulling alleen geeft kracht, maar
ach, ik heb geen plichten."
"En tegenover je man!"
Toen verborg Hermelijn het gelaat aan Dolly's borst en bekende haar
alles.