XVIII.
Ik geloof niet dat ik haar eenigen dwang mag opleggen. In zulke gevallen
moet een vrouw of een meisje voor zichzelf oordeelen. Natuurlijk is
't in vele opzichten een groote teleurstelling maar...."
"O zij sprak veel te haastig," zei mevrouw Van Wameldinge
die er verdrietig en bezorgd uitzag, "ik geloof niet dat zij 't
ernstig meent. Als zij zich den tijd gunt kalm over alles na te denken
dan hoop ik
"
"Ik geloof," viel haar man haar in de rede, "dat hoe
kalmer zij er over nadenkt, des te vaster haar besluit zal zijn."
Toen zwegen beiden.
Dit gesprek had plaats vlak voor 't diner op den dag, die bijna zoo'n
ontzettende ramp had gebracht in de familie Van Wameldinge. Valérie
zond een boodschap dat zij zich niet wel voelde en niet aan tafel kwam.
Mark was nog bezig zich te verkleeden en de oude Douairière kwam
binnen, geheel onder den indruk van het voorgevallene, dat zij zoo pas
in kleuren en geuren van Lucie had vernomen.
"Zoo'n soort man zal altijd het eerst aan zichzelf denken,"
zeide zij. "Hij heeft zijn heele leven blijkbaar niets anders gedaan.
Hij wilde hebben dat Valérie met hem mee sprong en de wagen met
u allen in stukken was geslagen, zonder dat iemand hem kon besturen."
[162:]
"'t Schijnt zoo," antwoordde de baron, "eerst dacht
ik, dat hij Valérie ook in den steek had willen laten, maar zij
zegt dat hij haar beval hem vast te houden. Als zij niet volgens haar
eigen oordeel had gehandeld, geloof ik niet dat een van ons het er levend
had afgebracht. Misschien behoorde dat tot Norbert's plannen."
"Foei man! je moet zulke leelijke woorden niet zeggen," vermaande
mevrouw, die heen en weer geslingerd werd tusschen haar schrik over
hetgeen had kunnen gebeuren en haar teleurstelling over het verbreken
van Valérie's engagement, dat haar met zooveel onvermengde vreugde
had vervuld.
"Dat moest ik ook niet. Een man als De Rooze, die altijd tusschen
zwervers heeft geleefd en geen nauwe familiebanden kent, bekommert zich
alleen om zijn eigen leven. Wij hadden vroeger reeds zoo iets gehoord,
dat het in zijn karakter lag. Maar Valérie moet weten wat zij
doet. Als zij voelt dat zij over dezen karaktertrek van hem niet heen
kan, dan is 't het beste, dat zij bijtijds haar verloving afbreekt.
Wanneer haar vertrouwen in hem geschokt is, dan zal zij nooit gelukkig
met hem worden."
"Maar 't was in alle opzichten zoo'n goede partij, en hij is zoo
doodelijk van haar. Moeder, gelooft u niet dat Theodoor te hard is "
"Lieve kind!" antwoordde de oude dame, "ik geloof niet
dat een vader verstandig handelt, die in zulke gevallen zijn dochter
beïnvloedt. En als je het mij vraagt dan vrees ik dat die twee
niet goed bij elkander passen."
"En hij houdt zooveel van haar."
"Voor het oogenblik ja
"
"Moeder, u heeft mij nooit uw opinie over Norbert gezegd."
"Je hebt er mij nooit naar gevraagd Maria, en ik geloof ook niet
dat ik mij vóór de laatste veertien
[163:]
dagen een meening aangaande hem had gevormd. Ik denk dat hij iemand
is, die veel succes in de wereld zal hebben, maar ik geloof niet dat
hij de man is om een vrouw gelukkig te maken, en ik verbeeld mij dat
ook Valérie het reeds heeft vermoed vóórdat het
geval van vandaag den doorslag gaf aan haar gevoelens."
"Ik dacht dat zij ook heel veel van hem hield. Zij schenen zoo
bij elkander te hooren, hij zoo krachtig en heerschzuchtig, zij zoo
zacht met zoo'n behoefte om op iemand te steunen."
