XXXIV.
Conrad reed zoo snel als de bergachtige weg 't hem toeliet naar boven; de haastige rit bracht zijn onstuimig bloed eenigszins tot bedaren, het was bijzonder koel en frisch na het onweer van den vorigen dag; en die kalmte deelde zich ook aan hem mede, maar het was de kalmte, die den storm volgt en wellicht een nieuwe uitbarsting voarafgaat.
[34:]
In de laatste nachten
had hij niet geslapen, spijt en wroeging vervulden zijn ziel, onophoudelijk
hield een gedachte hem bezig, met martelende eentonigheid.
"Als ik anders tegen haar geweest ware in het begin, wie weet of
zij mij dan niet lief had gekregen, terwijl zij thans naar Thoren van
Hagen opziet als naar haar redder maar ik geef niets om haar liefde,
niets. Zij heeft met hem gewandeld op den vulkaan, wat zei Guillaume
ook? Maar ik kan er niets aan veranderen, ik zal met hem duelleeren
als ik hem in Kaboelen vind; die gemeene Akkeveen, ik zal mij ook op
hem wreken. Een van ons zal sterven, hij of ik; als ik het ben, dan
kan hij toch niet met mijn weduwe trouwen! Mijn weduwe . . ." herhaalde
hij bij zichzelf met een soort van genot, gaf zijn paard de sporen en
reed sneller en sneller voort.
Hij had den weg reeds meer dan half afgelegd, toen een Javaan op zijn
klein vlug paard gezeten hem tegemoet kwam; zoodra hij Conrad herkende,
stapte hij af, zette zich met de beenen kruiselings op den grond neder
en boog het hoofd op zijn samengevoegde handen.
Conrad herkende Sariman, Akkeveen's huis- stal- en tuinjongen.
"Wat is er Sariman?" hij wist niet waarom hij zoo koud en
angstig werd.
"Ik ben gezonden naar den dokter, nonna is hard ziek."
"Wat zeg je, njonja, mijn njonja?"
Een vreeselijk voorgevoel maakte zich van Conrad meester; 't kon wezen,
wat Corona had gezegd, zijn vrouw ondervond de treurige gevolgen van
het avontuur in den vulcaan.
"Ik vraag u verschooning," was het kalme, afgemeten antwoord,
"'t is de kleine nonna, die onwel is en mevrouw heeft mij gezonden
om mijnheer te waarschuwen en den dokter te halen."
"Nonnie ziek, het oogappeltje van Dolly!" hij gevoelde er
behoefte aan, zijn arme zuster bij te staan.
"Rijd spoedig naar beneden, Sariman en zeg den dokter, dat hij
onmiddellijk komt, ik ga naar mijn zuster."
[35:]
"Dan is er
tenminste een man t'huis," sprak de trouwe bediende, terwijl hij
het paard eenige schreden verder leidde om dan te kunnen opstijgen.
Conrad reed door, maar keerde zich plotseling om.
"Sariman?" vroeg hij met verstikte stem, "is er geen
bezoek op Kaboelen, is er niemand geweest, mijnheer Thoren, dien je
wel kent?"
"Neen meneer, niemand; van morgen is onze toewan vertrokken en
dadelijk is Nonnie zoo akelig beginnen te hoesten, ik heb hier een brief
van uw njonja aan den toewan dokter."
"Goed, maak haast!"
"Zou dat ellendige wijf mij bedrogen hebben," dacht Conrad,
"of zijn ze allen medeplichtig, zelfs Sariman?"
Hij dreef zijn paard voort; waar loopen gemakkelijker viel, steeg hij
af en klom vlug als een eekhoorn de bergruggen op; eindelijk zag hij
het eenvoudige atappen dak van Akkeveen's woning en 't eerst Hermelijn,
die op het hooren van den hoefslag in de voorgalerij verscheen.
"O Conrad, Goddank, dat je er bent! Die arme Nonnie! 't is de croup,
ik heb geholpen, wat er te helpen viel. Een van mijn broertjes heeft
het ook gehad, maar och, 't is zoo erg."
Conrad voelde zich vreemd te moede; om een soort van Othello scène
te maken was hij gekomen en hij werd geroepen aan het bed van een ziek
kind.
"Waar is Dolly?" vroeg hij zoo norsch mogelijk.
Hermelijn voelde dat hij hun verhouding weer afbakende, en antwoordde
hem ijskoud:
"Bij het zieke kind natuurlijk, kom je mee?"
