II.
Dien avond stegen
mevrouw Van Leeuwenburgh en Nora in een coupé van den trein,
die hen naar Marseille zou voeren; alle energie scheen weer teruggekeerd
in Fernand's moeder, zoodra haar besluit vast stond, haar zoon na te
reizen.
"Wij komen er stellig," zeide zij,."de boot vertrekt
eerst om acht uur 's morgens; wij kunnen er met gemak zijn."
Maar in den coupé begon zij haar vertrouwen te verliezen; en
daarmede begaf haar ook die vonk van geestkracht, welke een oogenblik
gegloord had en nu geheel verdween. Lusteloos leunde zij achterover;
uren en uren lang zonder een woord te spreken. Soms scheen zij als door
een schok uit haar verdooving te ontwaken; zij zag verwilderd rond en
vroeg:
[235:]
"Waar
zijn we nu?" en sloot dan weer haar oogen, zonder op Nora's antwoord
acht te slaan.
Zoo ging de tijd om. Het was reeds nacht toen zij aan een station aankwamen,
waar zij op een anderen trein moesten wachten, welk met dezen, waarin
zij zaten, correspondeerde.
Zij stapten uit en liepen over het perron.
"Ik zie geen trein. Vraag er eens naar, Nora," zei mevrouw.
"Och, mevrouw! Het zal nog te vroeg wezen."
"Vraag altijd, dat kan geen kwaad!"
"Blijft u dan even hier zitten!"
Nora voelde zich alles behalve op haar gemak tusschen al die vreemde
gezichten; eenige mannen in uniform wandelden onder de reizigers; de
olielampen door réverbères een weinig helderder gemaakt,
wierpen over het gehele perron flauwe, treurige lichten, waardoor zij
menigen nieuwsgierigen blik op zich gevestigd zag.
Zij wikkelde zich dichter in haar doek, zag eens rond en eindelijk,
toen zij een bejaarden heer bemerkte met een uniformpetje op, waagde
zij het haar vraag te doen.
"Ma chère demoiselle," was het antwoord, "wilt
gij naar Marseille gaan? Ach! dan moet ge wachten tot morgen ochtend
zes uur. Deze trein gaat slechts tot hier en niet verder."
"Maar in 't boekje stond toch..."
"Wat ik u zeg en niets anders. Kom maar mede!"
Hij bracht haar naar een groot plakkaat, wees, gestikuleerde en legde
haar uit met zijn aangebooren Fransche welbespraaktheid, dat zij ongelijk
en hij gelijk had.
Nora kon tusschen zijn woordenvloed weinig anders zeggen dan:
"Oui monsieur, je comprends, c'est dommage!"
"Wat is er?" vroeg een onvaste stem naast haar.
Zij zag om en bemerkte het doodsbleeke gelaat van mevrouw Van Leeuwenburgh.
"Kunnen we niet verder? Ik dacht het reeds, men kan u in niets
vertrouwen, Nora! Wanneer gaat er weer een trein?"
"Om zes uur!"
"Zoolang kan ik niet wachten. We zullen een rijtuig nemen en naar
Marseille rijden."
"Rijden naar Marseille!" herhaalde de employé, "o
ma bonne dame, dan komt u er even spoedig, als u om zes uur met den
trein vertrekt."
"Dan heb ik ten minste het bewustzijn, dat ik vooruitga en niet
nutteloos wacht."
"Maar de weg is gevaarlijk, slecht, moeilijk en, hoor eens, er
steekt een storm op!"
"Kunnen wij een rijtuig krijgen?"
"Ik vrees er voor!"
"Nora, Nora, wat hebt ge toch gedaan, kind? Hoe is het mogelijk
zoo dom te zijn! We hadden toch spoorgidsen genoeg. Emilie was het zeker
niet overkomen."
[236:]
Nora zweeg: als
iemand schuld had, dan was het zeker mevrouw zelf, die alle iténeraires
één voor één bestudeerd en daarna bepaald
had, dat men op het vastgestelde uur vertrekken zou.
"Ik kan niet wachten tot morgen ochtend ; ik zal van angst en zorg
vergaan; in Godsnaam, wij moeten een rijtuig zien te krijgen."