"Ja, en hij heeft haar zeker betooverd en verblind. Haar verbeelding
was door hem gevangen, zij zag dat ieder hem bewonderde en haar benijdde.
Geen wonder dat zij de stem van haar eigen hart niet verstond. De meeste
meisjes zouden in haar plaats zoo gevoeld hebben, Lucie misschien niet,
maar Valérie en Clothilde als de anderen. 't Was niet anders
te verwachten."
Mevrouw Van Wameldinge zuchtte diep.
"Natuurlijk, als 't niet anders kan dan moet het. Ik verlang natuurlijk
in de eerste plaats haar geluk, maar 't is zoo jammer! Nooit misschien
biedt zich weer zoo'n partij aan."
"Kom, kom!" troostte de grootmoeder, "zij is nog zoo
jong, en ik geloof dat zij veel gelukkiger zal zijn in eenvoudiger omgeving.
Een goede, liefhebbende man, een bescheiden huis met genoeg weelde om
zich niet te bekrimpen, en zij zal gelukkiger zijn dan in zoo'n wereldsche,
al te weelderige inrichting. Zij heeft behoefte om liefde te geven en
te ontvangen, niet om als groote dame te schitteren. Haast je niet haar
uit te huwelijken! Laat haar eerst rustig bekomen van dezen, hevigen
schok, want zij is wreed ontgoocheld. Geef haar tijd om rond te zien
en te kiezen. Dat is mijn raad!"
"Ja moeder, u heeft gelijk,'" zeide de heer Van
[164:]
Wameldinge, "wij moeten haar tijd geven; als zij maar niet te
ver gaat en alle mannen in 't vervolg aanziet voor lafaards of egoïsten."
De oude vrouw glimlachte en antwoordde:
"Zoo ver zal zij niet gaan. Als zij maar ziet naar haar eigen broer
Mark."
"O, die arme Mark," en het gelaat van den vader lichtte op,
"hij heeft vandaag zoo veel gedaan om het verleden goed te maken.
Als ik mij maar los kon maken van die ellendige verdenking..."
"O foei Theodoor! Hoe kun je in ernst daaraan denken. Mark die
munten gestolen..."
"Wat moet ik anders denken? Hij wil er niet over praten en geeft
bijna toe dat hij er meer van weet. En dan dat geheimzinnige geld! Niemand
weet waar het vandaan komt. 't Scheen hem zoo weinig plezier te doen.
Na dien tijd is hij veel veranderd. Het hindert mij vreeselijk. Ik had
zoo gehoopt dat hij mij alles oprecht zou hebben bekend. Ik zou niet
hard tegen hem geweest zijn. Soms heb ik een gevoel of wij altijd onrechtvaardig
tegen hem waren."
"Maar als De Rooze hem dat geld gaf!" zeide mevrouw.
"Norbert? Wie vertelt dat?"
"Wel Valérie zegt dat zij er zeker van is. Ik geloof niet
dat hij 't rechtstreeks bekend, maar ook niet ontkend heeft tegen haar."
"Dat is ellendig als het engagement verbroken wordt," en de
baron fronste streng zijn wenkbrauwen.
"Ik zou het vroeger niet aangenaam hebben gevonden, maar nu
"
"Je hoeft niet bang te zijn," sprak de grootmoeder,"dat
hij een cent van het geld zal aanraken als het van Norbert de Rooze
komt."
"Gelooft u dat hij niet van Norbert houdt? Ik dacht dat ze nog
al goede vrienden waren."
"Ik denk dat Mark eerst zal willen weten of
[165:]
Rooze's fortuin met schoone handen is verzameld vóór
hijzelf 't aanraakt.
Maar zij konden niets meer zeggen, Norbert, Mark en de twee meisjes
kwamen binnen; het was voor De Rooze zeker een moeilijk oogenblik; maar
hij hield zich bijzonder goed. Dadelijk ging hij naar mevrouw Van Wameldinge
en zeide:
"'t Spijt me dat het gebeurd is en ik heb in vele opzichten schuld,
maar u zal toch hoop ik niet te hard over mij denken, omdat mijn eerste
gedachte Valérie gold en ik geloofde slechts één
te kunnen redden."
