V.
Tegen alle verwachting,
nam mevrouw Van Leeuwenburgh's toestand een gunstigen keer.
Langzaam doch zeker keerden haar krachten en levensmoed terug; Fernand
deelde trouw met Nora de zorgen van haar langzame beterschap.
Voor het uiterlijk was de verhouding tusschen moeder en zoon even innig
en hartelijk als altijd geweest was. Maar ach! ze wisten het beiden
te goed, zooals vroeger kon het nooit meer worden. De innige verhoudingen
zijn kostbare vazen gelijk; is er een iets aan gebroken, dan tracht
men het te verhelpen, maar ze herstellen in hun vroegeren staat is onmogelijk.
De moeder wist dat haar zwakke toestand de machtigste voorspreker bij
haar zoon was, dat medelijden vooral hem belette wrok te voelen tegen
haar, die zijn levensgeluk verwoest had.
Zij zag het genoeg aan hem, hoe levendig Theodore's beeld in zijn geest
was gedrukt, hoe diep hij haar betreurde, hoe nimmer de herinnering
aan dat treurige tijdperk van zijn leven op zou houden een droevige
schaduw te werpen op zijn toekomst.
En dit was haar een onophoudelijke wroeging.
Nooit werd tusschen hen de naam van Theodore genoemd, maar dikwijls
genoeg verraste zij hem en Nora op een gesprek, dat alleen over haar
liep.
Doch de tijd om hierover jaloersch te worden was bij mevrouw Van Leeuwenburgh
voorbij; haar trots was gebroken, haar egoisme vernietigd, nederig nam
zij de smart, welke haar Fernand's
[259:]
terughoudendheid
veroorzaakte, als een boete aan voor haar vroegere zelfzucht.
Zoo ging dus de winter om en toen de eerste bladen der lente kwamen,
scheen een nieuw leven voor de drie bewoners van Leeuwenburgh te zijn
aangebroken.
Fernand vooral had de kalmte veel goed gedaan.
Hij werkte veel, en schoon zijn dwaze, overijlde handelwijze hem nog
steeds met schaamte vervulde, zoo begon hij toch weer langzamerhand
meer achting voor zichzelf op te vatten, waartoe vooral Nora's stille
bewondering veel bijbracht.
Maar ook hij waardeerde haar meer en meer.
Hij was geheel aan haar gewoon geraakt; het was hem een soort van verlichting,
dat hij in geen tête-à-tête met zijn moeder behoefde
te leven, dat er altijd een stille, lieve derde tusschen hen op en neer
ging, want er was nog zooveel tusschen hen onbesproken, zooveel dat
beiden in de verste verte niet meer wilden aanroeren, daar de geringste
vingerwijzing naar die richting reeds
pijn deed.
En dan hoe vertrouwelijk, hoe troostend waren die lange gesprekken over
Théo!
Nora dweepte met haar; de lieve attentie om haar portret boven Fernands
bureau te hangen, had hem innig getroffen; menige bijzonderheid, die
Nora van haar moeder wist, deden hem hoe langer hoe meer beseffen, welken
schat hij verliezen moest, doch tegelijk schonken zij hem een zoeten
troost en versterkten
Nora's eenvoudige woorden in zijn hart de hoop op een eeuwig wederzien.
Op zekeren morgen kwam hij in de ontbijtkamer, waar zijn moeder alleen
zat.
"Hebt je het gehoord?" vroeg zij, "of heeft Nora het
je nog niet verteld?"
"Wat dan, mama? Ik heb haar vandaag nog niet gezien."
"Haar broer is door zijn examen en zal dus binnen kort officier
zijn."
"Wel, wat zal haar dat pleizier doen!"
"Maar mij doet het geen pleizier, ik zal haar nu spoedig moeten
missen."
"Missen, hoezoo?"
"Weet je het dan niet, dat zij met hem naar Java zal vertrekken?"
"Dat gaat niet, mama, u kan niet buiten Nora."
"Ik zal 't wel moeten."
"En ziet zij er niet tegen op."
"Ze is zeer blijde haar familie terug te zien. Hier is zij onder
vreemden en op den duur past het ook niet dat je beiden samen woont,
al ben ik er ook nog."
"Och, mama, u heeft altijd een juffrouw van gezelschap gehad, wat
zou men er dus van zeggen?"
"O ja, maar het verschil tusschen Nora en Emilie is nog al van
belang. Heb je er wel eens op gelet, hoe allerliefst zij er tegen
[260:]
woordig uitziet;
haar zwart en wit kostuum staat haar zeer elegant."
"Ja 't is een engel van een meisje. Onbegrijpelijk hoe flink ontwikkeld
zij geworden is; ze praat over alles mee; wanneer ik u beiden eens iets
van mij voorlees, dan kan ik steeds mijn voordeel doen met haar opmerkingen."
"Zij heeft veel gelezen tijdens mijn ziekte."
"Maar zou er geen middel zijn haar hier te houden?"
"Misschien een..."
"En dat is?"
Mevrouw Van Leeuwenburgh sloeg de oogen neêr; zij antwoordde niet,
maar zuchtte.
Fernand zag haar aan en 't viel hem vandaag bijzonder op, hoe verwelkt
haar gelaat, hoe vergrijsd haar lokken waren, maar wat was die uitwendige
verandering bij de algeheele omkeering, welke in haar gemoed had plaats
gehad?