In de slaapkamer zat de arme moeder met het akelig blaffende kind op
den schoot. Yolande's lief gezichtje was blauw van benauwdheid, haar
oogen stonden akelig, star en stijf; haar kleine vuistjes waren kil
en krampachtig in elkaar gedrukt.
"Dag Conrad," zei Dolly met pijnlijke bedaardheid, "je
had niet gedacht hier zoo aan te komen."
"Kan ik iets doen?",vroeg hij met verstikte stem.
"Vraag Hermine, zij alleen weet het. Als ik haar niet had. . .
."
[36:]
Er was weinig te
doen, zoo bitter weinig. Hermelijn bracht eenige verlichting aan in
afwachting dat de dokter kwam. Intusschen trachtte zij de beide jongentjes
tot bedaren te brengen, suste den jongste, speelde met den oudste, al
brak haar hart. Conrad knielde naast Dolly en trachtte de kleine meid
tot bewustzijn te wekken.
"Oom," fluisterde zij tusschen twee hoestbuien, "oom
Conrad, waar is tante?"
Dolly moest haar jongste helpen, dat om voedsel schreide. In dien tijd
nam Hermelijn het zieke kind op den schoot.
"Houd haar bezig," fluisterde zij haar man toe, "zij
mag niet slapen."
Conrad knielde voor haar neer, speelde met haar poppen alleen om haar
aandacht te wekken, maar haar oogjes vielen telkens toe, terwijl haar
akelig benauwd hoesten onophoudelijk weerklonk.
Om de vijf minuten gaf Hermelijn haar een lepeltje van de door haar
bereide medicijnen in; haar bewegingen waren zoo zeker, er lag zulk
een geruststellende kalmte in haar geheele optreden dat zelfs Conrad
naar haar opzag als naar de eenige, van wie redding en hulp kon komen.
"Zou er hoop zijn?" vroeg hij fluisterend.
"Als de croup niet te laag zit. Ik moet bloedzuigers hebben, zou
je de jongens er niet om uit kunnen zenden?"
Conrad stond dadelijk op en ging naar de bijgebouwen, waar hij Javaansche
kinderen naar de sawahs stuurde om de dieren te zoeken; 't was of hij
nog in een droom verkeerde. Hij was hier gekomen om te dooden, te duelleeren,
hij wist zelfs niet wat, en nu moest hij met zijn vrouw een menschelijk
wezentje aan den dood betwisten.
Er gingen eenige uren om vol angst en schrik en spanning; 't was of
het hoesten minder benauwd klonk, of de kleine ruimer adem haalde.
"O Hermine, Hermine, hoe zal ik je ooit danken," riep Dolly.
"Bedaard, zusje! Ik weet niet of het gevaar geweken is. Als de
dokter komt. . . ."
[37:]
"lk wilde
dat de dokter niet kwam, ik stel meer vertrouwen in jou dan in hem!"
Daar kwam een reiswagen aanrollen.
"O hemel, wie komt er nu weer aan?" zuchtte Dolly en haar
zucht was niet zonder oorzaak geweest, want er stapten uit haar man,
de dokter, Corona, lteko en nog een baboe.
"Ook een mooie manier om te troosten," bromde Conrad, "Zoo
vol beladen aan te komen."
De dokter was een bejaard Duitscher, die als officier van gezondheid
was "uitgekomen", later zijn ontslag gevraagd en zich in Soekarenga
gevestigd had; hij had veel praktijk omdat er uren ver in de rondte
geen mededinger te duchten was, maar overigens was het vertrouwen in
hem niet bijster groot. Hij had zijn eigen begrippen, waarvan niets
hem kon afbrengen; alles voerde hij op tot in het overdrevene. Zoo was
hij de inderdaad niet verwerpelijke meening toegedaan, dat niets voor
het oppassen der zieken dienstiger is dan dat de omstanders hun kalmte
en bedaardheid behouden, daarom wilde hij tot geen prijs hen agiteeren,
maar de weg, dien hij tot dat doel insloeg, was een geheel verkeerde.
Hij vertoonde zich doodkalm, over niets ongerust, altijd glimlachend
en tot het einde ontkennend dat er gevaar was, daarbij volstrekt niet
haastig, steeds zijn voorschriften afwisselend met de onnoozelste praatjes,
zonder te willen begrijpen, dat deze wijze van handelen den patient
en zijn familie tot de uiterste graden van zenuwachtigheid en ongeduld
bracht.