"Heeft mevrouw er veel belang bij spoedig in Marseille te zijn?"
vroeg de goedhartige Franschman, die, al verstond hij haar niet, toch
wel merken kon hoe gejaagd de oudste reizigster was.
"Ja wij moeten ons haasten de paquebot der Messageries aan te treffen."
"De paquebot, O die vertrekt eerst om acht uur. Dat is de officieele
tijd, maar 't is geen spoortrein en u kan er gemakkelijk op rekenen
dat die om negen uur er nog is."
"En wanneer komen we te Marseille aan?'
"Om acht uur zeven"
"Hoort u, mevrouw, we zullen er bijtijds zijn."
"En met een rijtuig kunt ge een ongeluk krijgen, de weg is hier
en daar opgebroken; er moet zelfs een brug weggeslagen zijn, wie weet
of u dan niet eerst om tien uur in Marseille aankomt."
"Maar wachten, werkeloos wachten een heelen nacht door. Hoe laat
is het nu?"
"Bij twaalven."
"Kunnen we hier blijven?'
"Oh, je crois bien! Ik ben wel geen chef, maar ik zal hem vragen
of u in de wachtkamer mag overnachten."
Hij ging heen en kwam een oogenblik later terug.
"'t Is zeer goed; volg mij maar, dames!"
En hij bracht haar in de wel eenvoudige en vervallen salon d'attente.
Een lamp wierp een weifelend licht door het vertrek. Een groote divan,
met versleten overtreksel, stond in een der hoeken; uitgeput liet mevrouw
zich daarop vallen.
Nora nam een plaid, spreidde die over haar uit, maakte van haar regenmantel,
zoo goed en zoo kwaad het kon, een soort van kussen en vleide toen mevrouw's
hoofd er op neêr.
De Franschman was naar buiten gegaan en stond op eenigen afstand door
de glazen deur naar binnen te gluren, waar het tweetal zoo goed mogelijk
zich een onderkomen zocht.
"Een lief meisje" zei een kameraad nader komende.
"Ja, ze lijken wel Provençales met haar donkere oogen en
haren; doch als die oudste haar verstand nog niet verloren heeft, dan
zal het niet lang meer duren of
."
Juist kwam Nora de zaal uit, zij ving de laatste woorden op en een koude
rilling ging haar door de leden.
"Och, mijnheer, kan ik hier niets voor madame vinden, iets dat
haar zenuwen kalmeert?"
"Het buffet is gesloten, mademoiselle, maar een glas wijn kan ik
u wel geven."
[237:]
"O neen, dan
liever- zuiver water!"
Mevrouw dronk het glas in één teug uit en sloeg hare oogen
wild om zich heen.
"Heeft het al twaalf uur geslagen?"
"Nog niet, mevrouw, maar het zal wel op slag zijn."
"Neem die plaid weg; ik wil opzitten!"
"Lieve mevrouw, blijf toch zoo liggen en tracht wat te slapen."
"Dat kan ik niet!"
"Och toe, mevrouw, probeer het eens!"
"Zeg maar dat je zelf slaap hebt en van mij geen last hebben wilt.
Doe wat je verkiest en zie niet naar mij om. Ik kan mijzelf wel helpen."
Zij stond op en ging heen en weer, binnensmonds doffe woorden mompelende,
soms zelfs bewegingen met haar handen makende, nu eens met de oogen
op den grond gevestigd, dan weer ze wild om zich heen geslagen.
Nora zag, hoe twee mannen, - of het reizigers of spoorwegbeambten waren,
wist zij niet - de zonderlinge vrouw aanzagen en dan weer onder elkander
lachten en fluisterden.
Een was er vooral in een wijden mantel gehuld, met een zwaren baard
en donkere oogen die haar een onverklaarbaren angst inboezemde.
Eindelijk ging mevrouw weer zitten en leunde achterover; lang bleef
zij stil en oogenschijnlijk kalm.
De arme Nora was doodvermoeid van alle aandoeningen, die zij sedert
gisteren ondervonden had van de overhaaste reis en van het getob met
mevrouw Van Leeuwenburgh. Geen wonder dat haar oogen dicht vielen.
