XXXVI.
Conrad was in dolle vaart naar zijn huis gerend; één denkbeeld alleen hield hem bezig; hij herinnerde dat in een hoekje van zijn lessenaar ongeopende
[50:]
brieven lagen,
door Hermelijn aan hem geschreven; het waren er slechts enkele. De meeste
had Iteko onderschept, daar zij vreesde dat het bedrog zou uitkomen
als Hermelijn brieven beantwoordde die Conrad nimmer geschreven had;
deze waren hem in handen gevallen, hij had ze niet geopend maar slechts
bewaard.
Nu smachtte hij er naar, ze te lezen.
Zonder zich uit te kleeden, stak hij de lamp op, nam de elegante enveloppen
in de handen, bezag ze van alle zijden en verbrak toen de zegels.
Hij las met gefronste wenkbrauwen en samengeperste lippen; 't was vreeselijk,
al die zoete woorden te moeten vernemen, die niet aan hem, maar aan
de schrijfster dier brieven gericht waren. Zij had hem liefgehad, zij
maakte plannen voor hun beider toekomst, zij verhaalde hem al haar jonge-meisjesgeheimen,
zij beantwoordde liefkoozingen, die hij haar niet gegeven had.
Hij stampvoette van machtelooze woede; hij had van die correspondentie
geweten en kon Corona niet eens van bedrog beschuldigen.
"Als jij haar niet schrijft, zal ik het doen," had ze hem
duidelijk gezegd, waarop hij even duidelijk had geantwoord:
"Ga je gang, 't kan me niets schelen!"
Hij ging naar haar kamer en vond daar in haar dagboek, nog meer dan
in de brieven, de uitdrukking van haar hart; nu eerst las hij alles,
nu het te laat was, nu hij haar liefde had vertrapt en versmaad, nu
hij een voorwerp van spot en minachting in haar oogen was geworden,
nu hij met eigen hand het beeld had verbrijzeld, dat zij zich eenmaal
in haar reine droom en van haar man oprichtte.
En hij was haar niet waard, neen, in lang niet!
Thoren van Hagen alleen zou haar verdienen, maar toch, zij bleef de
zijne, niemand kon daaraan iets veranderen hoewel zij zeker het oogenblik
vloekte, waarop zij bedrogen was en in gedachte de hand reikte aan den
bruidegom, die haar verfoeide.
Zijn geheele gedrag, van de eerste ontmoeting af, kwam hem thans erbarmelijk,
klein en kinderachtig voor; hij was een domme, akelige jongen geweest,
uit de hoogte zag zij op hem neer. Wat was zij teleur
[51:]
gesteld geweest
in hem! Als zij hem bespotte, had zij er reden toe, al die hatelijke
plagerijen van hem, dat hardnekkige zwijgen, die kwetsende onverschilligheid,alles
was er op berekend geweest haar van hem afkeerig te maaken.
Hij kende haar volstrekt niet, hij dacht dat zij de aanhangster van
Corona zou worden en in plaats daarvan was zij de eenige, die de gevreesde
schoonzuster durfde weerstaan, won zij de genegenheid van zijn beide
liefste zusters, de achting van zijn broeders. Hermelijn had groot gelijk,
als zij zich ver boven hem verheven waande.
Brandende tranen vielen op die brieven en het boekje neer; wanhoop,
dat hij zijn geluk verspeeld, verwoest had, vervulde zijn ziel.
Een plan kwam in zijn geest op, door nadenken wilde hij 't tot rijpheid
brengen.
Zoo vond hem de morgen, toen een plotseling herhaald klagend geroep
het gebergte vervulde.
"Er is een kiai [Grootvader] in den omtrek!" gaf dat eigenaardig
geroep te kennen.
De Javaan geeft aan den tijger den naam van "grootvader" en
erkent daardoor zijn afstamming van den koning der bergen.
