XVII.
Het werkte goed en bedarend op de onstuimige gemoederen, dat Norbert
voor twee dagen afwezig bleef.
Het gebeurde met het paard werd bijna niet besproken; 't was of ieder
er tegen opzag deze zaak
[150:]
aan te roeren. Valérie liep nadenkend en treurig rond, maar
aan haar dagelijkschen brief besteedde zij zoo veel tijd niet als anders.
Lucie sprak geen woord met haar over het geval; zij huiverde als zij
aan de wreede strafoefening dacht, op het arme, lieve paard.
Mark haalde zijn schouders op als zij met hem er over wilde spreken
en Tilly vroeg haar fluisterend:
"Vind je dat nu wel iets voor een held, een arm dier zoo te vermoorden,
alleen omdat het ongehoorzaam of bang is geweest ?"
's Morgens vóór dat Norbert terugkwam, zeide Valérie
tot haar zuster:
"Ik hoop Lucie dat je je best zult doen vriendelijk te zijn tegen
Norbert. 't Was zijn paard, hij was dus vrij het te straffen en dood
te schieten; het gaat niemand anders aan. Ik zal er hem eens ernstig
over spreken, ik heb alles goed overwogen maar 't is toch heel moeilijk."
De auto gaf echter een hoogst welkome afleiding bij Norberts komst.
Hij kwam daarin rijdend aan; hij had een chauffeur bij zich om het rijtuig
te besturen als hij er zelf geen lust toe gevoelde, en om het schoon
te houden.
't Scheen trouwens dat bij er reeds zeer veel handigheid in had; hij
deed het flink en sierlijk, zooals alles wat hij ondernam.
De gebeele bevolking van den omtrek interesseerde zich bijzonder voor
de nieuwe, nog niet te voren aanschouwde machine, die de gladde wegen
van het park en het bosch op en neer reed, de heuvels oprende en ze
bedaard ook weer afdaalde.
Het was in zijn soort een mooi wagentje, bestemd voor vier personen,
bebalve de bestuurder. Een passagier kon naast bem op den bok zitten,
de vier anderen zaten in bet bakje.
Lucie stelde veel belang in den auto en bij zich zelf maakte zij de
opmerking, dat zulk een levenloos
[151:]
voertuig veel beter voor Norbert geschikt was dan een voelend, levend
wezen.
Zij hoorden goed bij elkander, vond zij, beide zoo gevoelloos en onweerstaanbaar,
met zoo iets duivelachtigs in hun dolle, door niets te stuiten vaart.
Men werd alleen griezelig bij de gedachte dat men zich op hun weg kon
bevinden om dan zonder mededoogen door hen verpletterd te worden, zoo
als het paard, dat zij maar niet vergeten kon. 't Liefste liet Lucie
zich door Mark de ingewikkelde machinerie der automobiel uitleggen;
't scheen voor hem alles zoo duidelijk en eenvoudig wat haar zoo raadselachtig
toescheen, maar zij vond het prettig door hem zooveel te leeren over
de nieuwste uitvindingen.
Mark leerde haar ook den wagen te besturen, en Norbert, die alles deed
om bij de familie van zijn aanstaande vrouw weer in de gunst te komen,
liet de meisjes er mee uitrijden zoo dikwijls zij verkozen, 't zij dat
hij zelf chauffeerde of wel Mark, die 't even goed kende - Lucie vond
zelfs nog beter.
Valérie fluisterde Lucie toe dat zij er zeker van was dat Norbert
het geld voor Mark had gedeponeerd; hij had het wel niet ronduit bekend,
maar zij kon het genoeg aan zijn manier van doen zien, dus moest Lucie
ook zoo vriendelijk mogelijk tegen hem zijn en die paardengeschiedenis
maar vergeten, want zij waren hem allen dankbaarheid verschuldigd.
"Ik geloof niet dat Mark het graag heeft dat het geld van hem afkomstig
is," zeide Lucie een beetje scherp, "ik weet zelfs niet eens
of hij 't van hem zal aannemen."
"Hij zal het misschien nooit zeker weten; je moet er nog maar niet
over praten, want ik geloof het alleen maar; je kunt het zoo aan zijn
manieren merken. Als hij het niet gedaan had, zou hij het wel ronduit
zeggen."
Lucie hoopte dat het zoo niet was; zij vond het
[152:]
een onuitstaanbaar idee dat de familie zulk een groote verplichting
had aan De Rooze, en dat Mark zijn toekomst zou te danken hebben aan
diens geld, maar zooals Valérie zeide, hoe minder men er over
sprak hoe beter. Mark moest maar zelf weten hoe er mee te handelen.
