VII.
Er valt weinig meer
over het huwelijksleven van het jonge paar te zeggen. Het geluk en de
vrede laten zich moeielijk beschrijven, misschien omdat men ze niet
recht weet te genieten.
Veel verschilde het leven niet met dat hetwelk zij den vorigen winter
gevoerd hadden; 't was kalm, stil en vreedzaam.
Fernand legde zich met ernst toe op de studie; vroeger had hij die zoo
niet versmaad, dan toch altijd licht geteld. Ernstiger geworden door
de ondervindingen des levens, begreep hij dat het grootste talent geen
duurzame vruchten kan voortbrengen zoo het niet gevoed en versterkt
wordt door degelijke en onvermoeide studie.
Zijn naam werd hoe langer hoe meer bekend; zijn werken, waarin steeds
een weerklank leefde van zijn liefde en smart, namen de eerste plaats
in onder die zijner landgenooten.
Nora bleef de vriendelijke, goede geest van het huis en mevrouw leerde
haar bij den dag meer waardeeren.
Toen het weer lente was zat de oudste mevrouw Van Leeuwenburgh in Nora's
kamer, op een grooten fauteuil.
In haar armen lag een klein, teeder schepseltje.
Voor haar knielde Fernand en kuste met van geluk stralend gelaat zijn
dochtertje.
"Hebt ge reeds er over nagedacht, hoe zij zal genoemd worden?"
vroeg mevrouw.
"Wel zeker, mama, dat spreekt; Nora en ik spraken het reeds af,
als het een meisje is, moet zij natuurlijk Antoinette heeten."
Mevrouw Van Leeuwenburgh schudde het hoofd.
"Neen, zoo niet! Staat ge mij toe haar een naam te geven?"
"Met alle liefde, zij is uw kind immers even goed als het onze
maar ik geloof niet, dat u een beteren zult kunnen vinden."
"Toch wel! Noem haar om mijnentwille... Theodore!"
EINDE.