[262:] VI.
Fernand bracht den
tijd, die er verloopen moest met wachten op de toestemming van Nora's
ouders, bijna altijd op reis door. Nora bereidde zich in stilte en met
allen ernst voor op het volbrengen harer nieuwe plichten in het nieuwe
leven dat haar wachtte.
Eindelijk kwam de lang gewenschte toestemming.
Teeder en moederlijk waren de brieven van mevrouw Van Noorden aan het
jonge paar.
"Toch wordt gij mijn schoonzoon, ik dank God dat Hij het zoo beschikt
heeft,"schreef zij aan Fernand.
De kapitein was waardig en verheven als altijd; zijn arendsblik had
natuurlijk alles vooruitgezien.
"Niemand liever dan u vertrouw ik mijn oudste kind toe, aan u en
uw waardige moeder, die ik steeds hoog vereerd en bewonderd heb,"
was het hoofdthema van zijn schrijven.
Toevallig viel Nora den brief haars vaders in de handen, waarin hij
heel anders over zijn toekomstigen schoonzoon oordeelde.
Zij kon een glimlach niet weerhouden en vroeg zich af, hoe dikwijls
haar vader toch al van meening over de Van Leeuwenburghen gewisseld
was, maar verscheurde uit voorzichtigheid dien eersten brief.
Het huwelijk werd stil en eenvoudig voltrokken.
"'t Is een mooi paar," zeiden de toeschouwers, "maar
die andere was toch vrij wat mooier."
De pastoor hield een korte, treffende rede; bij zeide dat de liefde,
die hen verbinden moest, sterker dan de banden des plichts vooral gegrond
diende te zijn op wederzijdsche zelfopoffering en zelfverloochening
Diep boog mevrouw Van Leeuwenburgh bij deze woorden het hoofd. Zij zag
haar liefsten wensch vervuld; nu zij toch een schoondochter moest hebben,
kreeg zij juist degene, welke zij onder allen gekozen had en toch, hoe
gaarne zou zij thans eenige jaren zijn teruggegaan, om haar zoon jong,
gelukkig, zonder schaduwen op zijn gemoed en karakter, naast Theodore
voor het altaar te zien knielen.
Maar zij nam de straf voor haar zelfzucht ootmoedig aan en ongetwijfeld,
de gebrokene, verouderde vrouw was beter dan de trotsche moeder, die
aan haar eigen geluk de liefde van haar zoon opgeofferd had.
Fernand was ook treurig gestemd; hij dacht misschien meer aan de geliefde
doode, dan aan zijn jeugdige bruid naast hem, die nu kalm en blijde,
schoon ernstig en zonder illusiën beloofde, aan zijn zijde te zullen
leven en sterven.
Emilie was voor die gelegenheid overgekomen.
"Wel, mevrouw," zeide zij 's middags na het bruiloftsdiner,
waarbij slechts enkele genoodigden tegenwoordig waren geweest,
[263:]
"Fernand had
slechter kunnen kiezen en wie had ooit gedacht, dat u Nora eens tot
schoondochter zou hebben?"
"Schoondochter!" en een paar malen herhaalde mevrouw dat woord,
het schrikbeeld van haar leven, "ja, 't is waar, niemand kon beter
dan Nora voor hem geschikt zijn ten minste nu!"
Dat was een groote schuldbekentenis, Emilie merkte het echter niet op.
"Ja, 't is toch altijd een gewaagd ding, dat huwelijk; mevrouw
zijn, lijkt zeer begeerlijk, maar als men het eens is dan heeft het
ook zijn lasten. Bruno, had gelijk.... och als hij nog leefde, wat zou
hij opgekeken hebben. Nora, zijn oude charme, de vrouw van Fernand...
hoe hij er toch toe gekomen is haar te vragen? Hij vond het getrouwde
leven zoo'n slavernij. Daar is veel waars in," en een halfuur lang
bleef zij doorratelen over haar huwelijksgeluk en leed, zonder te merken
dat mevrouw zacht ingesluimerd was.
Het jonge paar ging intusschen arm om arm door den tuin en toen naar
Fernand's lievelingsplekje aan den rand van het dennenbosch.
Zij maakten geen bruidsreis; ze wilden hun moeder niet alleen laten
en daarbij, ze hadden genoeg van het reizen. Nora had den krans van
oranjebloesems en den langen, lastigen sluier afgezet, maar zij hield
nog haar wit kleed aan.
Fernand zeide dat dit haar bijzonder lief stond, terwijl zij zelf lachend
verzekerde, dat dit een al te groot contrast vormde met haar teint,
doch hierin had zij ongelijk.
De aandoening en het geluk gaven haar lief gelaat een uitdrukking, die
door de kleur van het kleed niet verminderd noch verhoogd kon worden.
Zoo stonden zij een oogenblik op den heuvel en staarden naar de vlakte
onder hun voeten, naar het vreedzame huis en naar de stad, die kalm
en rustig hare torens verhief, op den schitterend rood-gouden achtergrond,
door de ondergaande zon achter haar uitgespreid.
Ook rondom hen wierpen de laatste stralen, spatten van een purper, tooverachtig
licht: de dennen zagen er uit als brandende toortsen, en in de ramen
van Leeuwenburgh schenen vonken te glanzen en te gloeien.
Zwijgend zagen zij dit kleuren spel aan.
"Een vuurwerk ter eere van onze bruiloft!" sprak hij glimlachend.
Zij schoof iets dichter naast hem.
"Théo zag de ondergaande zon zoo gaarne," fluisterde
zij.
Geroerd drukte bij haar de hand.
"Ik dank u voor dit aandenken, Nora! We zullen haar immers nooit
vergeten, niet waar? Ik verbeeld mg dat zij heden verheugd op ons nederziet."
"Het was haar liefste wensch," en nu klonk Nora's stem haast
onhoorbaar, maar hij verstond toch die woorden.
[264:]
Nog een oogenblik
bleven zij daar staan, hand in hand, in den heerlijken zomeravond, omgeven
door de laatste zonnestralen, maar toen dook het gesternte neder in
zijn gloed, de vonken stierven weg, een half roodachtige, half violette
sluier bleef aan den gezichteinder hangen, hier en daar dreven nog eenige
gouden wolkjes, nu in zacht teedere rozen veranderd, door de blauwe
lucht, maar ook deze gingen in een zacht, eentonig grijs over, toen
Fernand tot zijn gade sprak:
"Laat ons naar huis gaan, Nora, onze bruidsreis is teneinde!"