Als hij 't weten wilde, kon hij het rechtstreeks aan Norbert vragen;
maar hij scheen daar geen plan op te hebben, allen waren nog te veel
vervuld van het nieuwe speelgoed, zooals baron Van Wameldinge den auto
schertsend noemde.
Het was de eerste machine die men in deze streek zag; geen wonder dus
dat de belangstelling algemeen was en dat er op Wameldinge veel bezoek
kwam, niet alleen voor de bewoners zelf maar ook voor het vreemdsoortige
voertuig, dat men graag in de puntjes wilde leeren kennen.
Niemand kwam op het Huis die het niet zien moest en er een tochtje mee
wilde maken. Eenigen vonden het prettig er mee te rtjden, anderen griezelig,
allen bewonderden echter de inrichting en de gemakkelijkheid om den
loop er van te besturen en te regelen.
De oude mevrouw Van Wameldinge maakte er ook één ritje
mede maar het beviel haar niet en zij verklaarde dat een ouderwetsch
mensch als zij niets stelde boven een gewone koets op zachte veeren,
getrokken door twee beproefde paarden. Mark bleef bij zijn bewering
dat deze machines nooit populair zouden worden en de gewone rijtuigen
geen gevaar liepen, door hen verdrongen te worden, zoolang men niet
een minder omslachtige manier had uitgevonden om ze in beweging te brengen.
De jonge chauffeur had den heelen dag werk om het voertuig in orde te
houden en de batterijen te vullen. Zoo gingen, dank den auto, de dagen
vreedzaam voorbij en niemand scheen meer te denken aan het mooie paard,
dat ten offer was gevallen aan de boosheid van zijn meester. Norbert
deed alles
[153:]
om den ongunstigen indruk uit te wisschen en Valérie scheen
ook weer kalm en gelukkig te zijn, hoewel zij met zorg vermeed in vertrouwelijk
gesprek met Lucie te geraken.
Ook over de munten werd geen nieuw licht verspreid; 't scheen of men
in deze dagen alles wat onaangenaam kon aandoen, opzettelijk vermeed;
was het misschien de stilte die den storm vooraf ging?
Op een buitenplaats, anderhalf uur van Wameldinge gelegen, zou een groot
feest, een garden party worden gegeven, waarop de familie uitgenoodigd
was.
"Laat ons met mijn kar er heen gaan," stelde Norbert voor,
"wij zullen er in een wipje zijn, dat is nu een nuttig doel voor
het nieuwe speelgoed. Ik zal wel sturen en Mark gaat mee om een handje
te helpen als iets niet in orde mocht zijn. Hij doet nog beter dienst
dan mijn chauffeur. 't Staat ook beter geen man van het vak er bij te
hebben. 't Is of je zelf niet sturen kunt. Wij zullen u heel gauw er
heen brengen, veel gauwer dan de paarden."
Allen stemden er gaarne in toe. Vader, moeder en Lucie zouden ook mee
gaan. Lucie was vooral geïnviteerd omdat zij zulk een uitstekende
tennisspeelster was en met Mark als vierde man was het bakje dus gevuld.
Valérie ging natuurlijk op den bok zitten, naast haar galant.
De automobiel maakte veel opgang bij de gasten op het buiten, toen de
familie zoo flink en kranig daarmede de oprijlaan doorreed; allen verzamelden
er zich om heen. Mark moest op en neer rijden en de helft van het gezelschap
wilde er een tochtje mee doen over de gladde wegen van den tuin.
De gastvrouw was zeer ingenomen met dit succes, dat haar geïnviteerden
zoo aangenaam bezig hield en zooveel bijdroeg tot hun amusement.
De auto was door de belangstelling die hij opwekte oorzaak dat men iets
later vertrok dan de
[154:]
was en Norbert besloot dus een korteren weg naar huis te nemen.
Deze weg sneed wel een heel eind af, maar hij werd door fietsers gewoonlijk
vermeden, omdat hij tamelijk steil een heuvel afdaalde.
"Zou je het niet beter vinden daar niet langs te gaan," vroeg
Valérie hem een beetje bezorgd, "ik vrees dat moeder er
zenuwachtig van wordt."
"Kom, wees niet bang! Je weet immers dat ik het ding geheel in
mijn macht heb. In elk geval kan ik den voetremmer gebruiken. Je bent
anders zoo'n dapper vrouwtje, Valérie!"
"O, 't is ook niet voor mij dat ik bang ben," antwoordde Valérie,
"maar voor Mama. Zij houdt niets van zulke steile wegen en wordt
dan licht angstig."