De heer Van Wameldinge had de leuke opmerking op de lippen dat Norbert
meende er twée te kunnen redden, maar hij zeide niets; men zette
zich aan tafel en sprak over onverschillige dingen en eerst toen allen
opgestaan waren riep de vader Norbert apart en een klein pakje uit zijn
vestjeszak halend, gaf het hem met de woorden:
"Ik wij uw gevoelens niet kwetsen De Rooze, maar Valérie
verzocht mij u uw ring terug te geven. De andere cadeaux volgen later.
't Lijkt niet erg dankbaar, maar zij scheen er niet op gesteld te zijn
dat je alleen aan haar dacht in dat oogenblik. Enfin! Dat moet je met
háar afmaken. Ik kom er niet tusschen."
Norbert werd doodsbleek; de slag trof hem zoo onverwacht. Hij nam het
pakje niet aan en zeide met bevende stem:
"Morgen zal Valérie wel anders denken. Ik kan zulk een beslissing
onder den indruk van het oogenblik genomen, niet als ernstig beschouwen.
Ik zal haar van avond of morgen zelf spreken.
"Als zij het wenscht," antwoordde de vader kalm.
Norbert beet zich op de lippen; hij scheen dieper getroffen dan de baron
had gedacht, en hij had met hem te doen. Hij zeide dus hartelijker:
"'t Is een gevaarlijk ding De Rooze, de held van
[166:]
een jong meisje te zijn. Zij verwacht dat je haar ideaal in alle opzichten
waardig zult zijn."
"Ik deed mijn best zooveel ik kon en ik dacht dat zij het zou erkennen."
"Zij schijnt meer te voelen voor Marks manier van doen. Natuurlijk
begrijp ik je beter dan dat meisje. Zij is zóó de eerste
bij u, dat ge al het andere om haar vergat. Maar bij haar rekenen ouders,
broer en zuster heel veel; zelfs tegen een galant wegen zij op. Liever
waagde zij haar eigen leven om het onze te redden, dan met u er uit
te springen en ons over te laten aan een bijna zekeren dood."
Norbert zeide niets meer; hij voelde dat hij een leelijke fout had begaan
en had er ontzettend spijt van. Zoo goed als Mark den wagen veilig den
heuvel af had gestuurd, had hij 't ook kunnen doen en dan zou men hem
met roem overdekt hebben. Nu scheen hij een lafaard of ten minste iemand,
die voor alles aan zichzelf dacht en de anderen zonder wroeging aan
hun vreeselijk lot wilde overlaten.
"Ik moet Valérie spreken," zeide hij met gemaakte koelheid,
"haar zal ik alles voldoende uitleggen."
De baron ging haar roepen en zij antwoordde:
"Als het moet zal ik hem spreken, maar niet alleen; u moet er bij
zijn en Lucie liefst ook. Wij hebben alle cadeaux en brieven bij elkander
gezocht en wij kunnen hem die zenden. Ik geef ze hem liever niet persoonlijk.
Eenmaal wil ik hem nog zien maar dan ook nooit meer."
"Kind! Ben je zeker van je zelf? Handel je niet te haastig? Zal
het je geen spijt geven, zonder voldoende redenen je toekomst bedorven
te hebben? Wij dachten allen dat je zooveel van hem hield."
"Ik dacht het ook. Ik bewonderde hem zoo en dacht, dat ik eens
heel veel van hem zou houden. In 't begin scheen het ook wel - toen
was ik heel gelukkig, maar het duurde niet lang. Ik kan het niet
[167:]
verdragen dat hij mij zoo medelijdend uitlacht, als ik iets over hem
zeg en dan belooft het niet meer te doen - precies of ik nog een kind
ben. En dan dat arme paard - en nog zoovele andere dingen - ik kan niet
alles zeggen, wat mij zoo in hem tegenstaat. Agatha zei mij dat ik moest
toezien en bidden - dan zou er wel iets tusschen komen als hij niet
voor mij bestemd was, en nu is 't er, en ik vind het een groote verlichting."
