[5:] I.
De stoomboot "Menado"
had zoo juist de Rietlanden verlaten voor haar grooten overzeeschen
tocht; de schutterij muziek had het "Wien Neerlandsch bloed"
doen hooren en er was met zakdoeken gewuifd, nat van tranen, de kolonialen
hieven een herhaald "Hoera!" aan en het groote schip schoof
langzaam en statig voorbij de groetende en schreiende menschengroepen,
die op den steiger zoolang zij konden bekende gezichten naóógden
als om elk hunner trekken beter in den geest te prenten.
Zoolang mogelijk bleven ook de passagiers over de verschansing gebogen.
Was Amsterdam nog in zicht, dan scheen de reis niet begonnen; als men
vergeten kon zich op een zeekasteel van 3000 tonnenmaat te bevinden,
zou men bijna gelooven, eenvoudig terug te keeren van een uitstapje
op een havenboot naar Zeeburg.
Het was dezelfde Handelskade met de witte koppen van haar duc d'alven,
dezelfde schepen met hun verschillende vlaggen, dezelfde rij donkere
pakhuizen met oude gevels of nieuwe rozige gebouwen, diepe kijkjes gunnend
langs schilderachtige grachten, de zwart berookte torens van Montalban,
der Oude-, Zuider- en Westerkerk; dieper in de Koepel van het Dampaleis,
naast de slanke spits der Nieuwe kerk, de ronde, grauwe Schreierstoren.
de houten loods, die toen der tijde het Centraalstation verbeeldde,
en verder huizen en niets dan huizen, waar ten minste geen schepen lagen
en over alles een scherpe Aprilzon, geestig en grillig langs een geveltje
strijkende, een binnenwatertje doende glimmen, een rood dak gloeien,
het glazen dak van het Volksvlijtpaleis deed schitteren in zilverglans,
een partij hoornen voorbij gaande en ze aldus in schemer
[6:]
donker doezelend,
de witte kozijnen der ramen schel latende schreeuwen tegen den somberen
achtergrond, diamanten tooverend in de keizerskroon op den Westertoren,
en het sappig groene water van het IJ nu en dan aan het flonkeren en
flikkeren makend, als bestond het uit louter spattende, vurige vonken.
Een laatsten blik wierpen de reizigers op de stad, reeds vóór
een tweetal eeuwen bezongen, als de "keizerin van Euroop",
en bedachten hoeveel liefs ze in die muren achterlieten, liefs dat eenigen
dierbare vrienden, hartelijke verwanten noemden, terwijl anderen daaronder
niets meer verstonden dan roekeloos weggeworpen geld, guldens, waarmede
men slechts wroeging en spijt tegen een kort vervlogen genot had geruild.
Voor anderen weer was de stad niets meer dan een laatste herinnering
aan het geliefde land, dat in zijn diepsten schoot geliefde wezens,
een onvergetelijk tehuis verborg, dat men nu verlaten moest, gehoorzamend
aan de onverbiddelijke wet der noodzakelijkheid, met slechts een flauwe
hoop op wederzien.
Al die gedachten, welke de heengaanden vervullen bij het scheiden van
Amsterdam, openbaren zich bij de vrouwen in luide snikken en zelfs zenuwtoevallen,
bij de mannen in doodelijke bleekheid, in herhaald bijten op knevels
of lippen, of wel in vroolijke zetten en wanhopende pogingen om altijd,
zelfs in zulke hoogst ernstige oogenblikken, grappig te blijven, bij
de kolonialen in meer of minder vluchtige aanrakingen van den mond met
de veldflesschen aan hunne zijde. Zoo zocht ieder zijn troost, de een
in grappen, de ander in tranen, enkelen in jenever, maar niemand was
op zijn gemak. Met het wegnemen der loopplank scheen iets uit hun leven
afgesneden, een stukje verleden had afgedaan, een nieuwe toekomst brak
aan, terwijl de stad haar dagelijksch leven voortzette; slechts zeer
weinigen bekommerden zich om het kleine gedeelte harer inwoners, die
zich van haar afgescheiden hadden. De Kalverstraat zou er 's middags
niet minder druk om zijn, daar het mevrouw Die en Die onmogelijk was
haar asphalt meer te betrekken, in de Beurs zou het rumoer geen toontje
lager dalen, omdat een zijner trouwe bezoekers er geruïneerd was
en nu zijn geluk in Indië ging beproeven,
[7:]
de "Jan"
in Kras of het Poolsche koffiehuis zou met dezelfde stem en hetzelfde
buitenlandsche accent zijn "Asjeblieft meneer" op elke bestelling
antwoorden, en misschien een enkele weemoedige gedachte wijden aan den
royalen Indischen officier, die nooit kleingeld van hem terug wilde
ontvangen en die nu nimmermeer daar op zijn gewoon plaatsje zitten zou.