"Mark zit bij haar om haar gerust te stellen. Wij moeten niet te
veel aan onze zenuwen toegeven. Je bent toch niet bang, lieveling zoolang
je bij mij bent."
"Wel neen," antwoordde zij bedaard, "ik ben niet angstig
van aard."
Maar zij keek niet naar hem op en sprak ook niet tegen hem op dien toon
van algeheel zoet vertrouwen, dat hij van haar hoopte en verwachtte.
Hij zag haar aan en vond dat zij er nooit lieftalliger had uitgezien
dan juist nu, zooveel mooier dan toen hij haar voor 't eerst ontmoette,
maar toch niet meer zoo teer en kinderlijk, wat hem toen zoo had aangetrokken.
Er was iets in haar optreden gekomen, dat hem een weinig vreemd voorkwam
en hij wist niet of het hem aantrok dan wel pijnlijk aandeed. Het was
iets vrouwelijks en teruggetrokkens, een houding, die hij gaarne zou
zien dat zijn vrouw aan anderen vertoonde, maar die zij niet tegenover
hem mocht aannemen.
Zij moest hem bewonderen, tegen hem opzien, zichzelf als niets voelen
tegenover hem, haar heer, haar
[155:]
meester, haar halfgod; zij moest zacht en aanhankelijk jegens hem
zijn, maar vooral niets anders voelen, niets anders denken dan wat hij
zou wenschen dat zij voelde en dacht.
Binnen in het rijtuig was het gesprek zeer druk.
Men had vele gemeenschappelijke kennissen ontmoet en veel nieuws gehoord,
dat allen nogal interesseerde.
Mark vertelde Lucie de vermakelijke opmerkingen en dwaze vragen, waartoe
de auto aanleiding had gegeven.
Lucie's lach klonk vroolijk boven het" tuf-tuf" der machine
en niemand lette er op dat Norbert een anderen weg naar huis had ingeslagen,
vóór dat men zich op de helling van den heuvel bevond,
waarvoor mevrouw Van Wameldinge altijd zoo bang was.
"O goeie hemel!" riep zij uit, "wij zijn op de Dennenhoogte!
Norbert, hoe kon je ons op dien akeligen weg brengen! Laat mij uitstappen!
De wagen zal bepaald afglijden."
"Ik verzeker u van niet, mevrouw! Ik heb de machine heelemaal onder
mijn knie. Ik ben meer een berg afgereden."
"Mark, is 't veilig? Ik houd niets van die gevaarlijke dingen.
Norbert had 't niet moeten doen. Ik wil er uit."
"Dat kan u niet meer, Moeder!" antwoordde Mark, "daarvan
zijn wij te ver. Men kan den wagen op zoo'n steilen weg niet laten stilstaan.
Als er niets tusschenbeide komt zal alles heel goed gaan. Ik zal toekijken
en Valérie moet mij een teeken geven als er iets niet in orde
is. Wees niet bang! 't Gaat alles zoo best. 't Is Norbert goed toevertrouwd."
Lucie's oogen rustten op Mark's gezicht. Zij was er overtuigd van dat
hij volstrekt niet ingenomen was met den tocht en hem een weinig gewaagd
vond, maar hij zeide niets om zijn moeder niet ongeruster te maken en
lachte haar bemoedigend toe.
[156:]
Maar eensklaps voelde men een verandering in de beweging, die sneller
scheen te worden; het was of er iets los raakte en de machine als het
ware haar vleugels ontplooide voor sneller vlucht.
Mark keek achteruit en zeide toen op kalmen waarschuwenden toon tegen
Norbert:
"De riem is los."
Lucie keek nu ook naar buiten en zag een lang zwart ding, kronkelend
als een slang, over den weg liggen en begreep nu wat er gebeurd was
zonder nog den vollen omvang daarvan te kunnen vatten.
De sterke, lederen riem die den wagen met den motor verbond, was afgebroken
en gevallen, zoodat de automobiel door eigen kracht den heuvel afgleed.
Norvert had het ongeval reeds bemerkt en nog vóór Marks
waarschuwing werkte hij hard met handen en voeten om het remtoestel
te doen werken. Hij wist dat over eenige seconden de motor niet meer
in zijn macht zou zijn en de wagen den heuvel af moest rollen, met een
vaart die hij niet meer zou kunnen bedwingen en die de grootste ongelukken
kon veroorzaken.