Doch het regelmatige stappen der twee mannen op het perron hield haar
uit den slaap.
Telkens voelde zij als bij instinct, wanneer zij stil stonden en door
de glazen deur naar binnen keken.
Eens sloeg zij de oogen op en zag toen den man met zijn zwaren mantel
bij de deur staan en haar toelachen. Zij sloot de oogen en keerde het
gelaat naar een andere zijde. Weer hoorde zij hem heen en weer gaan;
zoo lang het geluid in de verte wegstierf, kon zij zich gerust aan haar
slaap overgeven, maar klonken die stappen dichtbij dan hield de onrust
haar wakker.
Nora's slaap overwon eindelijk alle ongerustheid en zij vergat voor
een oogenblik alles.
"Nora!"
Het kind schrikte op.
"Belieft u iets. mevrouw, is er wat?"
"Hoe laat is 't? Mijn horloge staat stil."
"Ik heb het mijne in Nice achtergelaten!"
"Hoe onnoozel! Ik geloof dat je nog slaapt. Ik dacht, dat je meer
om Fernand gaaft; zoo gerust te kunnen slapen, terwijl ik in doodsangst
ben. Hoe laat zou het zijn? Ga eens op de spoorklok zien!"
[238:]
"Och,
mevrouw, 't is daar zoo akelig buiten."
"Wil je het niet doen? Dan zal ik maar gaan! Wat voor belangstelling
kan ik ook verlangen van vreemd volk, als mijn eigen zoon mij zonder
een groet verlaat?"
Met angstig kloppend hart ging Nora naar buiten. De twee vreemdelingen
stonden op eenigen afstand druk te redeneeren en zij moest hen voorbij,
wilde zij op de klok zien.
Nauwelijks had de eene haar in het oog, of hij kwam op haar af en vroeg
zeer beleefd:
"Heeft mademoiselle iets noodig?"
"Dank u," antwoordde zij bedremmeld, "de klok..."
"Me dunkt, u moet zich bij die oude douairière erg vervelen;
we zouden ons veel beter amuseeren, als u met ons op het perron wilde
op en neer wandelen."
Zij keerde hen den rug toe en ging verder naar die plek vanwaar zij
op de klok kon zien.
"Mag ik u ten minste den arm bieden?" en het woord bij de
daad voegende, nam hij haar hand.
"Neen," hernam zij bits, trok zich los en vloog terug naar
de wachtkamer.
Toen zij daar terugkwam, rood en geagiteerd, sprong mevrouw op en vroeg
ontsteld:
"Is er iets, een telegram van hem?"
"Neen, mevrouw, die menschen zijn hier zoo brutaal."
"Maak mij toch niet zoo aan het schrikken. Ik ben al zenuwachtig
genoeg. Hoe laat is het?"
"Kwart voor éénen!"
"Dus nog vijf uur bijna. Hoe breng ik die om?"
Nora sliep echter niet meer in; zij zag nu en dan haar schrikbeeld naar
haar staren, hij was nu alleen en dat maakte haar nog onrustiger.
Alle geschiedenissen, die zij ooit van roovers, smokkelaars en wat al
meer gehoord had, kwamen in haar geest op; instinctmatig drukte zij
het valies van mevrouw aan haar zijde. Veel was er niet in, maar toch
voelde zij zich verplicht er voor te waken en het zooveel mogelijk te
verdedigen.
Wanneer mevrouw zich ten minste maar stil hield! Doch neen, zij werd
hoe langer hoe onrustiger.
Nu eens steunde zij zacht, dan weder liet zij een onderdrukten gil hooren,
of sprong weer op en wierp de plaid van zich af. Nora moest die weer
oprapen en haar met zacht geweld tot slapen aansporen.
Zij ontving dan wel telkens een vinnige terechtwijzing, maar daaraan
stoorde zij zich niet.
"Ha!" riep ze plotseling met een zenuwachtigen lach, "dat
is toch aardig! Hoe die twee elkander naloopen; eerst hij alleen naar
Holland, zij hem achterna, nu weer zij naar Indië en hij haar als
een cavalier-servant op de hielen! Als dat geen gelukkig paar wordt!"
[239:]
Nora zweeg en deed
of zij sliep.
