II.
Eindelijk kwam er
beweging in haar oogen en zij richtte zich zelfs half op; een zacht,
onderdrukt maar toch niet te overwinnen snikken trof haar oor.
Het kwam van mevrouw van Diteren, een knappe, wel eenigszins afgetobde
indische dame, achter haar, die vergeefsche pogingen deed om zich goed
te houden; haar verdriet duurde ongetwijfeld nog het langste van alle
ontroostbaren, die straks schreiend Amsterdam hadden nagestaard.
Niemand sloeg er acht op; haar man dacht misschien dat zij in haar hut
was, bezig met de noodige beredderingen, welke het best vóór
IJmuiden in het kanaal ondernomen worden, vóór dat er
vrees bestond dat de
[12:]
zeeziekte aan alle
goede, ordelievende plannen een einde maakt.
Zij had ook werkelijk de trap willen afgaan, maar het verdriet had haar
overmand en zij was op een bank neergevallen zonder de kracht te hebben
verder voort te loopen.
Als door een geheime veer bewogen rees de jonge mevrouw plotseling overeind.
"Wat is haar gestalte goed ontwikkeld boven het middelmatige zelfs,
maar hoe blijft elk harer bewegingen altijd even bevallig!" dacht
de ambtenaar.
Zij had een flacon voor den dag gehaald en besproeide het klamme voorhoofd
der half onmachtige vrouw met eau de cologne.
"Hoe handig weet ze dat te doen, hoe belangstellend buigt zij zich!
Zie, nu vraagt ze iets. Gelukkige vrouw, kon ik maar zoo huilen, misschien
troostte zij mij ook even lief."
"Doet het u goed, mevrouw?" vroeg zij zacht.
"Dank u juffrouw, dank u! O 't is zoo hard, mijn lieve kinderen!"
"Heeft u ze achtergelaten?"
"Ja, alle vier."
"En gaat u alleen terug?"'
"Met mijn man."
En zij begon alweer wanhopig te snikken.
"Maar als 't u zoo hard valt mevrouw, dan had ik ze niet achtergelaten."
"Het moest."
"Ik zie niet in waarom."
"Van Diteren wilde het."
Zij schroefde haar fiaconnetje toe en de vastberaden trek om haar mond
teekende zich nog eens zoo duidelijk en scherp, er lag op te lezen:
"AI wilde mijn man het duizendmaal, gebeuren zou 't toch niet."
"'t Is voor hun bestwil," helderde de arme vrouw op, "maar
't is toch zoo hard, alle vier!"
"Verschrikkelijk."
"En is u ook alleen?"
"Dat "ook" vond de jonge dame misschien wat zonderling
in den mond eener vrouw die met haar man
[13:]
reisde, maar zij
antwoordde zonder daar schijnbaar op te letten:
"Ja, ik ken hier niemand, zelfs niet van aanzien."
"Gaat u naar uw ouders? "
Een heldere glimlach vloog over haar gelaat en gaf tinteling aan haar
mooie oogen, de ambtenaar ving dien vluchtigen zonnestraal op en vond
haar nu wonderschoon, het mooiste meisje dat hij ooit gezien had.
"Neen, naar mijn man."
"Is u dan getrouwd?"
"Dat is maar zoowat, met een handschoen in plaats van met een man."
"Met wie heb ik dan 't genoegen. . . Ik ben mevrouw van Diteren."
"Hermel. . . Hermine van Voorden, of liever neen, zoo heet ik niet
meer, Géran de Saint-Paul."
"O, dien naam kent ieder op Java, met welken van zijn zoons is
u getrouwd?"
"Met Conrad."
"Dat is geloof ik de derde, niet waar?"
"Kent u hem?" vroeg zij met blijde verrassing in de stem,
en zette zich toen naast de bedrukte moeder neer, die voor een oogenblik
haar bitter leed vergat en zag haar vragend en afwachtend aan.
"Neen," ging mevrouw van Diteren voort, "hem ken ik zoo
goed niet, wel zijn andere broers August en Guillaume en de oudste zuster."