"Zij is vast besloten," dacht de heer Van Wameldinge en geleidde
zijn dochter naar de kamer waar De Rooze haar wachtte. Lucie bevend
van aandoening, toorn en sympathie volgde achter hen. Valérie
hield haar hand vast; 't was of zij behoefte had aan steun in dit moeilijke
oogenblik haars levens. Norbert kwam haar tegemoet en zeide op onderworpen
toon.
"Ik wilde je spreken, Valérie."
Zij antwoordde met zachte stem en neergeslagen oogen.
"Ja, ik wilde u goeden dag zeggen en - vaarwel!"
"O neen, daarom vroeg ik niet naar je. Kom met mij mee naar de
voorkamer, die is leêg. Ik heb je dingen te zeggen voor je alleen."
"Alles wat je mij zeggen wil, mogen mijn vader en zuster hooren,"
zeide Valérie en zag hem recht in 't gezicht., "na hetgeen
er zoo even is gebeurd, kan ik je maar één woord toevoegen
- vaarwel!"
"Valérie!"
"'t Is uw eigen schuld, ik kan u niet meer liefhebben en vertrouwen."
"Ik zou je gered hebben Valérie, als je mij vertrouwd had.
Dat was mijn eerste gedachte."
"Ik denk dat uw eerste gedachte was u zelf te redden. Mark had
zich nog gemakkelijker kunnen redden als hij er van achter had willen
uitspringen, toen de riem pas afgebroken was en de vaart nog niet zoo
gevaarlijk scheen. Hij verkoos bij ons te blij
[168:]
ven om ons te redden of met ons te sterven. Dacht u, dat ik ooit gelukkig
had kunnen zijn als ik gespaard was en de anderen niet? Laten wij er
dus niet meer over spreken. Dag mijnheer De Rooze - wat u nu ook zegt,
u zal mij nooit doen vergeten wat u zooeven tegen mij zeide."
Hij stond tegenover haar, doodsbleek, zijn lippen tot bloedens bijtend;
hij was er niet de man naar zich te vernederen, maar het kostte hem
veel, afstand te moeten doen van zijn liefde en zijn toekomst en dan
om zulk een reden! Nog nooit had iemand getwijfeld aan zijn persoonlijken
moed.
"Vaarwel dan Valérie - als het zoo zijn moet," zeide
hij met verstikte stem, "moet dit nu het einde zijn van onzen mooien
droom? Ik had nooit gedacht dat je mij zóó zou behandelen.
Als je mij werkelijk had liefgehad, zou je mij beter begrijpen!"
"Ik geloof het niet," antwoordde zij kalm, "bijna had
ik gezegd, ik hoop het niet. Het kan ook zijn dat ik vroeger meer van
u hield. 't Is alles zoo veranderd. Ik kende u niet genoeg, maar zoo
is 't beter, 't spijt me dat ik u verdriet doe, maar u heeft mij ook
pijn gedaan. Alleen ben ik dankbaar dat ik bijtijds heb ingezien, hoe
slecht wij bij elkaar passen."
Hij knarste bijna op de tanden. O, waarom was het niet te laat, waren
zij maar getrouwd geweest dan zou zij in zijn macht zijn, dan had hij
haar wel gedwongen hem lief te hebben, maar nu was zij hem ontglipt
en hij zag haar na, terwijl zij met Lucie hand in hand uit de kamer
verdween. Zoo gleed zij weg uit zijn leven.
Hij wendde zich op bitsen toon tot den vader, die zwijgend het tooneel
had bijgewoond,
"U zal het mij ten goede houden dat ik dadelijk vertrek. Mijn tegenwoordigheid
is hier niet langer aangenaam, noch voormijzelf, noch voor u en de uwen."
Niemand weerhield hem; hij vertrok in zijn auto
[169:]
en Tilly en Lucie zagen van de bovenkamers uit, de lichten in de verte
verdwijnen.
"Hij is weg, hij is weg," juichte Tilly, "nu worden wij
weer gelukkig!"
"En wij hebben onze zuster terug," voegde Lucie er met schitterende
oogen dankbaar bij.