Er werd aan de deur geschoven.
"Dat is hij," dacht Nora vol angst.
Werkelijk was het de man met den baard.
Hij ging door de kamer, haalde iets uit een muurkastje en zag toen vorschend
naar Nora, die met half gesloten oogen elk zijner bewegingen bespiedde.
Reeds wilde bij zich verwijderen, toen mevrouw plotseling vroeg:
"Mijnheer, gebeurt het nooit, dat de trein van zessen zich verlaat
en over zijn tijd in Marseille komt?"
"O jawel, mevrouw, heel dikwijls!"
"Hoort ge dat, Nora, en wat beginnen wij dan?"
"Och mevrouw," antwoordde zij in 't Hollandsch, "hij
weet er niets van."
"U had uw plan moeten volgen en een rijtuig nemen," zei de
andere op een toon, die Nora erg sarrend voorkwam.
"Ja, dat was mijn plan, maar zij was er tegen; zij had zeker te
veel slaap en nu zal het te laat zijn."
"Toch niet, mevrouw, als ik een rijtuig voor u mag bestellen, zal
ik zorgen, dat u om zeven uur in Marseille is."
"Om zeven uur! Dan zullen we maar gaan, Nora!"
"O mevrouw," bad zij angstig, "neen, doe dit niet. Die
man heeft kwade bedoelingen. Hij heeft mij zooeven allerlei gekke dingen
gezegd. Geloof mij, die andere meende het goed met ons, maar deze is
een roover, een schurk!"
"Blijf hier als je bang zijt; ik heb geen vreesachtig gezelschap
noodig, ik durf mij wel aan hem toevertrouwen."
"Zal ik een rijtuig uit de stad halen?" vroeg hij weer vleiend.
"Ja, zeker! ge zegt immers dat wij om zeven uur in Marseille zullen
zijn?"
"Misschien om half zeven!" en hij verwijderde zich.
Het sloeg twee uren en Nora gevoelde zich bijna radeloos; het kon niet
goed afloopen, er zou iets kwaads gebeuren.
"Hoort u dien wind niet, mevrouw, en de weg gaat vlak langs de
zee. Die man brengt ons misschien in een roovershol."
"Ga niet meê, ik verlang je gezelschap immers niet."
"Neen, mevrouw, ik blijf bij u, wat u ook besluit. Ik heb Fernand
beloofd, u niet te verlaten. Maar bedenk wat een waagstuk het is. Die
man boezemt mij geen vertrouwen in; hij bedriegt u en brengt u op wegen,
welke u nog verder doen afdwalen en dan komt u in het geheel niet meer
in Marseille."
"Wat een gedachte!"
"En met den trein is het zeker.! Ach, mevrouw, wat zal 't u spijten,
als u door eigen schuld te laat komt."
"Maar hij haalt reeds een rijtuig."
"Zeg dat u zich bedacht beeft.'
Een half uur ging voorbij, toen verscheen de gevreesde vreemdeling weer.
[240:]
"Ik heb er
nog geen kunnen vinden, mevrouw," sprak hij zeer beleefd, "maar
als u mij een klein voorschot geeft, dan geloof ik, dat ik u wel zal
kunnen helpen."
"Geef hem een kleinigheid, Nora, en zeg dat ik geen gebruik wensch
te maken van zijn voorstel."
Alles kwam dus weer op Nora neer.
Zij gaf hem een vijffrancsstuk en bracht de boodschap over.
Maar hij was er niet mee tevreden en begon hardop te schelden in een
taal, die Nora niet verstaan kon.
Gelukkig kwamen er een paar wakers aan, die aan de zaak een einde maakten
en hem naar buiten troonden. Na dit avontuur bood de nacht niets bijzonders
meer aan, doch aan slapen viel niet te denken.
Mevrouw werd hoe langer hoe onrustiger; zij kon geen minuut stil blijven,
sprak soms onsamenhangende woorden, lachte dan weer akelig en zenuwachtig;
stampte met de voeten en snauwde Nora af; die geen lid meer verroeren
kon van slaap en vermoeidheid.
Nooit zou deze nacht uit haar geheugen gaan. Reeds om vier uur begon
mevrouw te vragen:
"Is de trein er al?"