"Ja, Corona."
"'t Is een groote familie. Waar heeft u ze leeren kennen?"
De zachte gloed van een blos wierp een rozigen schijn op haar doorschijnend
witte huid.
"Ik ken alleen mijn. . . mijn man en een jonger broertje, dat later
aan de cholera overleden is."
"Zijn ze dan in Holland geweest?"
"Ja, ze hebben school gelegen in de stad, waar Papa in garnizoen
lag en waren bij ons in den kost. Papa was majoor moet u weten, en mijn
eigen mama de zuster van mijnheer Géran's eerste vrouw."
"De moeder van Corona, August en Guillaume?"
"Juist, daarom kwamen die kinderen veel bij ons. Eens werd Conrad
ziek bij ons aan huis en omdat mijn
[14:]
stiefmoeder het
zoo druk had met de kleintjes, paste ik hem op. 't Was zoo'n aardige
jongen," ging zij als in zich zelf pratende voort en een paar allerliefste
kuiltjes werden zichtbaar bij het schalksche glimlachje, dat nu om haar
lippen speelde.
"Wat lacht ze dikwijls, zij is zoo ongenaakbaar niet als ik eerst
meende," dacht het ambtenaartje.
Mevrouw van Diteren zag haar aan, en er lag iets zeer bezorgds in haar
blik, maar zij zeide niets op deze lofspraak.
"Later gingen zij naar kostschool. Papa werd naar Leeuwarden overgeplaatst;
we verloren mekaar uit het oog; ze zijn naar Indië teruggekeerd
na een jaar of wat en we hoorden niets meer van de Gérans, totdat
Papa het vorige jaar stierf. Mama schreef hem en er kwam een brief terug,
waarin de vader mij uit naam van zijn zoon ten huwelijk vroeg."
"En heeft u dadelijk ja gezegd?" vroeg mevrouw van Diteren
op verschrikten toon.
"Neen, niet dadelijk, maar we waren zoo arm. Ik heb acht stiefbroertjes
en zusjes, de oudste is twaalf jaar; gelukkig heeft mama rijke familie
en die wilden haar wel ondersteunen. Ik moest natuurlijk in betrekking,
maar ik had geen enkel examen gedaan, ik heb altijd moeten werken in
't huishouden," voegde zij er treurig bij, "en ik wilde mama,
met wie ik toch niet erg harmonieerde, niet langer tot last zijn. Ik
begrijp eigenlijk niet, waarom ik u dat alles vertel, mevrouw, 't zal
u niets kunnen schelen, maar misschien geeft het u wat afleiding en
ik vind het zoo prettig dat u Conrad of liever zijn familie kent."
"Ze zijn heel rijk."
"Maar daarom zou ik niet met hem getrouwd zijn, als ik niet van
hem hield. Ik vond het zoo aardig dat hij nog aan mij dacht."
"Hoe oud was u toen u hem oppaste?"
"Hij was twaalf en ik tien, maar hij heeft nog hetzelfde gezicht,
wilt u eens kijken?"
En een medaillon voor den dag halend toonde zij een knap, donker, eenigszins
stuursch gelaat.
"Ja, dat is het echte Géran gezicht" was alles, wat
mevrouw van Diteren zich liet ontvallen.
[15:]
"lk heb moeite
gehad mij te decideeren, ik zag er tegen op reeds dadelijk te trouwen.
Ik wilde wel naar Indië gaan om eerst de kennis te hernieuwen maar
dat stond mijn oom niet toe."
"En uw man?"
"Hij nog minder; ik heb zulke lieve brieven van hem."
"O zoo!"
't Scheen of er een last van haar weggenomen was, zoo verruimd klonk
dat eene woordje.
"En toen heb ik er maar toe besloten. In Holland had ik na Papa's
dood niets, wat mij boeide."
"Uw broers en zusjes ook niet?"
"Och jawel, ik mocht ze graag, maar wat niet eigen is wordt niet
eigen."