Zij wenschte nu zelf een schoondochter en durfde het haar zoon niet
zeggen, omdat zij meer dan iemand inzag, dat zij het recht op zijn vertrouwen
had verbeurd.
Hij herhaalde zijn vraag niet, maar begreep plotseling alles; die gedachte
was nog niet bij hem opgekomen, zoozeer was hij tot nu toe niet de herinnering
aan zijn Theodore vervuld geweest.
Zwijgend stond hij op en ging de kamer uit.
Mevrouw drukte haar zakdoek op haar oogen om een paar lastige tranen
weg te wisschen.
Lang bleef Fernand dwalen, eerst in den tuin, toen in het nabijgelegen
dennenbosch.
Hier zocht hij zoo gaarne herinneringen aan dien schoonen dag van zijn
leven, toen Theodore, op een boomstam gezeten, hem half schertsend,
half ernstig dat jawoord gaf, hetwelk zij later met zoo bittere smart
weer zou terugnemen.
Op deze plek bleef hij eenigen tijd staan, treurig en peinzend.
Een zacht geschuifel van vrouwenkleeren tusschen de takken deed hem
rondzien.
Eenige stappen van hem stond Nora; zij had een bouquet viooltjes in
de hand.
"Zijt gij het, Fernand?" vroeg zij glimlachend, "ik dacht
eerst dat het den tuinman was, ik zie je nooit buiten om dezen tijd."
"Heb je viooltjes geplukt, Nora?"
"Ja, zie eens hoeveel ik er gevonden heb; je mama heeft ze gaarne
en ik vind het zoo prettig ze in alle hoekjes van het bosch te zoeken."
"Ik moet je feliciteeren, Nora!"
"Met het examen van Jan? Ik dank je, wat zullen papa en mama blijde
zijn!" .
"Maar wij zijn niet blijde, Nora, want nu ga je ons verlaten."
"Over een paar maanden eerst."
"Die tijd komt spoedig genoeg; zulk een uitstel geeft geen
[261:]
troost. Doet het
u geen verdriet mijne arme mama te verlaten ?"
"Je zijt er nu immers, Fernand, ik heb mijn belofte gehouden."
"Ja, dat heb je, en meer nog dan dat. Ik zal het nooit vergeten,
Nora; maar ik kan niet, zoo als jij voor haar zorgen. 't Is waar, zij
is nu zoo goed als hersteld, doch ik ben een treurig kameraad en een
tweede zooals jij, lieve, goede Nora, bestaat er niet."
"Ja, het doet me ook verdriet aan, dat ik vertrekken moet, maar
ik verlang mama terug te zien. Bovendien hier altijd blijven, dat gaat
toch niet!"
"Waarom niet, Nora?" en hij nam haar hand in de zijne, "er
is een middel - zei mama - voor u om ons nooit te verlaten, maar ach!
ik geloof, dat dit te veel van uw goedheid zal gevergd, zijn. In Indië
vindt ge alles, misschien ook nog een schoone toekomst en hier kunt
ge alleen blijven, wanneer gij er in toestemt mijn vrouw te worden."
Nora trok verschrikt haar hand terug en wendde het gelaat om; toevallig
zag zij naar boven waar de blauwe hemel tusschen de dorre takken doorscheen
en dit gezicht deed haar terugdenken aan dat oogenblik van grievende
teleurstelling, toen haar vader Bruno's aanzoek om haar hand overbracht,
en nu was het Fernand zelf, die naast haar stond en haar vroeg of zij
zijn gade wilde wezen.
Welk een verleden lag er reeds binnen die enkele jaren!
"Je trekt je hand terug, Nora," zeide hij treurig, "ik
begrijp, er is niemand, die beter dan gij weet, hoe zwak en onmannelijk
ik mij in den laatsten tijd gedragen heb. Je weet dat het nooit uit
mijn geheugen zal gaan, hoe innig ik Theodore heb bemind en dat ik haar
nog boven het graf liefde toedraag, maar toch geloof ik dat ik je nog
genoeg genegenheid kan aanbieden en vooral, waardeering; antwoord mij
nog niet, Nora! Bedenk je eerst."
"Ik zal nadenken," antwoordde zij schier onhoorbaar.
Bij het tweede ontbijt viel mevrouw Van Leeuwenburgh niets anders op,
dan dat Fernand stiller dan gewoonlijk was; zij dacht, echter dat dit
een gevolg was van haar woorden; dat hij reeds met Nora gesproken had,
vermoedde zij niet.
't Was dus vol verwondering dat zij dien avond, toen zij reeds er ruste
lag, Nora binnen zag treden en langzaam haar bed naderen.
"Mevrouw," fluisterde zij, "zeg aan Fernand, dat ik zijn
aanbod aanneem; ik ga niet naar Java."
"Goddank!" sprak mevrouw uit den grond van haar hart, "dus
ge offert hem alles op?"
"Ach, en 't valt mij niets zwaar; dit doet mij wel verdriet aan,
ik verlangde zoo hen allen terug te zien, maar nu... O mevrouw, of laat
mij liever mama zeggen, ik heb hem altijd zoo innig liefgehad, hij is
mijn alles, ik voel het nu meer dan ooit! sedert het eerste oogenblik,
dat ik hem ontmoette en hij mijn broodjes van den grond raapte."