Met Corona leefde hij sints jaren in een aanhoudenden oorlog, die zich
in eindelooze schermutselingen openbaarde; dat, was dan ook de reden
geweest, waarom zij dien morgen de hut van Djario zoo snel had verlaten;
eens had zij zelfs een jongen dokter weten over te halen den militairen
dienst te verlaten en zich geheel te wijden aan de behandeling der de
Gérans en hun onderhoorigen.
Het huis bij 't meer Ngaroe was voor hem gebouwd; wat er nu volgde scheen
een duistere bladzijde in Corona's levensboek te vormen; zij sprak er
liefst niet over. De menschen fluisterden van een dollen
[38:]
hartstocht, dien
de jonge man voor zijn schoone beschermster had opgevat, dien zij eerst
min of meer had aangemoedigd om hem later te bespotten. Hoe 't ook zij,
de arme Bremmers, aan wien zij haar beruchte medicijnenkist dankte,
had in het meer zijn dood gevonden, opzet of toeval, niemand wist het,
maar na dien tijd beproefde Corona niet meer dokter Altorff's praktijk
te dwarsboomen en stond haar onderdanen met weerzin toe gebruik te maken
van zijn diensten.
Toen Sariman met Hermelijn's briefje kwam, dacht zij dat de dokter wel
vooruit zou rijden, maar hij antwoordde onveranderlijk kalm:
"Die Fräulein, aber dat kann ja niet! Ik durf het niet doen;
dat angstigt de arme moetter te veel. Als u er heen vaart, kom ik mit,
dat is beter."
Corona nam natuurlijk haar rechterhand, Iteko, mede, en nog een meid.
Akkeveen gaf den dokter gelijk.
"Och, 't zal een verkoudheid zijn, niet meer. Die twee vrouwen
maken mekaar gek met die malle drukte. 't Zou al heel toevallig wezen
als Nonnie wat mankeerde en 't erg was, juist nu Hermine er is."
Maar toen Conrad hen met een bezorgd gezicht tegenkwam, en zeide dat
het zeer bedenkelijk was, raakte hij ook een weinig uit de plooi en
ging dadelijk naar de ziekenkamer.
"Laat ze niet allen binnenkomen. Ik heb alleen om den dokter gevraagd",
zeide Dolly.
De dokter kwam, gevolgd door Corona, die Iteko voorloopig buiten had
gelaten; haar mocht men toch de ziekenkamer niet ontzeggen.
"Hoe is 't met je, Dolly?" vroeg zij deelnemend, "wat
heb ik je beklaagd, zoo alleen met dat zieke kind."
"Ik had Hermine," antwoordde zij eenvoudig.
"Dokter," sprak Hèrmelijn, "ik heb 't een en ander
gedaan. . . ."
Zij wilde hem alles uitleggen, maar hij viel haar in de rede.
"Bedaard, mevrouwtje, bedaard! Kalmte alleen helpt. Laat eenmaal
zien! Kom hier, kleine Fräulein! Wat heeft u een ongeluk gehad
darüber op den berg!"
[39:]
"Och dokter,
kijk liever naar het kind."
"Gewis, gewis, daarvoor kom ik, ja! En was u niet erg besturzt?"
"Kom dokter! Geen praatjes," beval Corona, "en zeg wat
er van is."
"Immer dieselbe, Fräulein, immer!"
En zoo ging het voort terwijl de drie dames hem onophoudelijk aanzetten,
waardoor hij steeds treuzeliger werd.
Voor Hermelijn's behandeling had hij slechts lof.
"Met uw medicijnkist," voegde hij er boosaardig bij, zich
tot Corona wendend, die vuurrood werd van toorn, "had u het kind
freilich niet zoo lang in leben gehouden!"
Hij had steeds een kleine handapotheek bij zich en begon uit te leggen
hoe veel het verschilt, als een dokter zulke dingen hanteert of een
leek en droeg Hermelijn alles op, wat voor de zieke gedaan moest worden,
gedurende den nacht; hij kon onmogelijk overblijven, want "beneden"
had hij nog een paar zware kranken.
"'t Schijnt dat ik hier te veel ben," zei Corona, "Dolly,
ik heb Iteko meegebracht, om je met de kleinen te helpen; ik blijf natuurlijk
hier en zij ook."
"'t Is goed Corona, ik dank je wel," antwoordde Dolly weemoedig;
het vonkje hoop, dat haar straks bezield had, was vervlogen, de benauwdheden
der kleine namen meer en meer toe.
"Maatje, zend Non niet weg!" fluisterde zij.
"Neen mijn engel, neen! Als Onze Lieve Heer je aan mij laat,"
antwoordde Dolly, haar hartstochtelijk aan het hart drukkend, "blijf
je bij Mama."