En 't zou op den gewonen tijd avond worden, de gaslichten werden aangestoken,
de komedies raakten in vollen gang, op de planken werd weer gezucht,
gevloekt, gelachen, geweend, gedanst, in de zaal geapplaudisseerd en
gebisseerd en niemand miste de bezoekers van gisteren, die op de zilten
baren overwogen, hoe dat Holland toch zoo kwaad niet was, vooral als
men goed geld op zak had en niet voor die eeuwige schulden bevreesd
moest zijn, dat Indië toch eigenlijk erg tegenviel, en tot troost
der aanstaande baren [Nieuwelingen in Indië.], waarmee men zoo
pas kennis had gemaakt, werd gezegd, dat niemand zijn land verlaten
moest, die het niet volstrekt noodig had, dat in de Oost het geld ook
maar niet zoo op straat te vinden was, dat er hard gewerkt moest worden,
en meer van dergelijke aanmoedigende liefelijkheden.
Eindelijk varen de laatste uitloopers der geliefde stad voorbij, de
een na den ander verliet de verschansing; sommigen met een zucht, anderen
met een laatste afdrogende beweging van neus en oogen, allen met het
vaste voornemen zich er in te schikken en de vijf weken reis, die voor
hen lagen zoo aangenaam mogelijk door te brengen.
Er waaide een frissche bries en men maakte hier en daar de opmerking
dat het koel begon te worden op het dek, eenigen zochten den salon op,
anderen trachtten ten het gezelschap te verkennen en begonnen uit te
rekenen dat er nog verscheidene ontbraken, die in Marseille of Napels
zouden embarkeeren.
Een was er, die onbewegelijk en steeds in dezelfde houding bij de verschansing
bleef staan; het was een zeer jong meisje, niemand had haar weggebracht,
niemand haar zien aankomen, want zij scheen aan boord te hebben geslapen.
Zij was de eenige, die niet gewuifd
[8:]
of geschreid had
bij de afvaart; onverschillig als ging het haar niet aan zag zij de
toebereidselen tot het vertrek eindelijk het eenigszins plechtige oogenblik
zelf; zij verroerde zich niet zoolang het schip langs Amsterdam voer,
maar hield het oog onafgebroken op de kust gevestigd; nu had zij zich
omgekeerd en overzag met rustigen blik de groepjes passagiers, zonder
in het minst te vermoeden, dat iemand haar eenige belangstelling waardig
keurde.
En toch trok zij algemeen de aandacht; van de passagiers, die niet tot
de rubriek kinderen behoorden, was zij ontegenzeggelijk de jongste en
wist daarenboven het voordeel van jong te zijn ten volle recht te doen
wedervaren.
Men kon er over twisten of ze bepaald schoon was, maar frisch en mooi
kwam zij ieder der passagiers op dien Aprilmorgen voor, zooals zij daar
stond met den eenen arm op het hek geleund, met de andere hand de dikke
plooien van haar granaatrooden doek op haar schouders verdedigend tegen
de vinnige aanvallen van den wind.
Verrassend wit kwamen haar kin en hals uit tegen die warme, roode kleur,
en de zon gaf een weerglans van blinkend koper aan haar dik, eenvoudig
opgestoken blond haar, maar vooral trof de fijne teekening harer donkere
wenkbrauwen, zich welvend over oogen van die zeldzame viooltjesblauwe
kleur, welke in de schaduw gitzwart lijken maar zoodra zij beginnen
te vonkelen saphieren schijnen.
"Een kranige meid," zei een der officieren tot zijn buurman,
een piepjong ambtenaartje ter beschikking.
"Weet u niet, wie zij is?"
"Neen."
"En ook niet onder wiens geleide zij meegaat?"
"Nog minder, interesseert zij je reeds?"
"En zou ze niet, zij de eenige bloem aan boord?"
"Die naar Indië gaat om een plukker te vinden; zeker een gouvernante
of onderwijzeres."
"Maar dat ware toch zonde!"
"Zij doet stellig een domme streek."
"Hoe weet u dat zonder haar te kennen?"
"Ze is een blondine en blondine's deugen niet in de
[9:]
Oost. Zij worden
na een jaar of wat bleek, vaal, flets, die een mooie blonde vrouw meeneemt
naar Indië, merkt spoedig dat hij bekocht is."
De jonge ambtenaar keek als onwillekeurig naar het kleine zwarte meisje,
dat aan de knie stond van den kapitein en dacht, dat mevrouw diens echtgenoote
zeker voorzichtigheidshalve geheel het tegenovergestelde moest zijn
van een blondine.
"En toch geloof ik, kapitein," sprak een ander heer naderbij
komend, "dat zulk soort van blondine's als die jonge dame daar,
tegen alle atmosferische invloeden bestand is, zelfs tegen een tropische
zon."
"Denkt u, mijnheer! Enfin, u is leeraar in natuurkunde en weet
het misschien beter, maar ik geloof het nog niet."