Sints lang had een koningstijger de karbouwen bedreigd en de kampongs
onveilig gemaakt; nu eens was hij hier, dan weer daar gezien. Thans
verhaalde hij zich verscholen hield in een alang-alang- veld [Een soort
van hoog gras.] tusschen het groote huis en Djantong.
Alarmkreten ontrukten Conrad aan zichzelf, hij sprong op, vloog naar
zijn wapenrek, nam zijn pistolen en ponjaard, en liet zijn paard zadelen.
"Ik wou dat de tijger mij verscheurde," mompelde hij, "dat
ware 't beste voor mij en voor haar!"
Corona was in Ngaroengan terug, toen alles in rep en roer werd gebracht
voor de tijgerjacht; zij kon geen rust vinden. De gebeurtenissen der
laatste dagen hadden haar zeer aangegrepen, zij had er zich altijd op
beroemd geen zenuwen te kennen, maar wat
[52:]
was dan dat ongedurige,
dat trillen van handen en voeten, dat prikken in het hoofd?
Thoren van Hagen kwam haar vader afhalen; hij reed te paard en riep
haar schertsend van verre toe:
"Ik breng u de tijgerhuid, gravin Corona!"
"Och papa, stel u niet te veel bloot aan het gevaar," smeekte
zij.
"Wees gerust, kind," en hij kuste haar vaarwel.
Tot Thoren van Hagen sprak de oude heer:
"'t Doet me pleizier dat er zoo iets komt, want waarlijk, ik voelde
mij ellendig door die treurige geschiedenis bij Dolly. Ze zeggen wel,
een kind is maar een kind en we hebben er genoeg, maar Yolande was bijzonder
ontwikkeld en werkelijk Dolly heeft zoo veel niet."
Het alang-alangbosch werd omsingeld; de Javanen, met knuppels gewapend,
sloten zich in een kring, die hoe langer hoe nauwer werd. Thoren van
Hagen, Conrad en de oude heer de Géran waren de eenige Europeanen.
"Ik heb alle mogelijke buitenkansjes," zeide Thoren lachend,
"wat ben ik u dankbaar, mijnheer de Géran, dat u zich over
mij, arme zwerver, heeft ontfermd en naar Ngaroengan meenam."
"Zeg liever dat ik er alle voldoening van heb; 't is anders niet
veel, wat je hier geniet."
"Kan Java nog meer geven? Soms dunkt het mij, dat u mijn leven
nutteloos en ledig vindt, ik ben niets, voer niets nuttigs uit."
"Je hebt er den tijd anders wel toe," zeide de oude heer glimlachend.
"Dat is zoo en ik moest er geen tijd toe hebben. 't Zal ook niet
altijd zoo gaan, maar ik wil eerst een verleden hebben, waar men iets
aan heeft, dat de moeite van het bekijken waard is; het leven zie ik
aan voor een schilderij - Portias zou zeggen voor een muziekstuk - dat
ieder zich zelf schildert, de omstandigheden zijn de verven. Nu wil
ik het mijne heel bont en schitterend maken, voor ik er voor goed een
lijst omzet."
"En daarom ga je op avonturen uit?"
"Ja, ik ben naar de Noordpool geweest en keerde
[53:]
den Equator; ik
had niet gedacht dat ik dien de laatste hand zou leggen aan het schilderij
dat mijn jeugd moet voorstellen."
"Wil je dan hier blijven?"
"Willen, ja, maar ik kan zelf niet beslissen of het zal gebeuren;
dat moet een ander doen. Ik kan hier alleen blijven als uw dochter Corona
het mij toestaat."
"Corona!"
"Ik heb Corona liefgehad van het eerste oogenblik dat ik haar zag;
zij of geen andere wordt mijn vrouw."
Verbaasd zag de oude heer de Géran hem aan.
"En weet zij het reeds?"
"Ik heb 't haar gezegd, maar zij zal het niet verstaan hebben.