"Is paatje nog boos?" vroeg zij half onhoorbaar.
Akkeveen kwam nader en streek haar langs het gloeiende kopje.
"Papa is niet boos geweest, Non," zeide hij met grove stem,
"word maar gauw beter!"
"Sedert dat zij dokter's medicijnen gebruikt, wordt zij erger,"
mompelde Dolly, "ik vergis mij niet!"
"De croup zit te laag, vrees ik!" zeide Hermelijn.
Het waren vreeselijke uren, die volgden; Corona bestelde alles in huis.
Akkeveen ging op en neer in
[40:]
de voorgalerij,
soms vragend hoe het met de zieke ging. Iteko trachtte de andere kinderen
stil te houden; maar deze gilden het uit, zoodra zij het monstertje
zagen.
"We zullen ze naar het groote huis zenden," besliste Corona,
"hier brengen zij nog maar meer drukte en verwarring."
Maar nauwelijks had Dolly iets van dit plan gehoord of zij verzette
er zich met kracht tegen.
"Neen, ik sta geen van mijn kinderen meer af. Ik ben er genoeg
voor gestraft," en hoe dwaas en onredelijk Corona dit ook vond,
er viel niets aan te doen; zij was zeer onrustig, en de werkeloosheid,
waartoe zij zich veroordeeld zag, maakte haar nog prikkelbaarder.
Conrad en Hermelijn waren vereenigd in hun liefdewerk, beiden schenen
Dolly onmisbaar en haar, die zooveel verstand had van zieken, kon men
missen. Welk een ander figuur maakte Hermelijn bij dit ziekbed dan zij
bij dat van Djario!
"Conrad," fluisterde zij hem in, terwijl hij een paar spaansche
vliegen toebereidde, "weet je ook of Thoren van Hagen er van morgen
geweest is?"
"Ze hadden wel wat anders te doen dan visites ontvangen,"
antwoordde hij barsch.
Den volgenden morgen was er reeds een groote verandering in de arme
kleine Nonnie te bespeuren, haar lieve oogjes stonden dof en vertrokken,
haar wangen waren blauw, haar borstje, door de bloedzuigers uitgezogen,
was met bloed bedekt en haar halsje ruw van de Spaansche vliegen.
"Maatje, zoo benauwd," kermde zij zacht; het waren haar laatste
woorden; koud zweet parelde op haar voorhoofd, zij begon te hikken en
te kreunen en zoo vond haar de dokter bij zijn bezoek.
"Dokter," voegde Hermelijn hem zacht toe, "ik heb er
u gisteren reeds over gesproken. Durft u de operatie niet wagen, die
zij in Europa met veel succes op de croup beproeven? 't Spreekt van
zelf, dat u bijstand uit Samarang moogt laten komen."
"Mevrouwtje begrijpt, dat als ik een patient behandelen durf, ik
voor alles verantwoordelijk blijf. Maar het gaat ja goed!"
[41:]
Vandaag bleef de
dokter den geheelen dag; de oude heer scheen hem de les te hebben gelezen;
tegen den middag sprak hij er van, een telegram naar Samarang te sturen.
Corona, die voelde dat zij en haar adjudant hier eigenlijk te veel waren,
besloot met haar te vertrekken; de kinderen in het groote huis waren
al zoo lang zonder toezicht; ook kon zij te Soekarenga beter zorgen
voor geneeskundige hulp.
"Corona, ik behoef haar niet meer aan je af te staan," sprak
Dolly met een bitteren lach.
"O Dolly, 't is de groote vraag, alle hoop is nog niet vervlogen.
Ik zal Dr. X. laten komen en je zult zien dat hij de operatie waagt."
"Neen, 't kan niet meer. Hermelijn had haar kunnen redden, misschien."
Zoo vertrokken de beide dames en haar vertrek was een ware verlichting;
Conrad nam Iteko nog even ter zijde:
"Juffrouw! Ik heb nog iets met u af te rekenen. Je hebt gelogen,
schandelijk gelogen!"
"Och meneer, een mensch kan zich vergissen! U was net weg toen
ik het merkte. 't Is toch van achteren beschouwd maar goed, dat u naar
boven is gegaan, vindt u zelf niet!"
Corona was nog geen half uur weg, toen de kleine zich onrustig begon
uit te rekken, even sloeg zij de lieve oogjes op; toen greep een geweldige
benauwdheid haar aan, Dolly stond op en liep radeloos met haar op en
neer.