Maar het was niet voor den eersten keer dat hij dood en gevaar op zijn
weg ontmoette; in allerlei vormen hadden zij hem bedreigd en spoedig
was zijn plan gemaakt.
"Luister Valérie," zeide hij tot zijn verloofde, "doe
precies alles wat ik zeg. Zie je daar dien boom? Ik zal den wagen daarheen
sturen en dan er afspringen en den boom vastgrijpen. Jij moet me flink
vasthouden en springen als ik spring. Ik zal mijn arm om je heen slaan
en je zult dan veilig zijn. Wees dus gereed!"
"Maar de anderen?" vroeg Valérie.
Toen, op dit oogenblik van intens gevaar, kwam de ware natuur van den
man voor den dag.
"Als jij en ik gered zijn, lieveling, wat kan
[157:]
de rest ons dan schelen? Doe zooals ik je zeg!"
Dit alles was gegaan snel als een bliksemflits.
Reeds holde de wagen met ijzingwekkende snelheid voort. maar Norbert
was lang en sterk, scherp van oog en vlug van leden en hij wist nauwkeurig
wat hem te doen stond.
"Nu," riep hij en sprong.
Hij greep den boom en was gered, maar Valérie had zelf geen poging
gedaan om te springen. Zoodra zijn hand het stuur losliet, had zij het
vast gegrepen en met de tegenwoordigheid van geest, die men op beslissende
oogenblikken zoo onverwacht kan toonen, redde zij allen van verplettering
door het voertuig weer midden op den weg te slingeren.
Het volgende oogenblik zat Mark naast haar; zijn sterke hand rustte
op het handvatsel, zijn voet op den remmer, die losgelaten was door
Norbert's sprong.
Zijn blik strak en ernstig, was recht naar beneden gericht en de wagen
vloog weer den heuvel af.
"Vader," en zijn stem klonk zoo vast als een rots, "neem
Valérie weer bij u. Ik denk dat alles in orde is, maar mocht
er iets onklaar raken, laat Mama en de meisjes er dan van achter uit
gaan; zij zullen een leelijken val doen, maar als zij het voorzichtig
aanleggen komen zij er met den schrik af. Dan gaat u op dezelfde manier
er uit, maar eerst nadat ik u een teeken geef. Wij zijn zoo het veiligst
als er maar geen rijtuigen komen. Ik zal roepen en geeft u dan teekens
zooveel u kan."
De Baron gehoorzaamde zijn zoon letterlijk. Zijn vrouwen dochters zaten
doodsbleek, bevend en biddend bij elkander en Mark sloot de machine
af.
"Als wij een paard voorbijgaan dan zal het blazen der machine hem
niet doen schrikken; hij zal ons houden voor een troepje fietsers, wanneer
wij zonder leven te maken voorbijrijden."
Zijn stem klonk flink en zakelijk en die toon droeg
[158:]
er veel toe bij zijn moeder gerust te stellen. Valérie had
het gezicht in de handen verborgen, terwijl Lucie daarentegen rechtop
ging staan om voor zich uit te kunnen zien.
Het werd donker en zij kon niet veel meer onderscheiden; dit vermeerderde
het gevaar, terwijl zij met zoo'n halsbrekende snelheid vooruitholden.
't Liefst had zij naast Mark gezeten, maar haar vaders hand bield haar
tegen. Zij was buiten adem en duizelig door de versnelde bewegingen,
toch vond zij er zeker genot in.
"Zet u goed vast," riep Mark, "'t is hier een beetje
bobbelig. Wij zijn bijna beneden en ik geloof dat de weg veilig is,
maar heel steil. Houdt u vast!"
Mevrouw Van Wameldinge verborg haar gelaat en drukte Valérie
vast tegen zich aan; zelfs Lucie boog het hoofd. Het schokte hevig en
het scheen of de wagen in stukken vloog, toen kwam er langzamerhand
een bedaarder beweging, een gevoel of men weer durfde adembalen en rondzien.
Lucie hief zich op en zag dat alle gevaar voorbij was. Zij waren op
den breeden weg onder den beuvel aangeland.
Zacht glooiend ging nu het pad en de wagen stond weldra stil.
"Wij moeten nu maar uitstappen en langzaam naar buis wandelen,"
zeide Mark "daar ziet u in de verte de lichten reeds van Wameldinge.
Ik zal den wagen naar buis brengen; Norbert komt ons wel achterop."
"Heeft u hem gezien," vroeg Valérie, "is hij gered?"
"O ja! Heel best," antwoordde baar vader vroolijk, "dat
jongmensch moet goede spieren hebben, en een wonderbaar scberpen blik.