Ik deed nog niets om haar te verdienen, daarom bid ik u, laat mij den
tijger dooden, als u mij toestaat haar hand te vragen."
"Maar Thoren, 't is haar zaak, zij heeft alle huwelijken bij ons
gesloten. Laat zij voor het hare nu ook maar zelf zorgen! Ik heb niets
tegen u, je bent een man van eer, en ik ben er van overtuigd, dat je
mijn dochter niet zoudt ten huwelijk vragen als je er niet zeker van
waart haar daardoor niet te doen afdalen."
"Dat verzeker ik u! Ik heb niet als kluizenaar geleefd, integendeel,
er zijn bladzijden in mijn leven, die ik er gaarne uit wilde scheuren,
vlekken op mijn schilderij die haar in mijn oog jammerlijk ontsieren,
maar ook hoe schuldig ik ook voor mijn geweten in menig opzicht moge
zijn, er kleeft aan mijn naam of verleden niets, wat daarop in de oogen
der wereld daarop eenige smet zou kunnen werpen en wat mij belet een
eerlijke vrouw mijn hand aan te bieden."
"Die ruiterlijke bekentenis pleit voor je, Thoren! Ik geloof, dat
je er in zult slagen, je door Corona te laten eerbiedigen, zij is anders
niet gemakkelijk."
"Dat weet ik, maar het trekt mij te meer in haar aan; ik waardeer
haar karakter zooals het is met zijn licht en schaduw. Mijn liefde is
niet geblinddoekt."
"Des te beter! Ik hoop voor je en voor ons dat je slagen moogt."
"En niet voor haar?" vroeg Thoren van Hagen lachend.
[54:]
"Voor haar?
Ik geloof, dat zij nog heel anders moet worden, om in het huwelijk geluk
te vinden."
"Laat het aan mij over! Die zorg vrees ik niet op mijn schouders
te nemen."
Daar liet zich een ontzettend gebrul hooren midden in het alang-alangwoud;
de tijger, gewekt door de steenworpen der Javanen, rekte zijn lenige
ledematen uit, gaapte en vervulde de lucht met zijn afgrijselijk geluid,
dat het bloed in de aderen deed stollen van de landbewoners, uren ver
in den omtrek.
"Meneer Conrad, ik hoop dat u mij de eer zal gunnen het monster
te vellen, ik heb zijn huid aan een schoone dame van uw kennis beloofd,"
zeide Thoren van Hagen schertsend.
Conrad werd doodsbleek en beet zich op de lippen.
"Wie is die dame?"
"Wel, u zou haar niet kennen?"
"Ik los hier geen raadsels op."
"Daar heeft u gelijk aan, het oogenblik is slecht gekozen."
"Kiai, kiai," gilden de Javanen plotseling, en werkelijk,
daar flonkerden zijn gloeiende oogen tusschen het hooge witgroene gras.
Conrad mikte en schoot, maar zijn hand beefde van innerlijke gemoedsbeweging
en de kogel wondde slechts even het oor van den tijger.
Woest brullend hief hij zich op zijn achterpooten in de hoogte, aan
zijn breed gapenden muil drupte nog het bloed van het geitje, dat hij
verslonden had, zijn gekromde tong hing langs de scherpe witte tanden,
de klauwen met hun puntige nagels, spalkten zich samen, tot den noodlottigen
sprong gereed; de Javanen trokken zich snel terug, een hunner, alleen
met zijn kris gewapend, wachtte hem, hij had met den kiai, die zijn
kind meegevoerd had, nog een rekening te vereffenen.
Het bloeddorstig monster bereikte hem, hij stak het zijn mes in de zijde,
maar de arm, die 't wapen voerde, werd door zijn greep machteloos gemaakt;
de man viel ter aarde en de tijger zette zijn tanden in het bruine vleesch
van zijn borst.
Thoren van Hagen en Conrad snelden
[55:]
het dier zijn wraak
wilde volvoeren; Conrad stak hem den ponjaard in den nek, maar weer
niet diep genoeg.