"Mijn engel, mijn Nonnie, verlaat je arme moeder niet! O God, laat
haar mij!" smeekte zij, het kind aan haar hart drukkend. Helaas;
't was slechts een levenloos lichaam, dat zij omklemde, door het zieltje
reeds ontvloden.
Akkeveen werd zenawachtig en begon luid misbaar te maken toen Hermelijn
bleek en ontdaan hem de treurmare bracht; Conrad sloop dadelijk naar
zijn zuster, die met haar dood kindje nog op den schoot zat, versteend
als Niobe.
"Dolly, lieve Dolly! hoe kan het zijn?" snikte hij, en toen
Hermelijn binnenkwam, zag zij haar man
[42:]
naast de zwaar
beproefde vrouw zitten met zijn armen ,om haar heen, zoo innig deelnemend,
zoo teeder troostend als zij niet had kunnen vermoeden, dat hij ooit
doen kon; het was de norsche, onvriendelijke Conrad niet meer, dien
zij te goed kende.
"Zoo is hij alleen tegenover mij!" dacht zij vol bitterheid,
maar zich reeds onmiddellijk over die gedachte op zulk een oogenblik
schamend. Zij ook trachtte, Dolly tot het bewustzijn te brengen dat
het kind haar kort leven geëindigd had.
"Ik heb ze afgestaan," zei Dolly eindelijk, "ik mag niet
klagen. 't Is nog beter aan God, dan aan Corona. Ik ben gestraft!"
Zij legde haar op het bedje neer en begon met ijzige kalmte het lijkje
te ontkleeden; zij vroeg Hermelijn water en reukwerk om haar af te wasschen.
"Maar Dolly, dat zullen wij wel doen!" riep Conrad.
"Neen, haar moeder alleen mag haar aanraken voor het laatst"
antwoordde zij. Akkeveen kwam bij zijn vrouw en wilde haar omhelzen.
Zij weerde hem bedaard af.
"Nu zal zij je geen f100 's maands meer opbrengen, Akkeveen!"
sprak ze met snijdenden spot; ieder voelde dat de ramp in plaats van
toenadering slechts éen meerdere scheiding tusschen de echtgenooten
zou aanbrengen.
Hij deed of hij haar niet verstond. Dolly bleef onnatuurlijk kalm, zij
kleedde het kind in 't wit, bestrooide haar met bloemen, vlocht zelf
een kransje in elkander van witte rozeknopjes en melati's en legde haar
die om het donkere kopje, dat nu allengs zijn gewone uitdrukking terug
kreeg.
Toen brak Dolly's moed; zij zonk voor het bedje neer, begroef haar gelaat
in de bloemen en snikte het uit:
"'t Is niet waar, 't is niet waar;" gilde zij, "mijn
eenig geluk! Waarom moet ik zoo lijden en anderen niet. O God, waaraan
heb ik 't verdiend? Deed ik dan niet altijd mijn plicht?"
Eindelijk gelukte het Hermelijn haar weg te voeren naar een andere kamer.
"O Hermine, blijf bij mij, verlaat mij niet!" smeekte
[43:]
zij, "je hield
zooveel van haar en zij ook van jou. 't Is vreeselijk, ik kan, ik wil
niet meer leven zonder mijn Non! Ik heb niet genoeg van haar gehouden,
ik heb niet goed op haar gepast. Ze hoestte reeds een paar dagen lang
en ik had er niet op gelet. Je hebt er mij 't eerst over ongerust gemaakt;
als de dokter niet gekomen was, dan zou ze nog leven en beter zijn geworden!"
Hermelijn liet haar uitbarsten, zij wist dat elk woord, in deze oogenblikken
uitgesproken, werkt als een druppel koud water op de gloeiende plaat;
dat de wanhopige voor elke troostreden met onbegrijpelijke scherpzinnigheid,
honderd ontzenuwende woorden gereed heeft, dat zij slechts aan één
ding behoefte had, haar smart uit te weenen en te rusten aan een deelnemend,
medevoelend hart.
Hermelijn dacht aan mevrouw van Diteren, die ook zoo menigmaal haar
verdriet aan haar oor toegefluisterd, op haar borst uitgeschreid had;
't scheen of er van haar omhelzingen een bedarende werking uitging,
want de afgetobde vrouw werd kalmer en kalmer; zij liet haar uitgeput
hoofd rusten in Hermine's armen en viel moegeweend in een gerusten slaap.
Zachtkens legde Hermelijn haar op de kussens van den divan neer en verliet
toen zacht het vertrek om zich met Conrad bij de kleine doode op te
sluiten.