"Weet u wie ze is?" vroeg het gebrilde ambtenaartje met klimmende
nieuwsgierigheid.
"Nog niet, maar het is wel aan de weet te komen. Ha dokter,"
en hij riep den scheepsarts, die met de handen achter op den rug heen
en weer ging, naderbij, "wie is de jonge juffrouw, die daar zoo
pas is gaan zitten?"
Inderdaad had zij zich op een mailstoel neergezet en leunde achterover
met een ernstige uitdrukking, die alleen in haar oogen te zien was,
want zij had haar doek over het fraai geteekende, vastberadenheid verradende
mond geschoven,
"Een jonge juffrouw, dat is ze niet meer, 't is mevrouw de Géran,
die onder bescherming van den kommandant naar Indië vertrekt."
"Getrouwd!" riep de ambtenaar met veel beteekenende teleurstelling
in zijn klagend stemmetje.
"Met den handschoen zeker!"
"Dat denk ik wel."
"Géran, Géran! zijn dat niet die schatrijke koffielords
van Midden-Java?"
"Ik geloof, dat zij tot Samarang meegaat."
"En hoe hebben ze haar in 't net gekregen?"
"Vraag 't haar zelf, als het je interesseert. 't Is zonde zoo'n
prachtig schepsel in die binnenlanden te begraven."
"Vind je ze mooi; niets aan, hoor! Een bleekneusje."
"Nu ja? de aandoening van het oogenblik."
[10:]
"Wat je haar
opgenomen hebt!"
"Géran, is dat niet een ongemakkelijke oude heer van fransche
afkomst?"
Een derde had zich bij de groep gevoegd, een koopman, die zijn vrouw
uit Europa had gehaald, waar zij eenige jaren voor de opvoeding der
kinderen had doorgebracht.
"Mijnheer van Diteren."
"Kapitein Brant."
Wel dat doet me genoegen!"
Er werd voorgesteld, kennis gemaakt, men drukte handjes en zette toen
het gesprek voort.
"We spraken over die jonge dame, mevrouw de Géran."
"Géran de Saint-Paul, zoo heet de volle naam, ach kom, is
dat weer een nieuwe plant, die de kolonie moet uitbreiden."
De beeldspraak was alles behalve nauwkeurig.
"Welke kolonie?"
"Wel, weet u dan niet dat de Gérans de koffiekoningen van
Midden-Java zijn, dat die oude heer familie heeft, zoo groot dat ze
haast niet te overzien is, en dat hij al zijn kinderen of ten minste
bijna allen uitgehuwelijkt en op zijn uitgestrekte landen geplaatst
heeft. Nu zal deze jonge dame wel een vrouw zijn voor een van de jongens.
Hoe is hij er aan gekomen? Ze zeggen zelfs dat hij uitgebreide advertentiën
plaatst voor schoonzoons en schoondochters."
"Die natuurlijk bij de vleet te krijgen zijn."
"'t Is anders zoo'n benijdenswaardig baantje niet lid van de familie
de Géran te worden. De oude heer is de zoon van een generaal
van Napoleon die indertijd na Waterloo den franschen dienst verlaten
heeft en als koloniaal naar Indië vertrok; hij heeft er fortuin
gemaakt en zijn zoon nog meer. Het militaire zit hem nog in 't bloed,
er valt met hem niet te spelen; de volwassen zoons beven voor zijn oogen,
niemand durft hem aan dan zijn oudste dochter, die moet nog een graadje
erger zijn dan papa, een bataillons-kommandant, mijnheer, zooals onze
kapitein het stellig nooit worden zal. Die twee kommahdeeren het regiment."
"En is er geen vrouw aan huis?"
[11:]
"Ik geloof
dat er drie geweest zijn, maar je kunt begrijpen, dat de stiefmoedertjes
haar pret ook op konden met een dochter als de oudste juffrouw de Géran."
"En zou dit meisje weten, wat zij tegemoet gaat?"
"Best mogelijk heeft zij nooit haar aanstaanden man gezien."
"Maar dat zou toch vreeselijk wezen en schandelijk!"
"Schandelijk?"
"Wel zeker noem ik dat schandelijk, zich voor altijd te verbinden
aan een man, dien men niet kent."
"En die misschien niet eens weet dat hij getrouwd is."
"Des te erger, maar ik kan 't van haar niet gelooven."
"Zoo, en waarom niet?"
"Zij ziet er niet naar uit."
De anderen barstten in een spotlach uit om den toon van volle overtuiging,
waarmee de naïve ambtenaar deze woorden uitsprak.
De kapitein en de koopman wisselden een paar woorden in het Maleisch
met elkaar en gingen een eindje verder; de dokter slenterde weer heen
en het jongmensch kon zijn oogen niet afhouden van het mooie altijd
even onbewegelijke meisje.