De tijger liet nu tenminste zijn prooi los en schoot op Thoren van Hagen
toe; met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en met de zekerheid
van een goed schutter, loste hij zijn pistool en het schot drong in
de keel van het dier, dat stuiptrekkend achterover viel.
"Een koningsschot!" riep de oude heer de Géran, die
reeds in zijn leven zoo vele tijgers geveld had en nu dit godengenoegen
gaarne aan de jonge lui overliet, "maar wat Conrad vandaag scheelt?
Twee keer mis! en hij is anders zoo zeker. Jongen, jongen, bedenk dat
haastige spoed zelden goed is."
"Ik ben ook geen tijgerhuid verschuldigd aan een schoone dame,"
antwoordde Conrad spottend, en toen fluisterde hij tot Thoren van Hagen,
die zonder aan zijn triomf te denken zich slechts met den gewonden Javaan
bezig hield:
"Als je haar dat durft brengen en zij neemt het aan, dan kan je
er zeker van zijn, dat ik niet zoo zal misschieten als ik op jou en
haar tegelijk aanleg."
"Maar beste vriend!" riep Thoren van Hagen lachend uit, "wat
scheelt er aan? Waarom mag ik mijn belofte niet houden? Wat voor kwaad
steekt er in?"
"Je ziet me voor een kwajongen aan, misschien heb je gelijk en
ik heb me ook zóó gedragen, maar nu wordt het anders.
Ik laat mij niet meer beleedigen."
"Wie denkt er toch aan je te beleedigen? Je vermoedt niet eens
ter wier eere ik den tijger heb gedood "
"Ik niet vermoeden?"
"Papa de Géran, ik mag u zoo immers wel noemen. . . ."
riep hij met zijn vroolijke, heldere stem door het woud.
"Haal papa er niet bij! We kunnen het alleen af," snauwde
Conrad.
". . . . na 't geen ik u straks gezegd heb," ging hij voort,
"wil u Conrad vertellen aan wie ik mijn tijgerhuid heb beloofd?
Hij kan het raadseltje maar niet oplossen."
[56:]
"Ik zie ook
niet in, dat het hem iets aangaat, wat je aan zijn zuster beloofd hebt."
"Mijn zuster, welke, Margot?"
Thoren van Hagen barstte in een gullen lach uit, en zelfs de oude heer
de Géran moest glimlachen.
"Margot, die kleine meid, hoe kom je er aan? Heb je geen andere
zusters meer, die nog vrij zijn."
"Corona?" vroeg hij haperend, en 't werd hem plotseling licht.
"Hoor eens, Conrad," zeide Thoren van Hagen; "'t is nog
een geheim. Ik had weinig lust om me door jou te laten tijgeren en daarom
liet ik het aan je papa over, je de waarheid te vertellen, maar denk
er om, den matjan heb ik geschoten en mag met zijn huid doen wat ik
verkies, maar de hand van je zuster heb ik nog niet gevraagd, betoon
me dus niet te gauw je zwagerlijke liefde."
Conrad zweeg met zijn gewoon boos gezicht.
"Ik maak mij hoe langer hoe belachelijker!" dacht hij, "het
zou toch te dwaas zijn dat ik jaloersch ben om niets."
De tijger, een prachtige koningstijger, werd in triomf weggedragen,
ook den gewonden Javaan wilde men op een draagbaar leggen, maar hij
stond op, kreunde zacht, en verklaarde wel te kunnen loopen. Het dier
zou in den kampong gestroopt worden.
Terwijl de strijd duurde, was Corona rusteloos van de eene kamer naar
de andere geloopen, haar slapen klopten, haar polsen hamerden, was dat
alleen uit onrust over haar vader? Maar hoe dikwijls had hij niet met
haar broeders deelgenomen aan zulk een jacht- en dan dacht zij nauwelijks
aan het gevaar, dat zij liepen, maar nu?