"Nu me. . . ik zal maar Hermine zeggen niet waar, ik hoop dat u
recht eigen wordt met de familie Géran. Ze zijn heel goed, heb
ik altijd hooren zeggen, alleen maar een beetje eigenaardig in sommige
opzichten."
"Dat vind ik juist prettig, ik houd niet van al te gewone menschen,
maar ik ben blij, dat ik kennis met u heb gemaakt, lieve mevrouw, we
zijn beiden zoo alleen. . ."
Zij zweeg en bedacht zich wellicht, hoe heel anders dat alleen zijn
van haar was; zij liet niets achter en ging alles tegemoet, terwijl
de arme moeder veel had verlaten en niets meer wachtte.
Deze gedachte scheen haar echter weer nieuwe tranen te kosten en Hermine
de Géran begon haar te troosten of liever haar gedachten een
andere richting te geven.
"Hoe oud is uw oudste, mevrouw?"
"Tien jaar en de jongste zes."
"O foei," had zij haast verontwaardigd uitgeroepen.
"Dat komt er van als men met een Hollander trouwt," zeide
de andere, als had zij het onderdrukte woord werkelijk gehoord.
"Zijn ze op een pensionaat?"
"Neen, bij mijn schoonzusters."
En er vielen nieuwe tranen, die zeker geen gunstige getuigenis aflegden
voor het vertrouwen dat mevrouw van Diteren in de familie van haar man
stelde.
"Maar was u dan niet liever in Holland gebleven?" vroeg de
jonge mevrouw.
[16:]
"Wel zekers
maar mijn man wilde het niet en daardoor moest ik mee."
"En al uw kinderen achterlaten?"
"Ze moesten toch leeren."
Eindelijk bemerkte van Diteren dat zijn vrouw nog op het dek was gebleven
en tot zijn nog grootere verwondering zag hij haar in druk en zelfs
vertrouwelijk gesprek met de jonge dame, die zoo de algemeene belangstelling
had opgewekt.
Hij naderde het tweetal en zeide tot Hermine:
"Mevrouw de Géran de Saint-Paul, niet waar?"
"Ja mijnheer," en zij boog even het hoofd.
"Mijn man!" fluisterde mevrouw tusschen twee snikken.
"O zoo!"
De tegenwoordigheid van hem, die zijn vrouw zoo gewelddadig scheidde
van haar lievelingen, scheen haar niet erg te bevallen; zij wendde het
trotsche kopje ten minste onmiddellijk van hem af.
"Ik heb het genoegen uw naaste familie te kennen. .; maar vrouw,
schei toch eens uit met dat gegrien, voor de juf. . . ik bedoel voor
mevrouw, die toch ook een zwaar afscheid genomen heeft, is dat alles
behalve opwekkend."
"Ik heb geen zwaar afscheid genomen," sprak Hermine koel.
"Mijn vrouw is wat zenuwachtig, ziet u! Zij kan zich niet boven
haar verdriet verheffen, maar waar de noodzakelijkheid spreekt, daar
moet toch alles voor zwijgen, vindt u niet?"
Hermine perste haar lippen samen als om niet alles te zeggen, wat zij
dacht.
Maar de heer van Diteren had er behoefte aan, dat iemand hem gelijk
gaf tegenover zijn vrouw en sloeg op 't zelfde aambeeld voort.
"Er zijn geen kinderen, die het zoo goed kunnen hebben als zij:
mijn zusters zijn gek op hen, ze zullen hun een door en door Hollandsche
opvoeding geven; al het Indische, dat zij door hun geboorte en eerste
opvoeding mochten hebben overgehouden zal er af gaan, daarbij zijn ze
op een uitstekende school; het zal hun aan niets ontbreken."
[17:]
"Behalve aan
hun moeder!" kon Hermine zich niet weerhouden te zeggen.
"Zij hebben nu zes moeders in stede van een," sprak de heer
van Diteren afgemeten in het volle bewustzijn van iets zeer indrukwekkends
te zeggen.