Hij deed den sprong zoo netjes mogelijk. Ik zag hem dood gewoon over
den weg loopen. Wees niet ongerust kind! Hij is zoo veilig als wij."
[159:]
Valérie rilde en leunde met haar gelaat tegen haar moeders
schouders.
"Hij wilde dat ik hem zou vastbouden en met hem er uit spingen,"
fluisterde zij.
"Wel, dat doet mij plezier het te hooren," zeide de vader,
natuurlijk heeft ieder mensch zijn instinkt van zelfbeboud, maar als
hij op zoo'n oogenblik nog aan jou dacht is bet een bewijs dat hij niet
alleen met zichzelf vervuld was."
"Maar de anderen wilde hij verlaten, die konden hem niet schelen,"
riep Valérie eensklaps uit, met iets in de stem dat haar woorden
als een noodkreet deed klinken.
"Kom, kom," zeide de moeder bedaard, "je bent opgewonden,
je weet niet wat je zegt!"
"Ik weet het," riep Valérie bijna wild, "ik kan
mij elk woord herinneren dat hij sprak. "Als jij en ik gered zijn
wat kunnen ons dan de overigen schelen! O moeder, moeder! toen ik hem
dàt hoorde zeggen, haatte ik hem. Ja zeker, ik haatte hem."
"Lieve, beste kind! Mijn zoet meisje!" en de vader sloeg den
arm om haar heen en liefkoosde haar, niet wetend wat te zeggen, maar
in zijn hart vol sympathie voor haar gevoelens en vol medelijden, omdat
zij bedrogen was in den man, dien zij boven alles vertrouwde.
"Vader," zeide Valérie zacht tot hem, "ik kan
mijnheer De Rooze niet trouwen, ik heb er dikwijls aan getwijfeld of
bij wel de man was, voor wien wij hem bielden, maar nu weet ik het zeker
van niet."
Zij trok haar handschoen uit, schoof den verlovingsring van haar vinger
en drukte dien haar vader in de hand.
"Geef hem dien terug en zeg hem dat ik hem niet meer terug wil
zien. Ja, ik ben nu wel opgewonden en boos, maar dat is 't niet. 't
Gaat veel dieper. Ik kan 't niet vergeten. Zonder Mark zouden wij allen
[160:]
dood zijn... en hij gaf er niets om. Ik geloof zelfs niet, dat het
Norbert niet veel had kunnen schelen als ik ook was verpletterd."
Zij kwamen thuis en Tilly vloog hen tegemoet, nieuwsgierig naar de triomfen
door Lucie op het tennisveld behaald, maar zij wist niet wat zij zag,
zoo verschrikt en ontdaan waren allen. Haar moeder omhelsde haar snikkend,
zoo lang en innig, als zij niet gewoon was ooit te doen. Lucie zag er
verhit uit en Valérie bleek en bedroefd.
In de verte sukkelde de auto achter hen aan en allen stonden te wachten
totdat Mark er mede voor de stoep reed; Tilly begreep er niets van.
Waar was Notbert?
En haar vader ging Mark tegemoet en drukte hem veelbeteekenend de hand.
"Je hebt ons allen gered jongen! Ik dank je," sprak hij, maar
Mark antwoordde op zijn gewonen, onverschilligen toon:
"Nu Vader, dat is zoo zeker niet! In de eerste plaats is het Valérie
aan wier tegenwoordigheid van geest wij het te danken hebben, dat wij
niet tegen den boom te pletter zijn gereden. Als zij De Rooze's wil
had gedaan, zouden wij een hoogte van wel vijftig meter zijn afgetuimeld
en het zou een aardigen smak hebben gegeven. Zij heeft ons gered. Wat
ik deed beteekende niets. Elke lummel kan een helling afsturen als er
niets in den weg komt!"
Maar Lucie's oogen schitterden en zij zag allen triomfantelijk aan alsof
zij zeggen wilde:
"Ziet ge nu wel, dat Mark geen mispunt is en dat wij reden hebben
trotsch op hem te zijn? Ik heb altijd in hem geloofd."
Kleine Tilly begreep niets van alles wat er rondom haar gebeurde, alleen
vatte zij dat het iets heel ernstigs was en snikte:
"Wat is er gebeurd? Zeg het mij toch?"
[161:]
Lucie greep haar bij den arm en trok haar met zich mede de trap op,
naar haar kamer.
"Ja er is heel veel gebeurd en ik weet niet waarmede te beginnen,
misschien maar met het laatste. Valérie's engagement met Norbert
raakt af en
onze Mark wordt nu de held!"