"Iteko," riep zij tot haar toevlucht in den nood, "zeg
mij toch wat mij scheelt. Maak me iets klaar, ik weet niet wat, maar
het moet iets opwekkends en tegelijk kalmeerends zijn."
De toevlucht ging naar achteren, daar stond Kitty, die juist met een
inlander had gepraat.
"Verbeeld u toch eens, juffrouw," riep zij op haar gewone
drukke manier, "ik ben zoo blij dat Portias niet mee is gaan jagen,
daar vertelt me Kromo juist,
[57:]
dat de tijger mijnheer
Thoren van Hagen verscheurd heeft."
"Wat zeg je?" en daar stond Corona plotseling voor haar, bleek
en bestorven met starende oogen "Thoren van Hagen verscheurd door
den tijger."
"Dat vertelt Kromo! Gelukkig, dat het papa of Conrad maar niet
is, Hermine zal er wel om treuren, hij was immers haar vriend en speelkameraad;
't spijt me ook, ik vond hem een aardig mensch, maar toch!. . ."
"Hou je stil! ik verzoek het je," en Corona viel op een sofa
neer, bleek met gesloten oogen; was dat nu een onmacht?
"Maar wat is het toch, wat kan het haar schelen, juffrouw,"
vroeg Kitty, "wat ziet ze er naar uit?"
"Geef wat vlugzout en eau de cologne, overspanning, anders niet,
mevrouw Portias," antwoordde Iteko.
"Mijn hemel, als 't mijn man was, zou ik niet meer kunnen aangaan.
Waar moet ik dat alles vinden, juffrouw?"
Corona kwam echter spoedig bij; toen zij zich omringd zag van een half
dozijn broertjes en zusters, nichtjes en neefjes, allen even nieuwsgierig,
voelde zij zich diep beschaamd en verbitterd; zij stond op en weigerde
door Kitty gesteund te worden.
"Men zou zeggen, dat ik doodziek was! ik ben geschokt door al den
schrik van de laatste dagen, eerst die tocht op den Merawoe, dan de
dood van Yolande en nu. . .
"Dat is ook heel natuurlijk, juffrouw! U moet maar stilletjes gaan
uitrusten," ried Jteko.
Zij ging in haar kamer terug en viel toen als uitgeput neer.
"Iteko, wat scheelt me ?" vroeg zij op wanhopenden toon.
"Men kan niet alles zeggen zonder te spreken, juffrouw! Maar het
kan best een valsch alarm zijn."
"Zou je denken? O God, wat zou 't mij kunnen schelen? Hij gaat
me niet aan en toch, hij is zoo. . . jong, zoo. . .
"Zoo knap, ja dat is hij zeker!"
Huiverend verborg Corona haar gelaat in de kussens.
[58:]
"Ik kan 't
niet gelooven, ik kan 't niet gelooven," kermde zij.
"Juffrouw, ik bid u, blijf toch kalm, ik geloof dat de mandoer
gekomen is met nadere berichten. Geef u niet ten schouwspel aan die
menschen, ze zullen zeggen dat. . ."
"Ze kunnen zeggen wat zij willen. Ga spoedig, Iteko, ga luisteren
en zeg mij alles. . . mijn vonnis."
Corona hief zich op; met zenuwachtig samen gewrongen handen en opeengeperste
lippen, de brandende oogen strak voor zich uitstarend, bleef zij zitten
en wachten.
De seconden schenen haar uren toe; er werd luid gesproken en gelachen,
zij hoorde Margot's juichende stem.
"Dan is het niet waar!"
En zij rees in de hoogte en had een gevoel of zij op haar knieën
moest vallen om God te danken, maar zij hield zich goed, zij wilde zelfs
niet voor haar eigen gevoel toegeven aan den storm van jubelende blijdschap,
die haar ziel vervulde.