"Zes," herhaalde de jonge mevrouw en dacht: "Zes stiefmoeders
en ik, die er aan een meer dan genoeg had."
"Ja zes, die niets te doen hebben dan alle gangen mijner lievelingen
nauwlettend te volgen, die met de teederste liefde voor hen bezield
zijn en zich allen verheugen mogen in een buitengewone ontwikkeling,
elk op haar eigen gebied: eene is zelfs schrijfster. Waarschijnlijk
kent u ze wel van reputatie; zij schrijft onder den naam van Fedora."
"Zij houdt immers ook lezingen over de vrouwenquaestie?"
"Ja, en zij zal de kleine Non geheel naar haar beginselen opvoeden."
"O zoo, dus worden die theorieën van haar eerst op uw dochtertje
als op een proefkonijntje geprobeerd?"
De heer van Diteren zag dat aanmatigende ding eens flink aan: spotlust
flikkerde in haar oogen en een ondeugend lachje plooide haar mond.
"Als u opvoeden probeeren noemen wil, ja!"
"Zoo de proef dan maar goed uitvalt!"
"Waarom zou ze niet goed uitvallen, als de theorieën goed
zijn?"
"Omdat er een groot verschil is tusschen theorie en praktijk."
"U heeft veel ondervinding schijnt het, mevrouw!"
"Van kinderen, ja mijnheer, ik heb ook wel eens theorieën
willen toepassen, en kwam er gewoonlijk slecht af."
"Maar mijn zuster wil u toch niet op een lijn plaatsen. . ."
"Met mijzelf? O neen mijnheer Ze heeft het voorrecht een menschenleven
ouder te zijn dan ik. Ik heb haar hooren lezen."
De lange, hoekige vrouw met de scherpe stem en de overdreven eischen
van gelijke rechten voor man en vrouw, met de bittere grieven tegen
alles wat man was, en de sombere levensbeschouwing kwam haar duidelijk
voor den geest.
[18:]
"Dora is zoo
streng," zuchtte het arme moedertje, "en zij luisteren allen
naar haar."
"Niet zoo streng," en een onaangename trek kwam op mijnheer
van Diteren's gelaat, "als uw aanstaande schoonzuster mevrouw de
Géran, die alles bij uw schoonpapa aan huis bereddert. Zij heeft
er den naam van over heel Java. U zal er een ongemakkelijke zus aan
hebben."
"Zij glimlachte en sprak uit de hoogte:
"O dat is minder, ik trouw geen schoonzuster, en zal er wel voor
oppassen, dat mijn man en ik onder haar bevelen komen."
"Ei, ei, wil u dat, nu dat is een kloek besluit! Zeg vrouw, zullen
we niet eens kijken, hoe 't er in de hut uitziet? Straks wordt je weer
zeeziek en ligt voor dood. Tot genoegen, dapper mevrouwtje van anderhalf
dag!"
"Wat een onaangename man! Foei, daar zal ik voor zorgen, dat mijn
Coen zoo niet wordt," zeide Hermine bij zich zelf.
"Mevrouw, mag ik me aan u voorstellen? Simons, ambtenaar ter beschikking
maar hier is mijn kaartje. . ." zoo stotterde haar jeugdige bewondenaar,
die 't eindelijk van zijn hart kon verkrijgen haar te naderen.
"O zoo mijnheer! 't Spijt me wel, dat ik nu juist naar beneden
ga, maar de reis is nog zoo lang, we hebben al den tijd tot kennismaking."
En 't kaartje als gedachteloos toevouwend, gaf zij hem een genadig knikje
en verwijderde zich met de houding eener koningin, die van daag geen
audiëntie verkiest te geven.
"Verduiveld," zei de kapitein, die de beweging had aangezien
uit de verte, "ze weet reeds goed als koffieprinses op te treden,
maar wat ben je toch ook haastig Simons, heb je geen geduld te wachten,
tot van Diteren of ik je aan haar voorstellen! 't Geeft toch niets meer.
Zij is getrouwd!"