Iteko kwam terug en zeide met een glimlach - haar glimlach:
"U behoeft zich niet verder ongerust te maken, juffrouw Corona,
't is een dwaas praatje geweest. Meneer Thoren van Hagen heeft den tijger
gedood maar is zelfs niet eens gewond."
"Gelukkig maar," antwoordde Corona schijnbaar bedaard doch
nog steeds bevend, "ik vond dat denkbeeld van verscheurd te worden
zoo vreeselijk. Ik geloof dat het mij even erg zou aangegrepen hebben
als het Akkeveen geweest ware."
"Och ja, dat geloof ik eigenlijk ook. 't Is een minder prettige
manier van sterven."
"Je moet het hun maar zeggen, Iteko, anders schrijven ze mijn schrik
nog toe aan. . . iets anders. 't Is toch vreeselijk onaangenaam dat
men zijn eigen gevoelens en trekken zoo weinig in bedwang heeft."
"Gefühl
und Auge sind Verräther,
Nach ihnen späht die Welt der Dieb."
declameerde Iteko.
"Ja, een dief! Wie weet hoe vroolijk ze zich over
[59:]
mij maken. O, 't
is ellendig! Ik begrijp niet wat me tegenwoordig overkomt, alles spant
samen om mij ongelukkig te doen zijn."
"Sedert mevrouw Conrad er is! Wat is die vriendschap tusschen haar
en mevrouw Akkeveen spoedig innig geworden!"
"Zij is een intriguante, meer niet! Wie had het uit haar brieven
kunnen opmaken?"
"Weet u ook of zij er van wist dat mijnheer Thoren op Samarang
was, toen zij aankwam?"
"Hoe kan ik dat weten, en wat zou 't ook?"
"Och, niets!"
"Hij heeft mij den tijger beloofd! Of hij me dien brengen zal?"
"U heeft tijgervellen genoeg."
"O zeker, ik geef er niets om."
"Waarom zou u ook?"
's Middags kwam de oude heer de Géran terug, en hij, die anders
zoo spaarzaam met zijne woorden was, als waren ze gouden munten, verhaalde
nu vele bijzonderheden over de jacht; over Thoren van Hagen was hij
onuitputtelijk; hij prees uitbundig zijn moed en onverschrokkenheid.
Corona deed of zij niet luisterde, haar oogen moest zij neerslaan, omdat
zij voelde dat zij te veel zouden schitteren, als zij daarmede de woorden
haars vaders wilde volgen.
"Waarom is Thoren niet meegekomen, papa?" vroeg Portias, "wilde
hij niet komen eten?"
"Ik heb er moeite genoeg voor gedaan, hij kon niet, ik geloof dat
hij plan had, Akkeveen van middag een condoleantie-visite te maken."
Corona voelde dat zij hevig bloosde; 't was of een mes haar het hart
doorboorde, of ieder 't oog op haar gevestigd had; zij had zich willen
verbergen, het liefst diep in den krater van den Merawoe.
"Hoor eens Jo, zal ik je wat vertellen?" vroeg Kitty, zich
op haar teentjes omhoog heffend en Portias toefluisterend.
"Wat dan, nieuwsgierig bazuintje?"
"Foei, neen, ik ben geen bazuin, zelfs geen bazuinengeltje! Maar
ik zal het je gauw zeggen. Cor is verliefd!"
[60:]
"Corona?"
"Ja zeker, word er maar niet jaloersch om, dat je oude vlam naar
een anderen kant uitslaat; zij is verliefder dan ik ooit op jou geweest
ben."
"En op wien?"
"Op Thoren van Hagen."
"Zij had slechter kunnen kiezen, maar hij?"
"Hij geeft niet zoo veel om haar. Is dat niet erg voor die arme
Cor? Als ik nu minder goedhartig was, zou ik zeggen: verdiende loon!"
"En hoe heb je het gemerkt?"
Natuurlijk raakte Kitty's tongetje nu eerst heelemaal los en duurde
het nog lang voor zij uitverteld had.