Om half zes stond zij op het perron, eiken beambte vragende, wanneer
men vertrekken moest.
Met schrik betrapte Nora sommigen hunner, die, na haar een antwoord
te hebben gegeven, zich lachend verwijderden en op hun voorhoofd tikten.
Zou dit haar nog wachten?
Eindelijk was het lang gewenschte oogenblik daar en zij konden in den
coupé stijgen.
"Goddank!" zeide mevrouw, toen de trein zich in beweging zette
en zij scheen voor een oogenblik haar kalmte te hebben terug gevonden.
Maar spoedig begon het weer:
"Nora, vind je niet dat de trein erg langzaam voortgaat? Hoe laat
is het? Zou hij niet en retard zijn? Tel eens hoe lang het duurt, voor
wij weer een telegraafpaal zien, Vraag eens aan den conducteur of de
paquebot precies op tijd vertrekt?"
Als een blijde bode begroette Nora het eerste gloren van den dageraad.
Het was ten minste een troost, dat zij niet meer in de duisternis behoefden
te dwalen,
"Wat zal deze dag mij aanbrengen?" vroeg mevrouw zich met
een zwaren zucht af, "zal ik iets van hem verkrijgen?"
Een oogenblik later klonk het:
"Nora, zie eens of je reeds een station bemerkt."
"Me dunkt je moest spoedig Notre Dame de la Garde in het oog krijgen."
"Ging de trein toch wat sneller!"
Dan stak zij even het hoofd uit het portier, om dadelijk weer in een
hoek van den coupé weg te duiken. Soms bad zij hardop:
[241:]
"Mijn God,
geef mij mijn zoon terug! Ik handelde om zijn bestwil; nu is het mij
duidelijk, hij bemint mij op verre na niet zooals die andere."
"Heer, stuur dat schip alle mogelijke hindernissen toe, opdat zij
niet vertrekken kunnen!"
Altijd maakte zij haar eigen ik tot middelpunt van de gebeurtenissen;
het was of de goede God een nieuwe wereld regeling moest uitvinden,
alleen om harentwille.
"Nog twee stations, mevrouw!" zei Nora.
"En 't is nu?"
"Half acht!"
"Over een half uur zal ik hem dus terugzien. O, 't is of hij een
jaar weg is geweest!"
Zij sprak niets meer totdat men aan het station van Marseille aankwam.
Snel hielp Nora haar uitstappen en zoo spoedig mogelijk, - want nu begon
ook zij onrustig te worden - ging zij met mevrouw het station door naar
het voorplein. Een fiacre aanhouden, er hunne weinige bagage in plaatsen
en den koetsier toeroepen:
"Naar de embarcadère," was het werk van een oogenblik.
"Moeten de dames nog met deze boot vertrekken?" vroeg de koetsier.
"Ja," zei Nora.
"Is het nog tijd?" was Mevrouw's gejaagde vraag.
"O oui, madame..."
"Rijdt zoo snel ge kunt, ik zal u een grooter drinkgeld geven,
dat ge ooit ontvangen hebt."
Dit was niet tot een doove gezegd.
De fiacre vloog de straten door; de voorbijgangers stonden stil om ze
na te zien; aan pijnlijke onrust ter prooi, beefde en rilde mevrouw
Van Leeuwenburgh als een koortslijdende. Soms greep zij Nora's hand
en drukte die tot brekens toe. Dan weer beet zij op de lippen en zag
akelig verwilderd rond.
"Spoedig, 't is te laat!"
"Neen mevrouw, we komen juist bijtijds en treffen Fernand aan boord."
"Daar zijn we -, O mijn God! neen nog niet; hoe lang moet dit nog
duren; nog een straat door, nog één!"
De laatste oogenblikken lag zij achterover met gesloten oogen en krampachtig
samengetrokken lippen; Nora werd er benauwd van, zoo schrikwekkend en
loodkleurig zag zij er uit.
Het arme kind had nog zoo weinig ondervonden en sedert gisteren ontbrak
haar geen aandoening.
Het rijtuig hield stil en de koetsier maakte het portier open; Nora
wilde het eerst uitstappen en Fernand zoeken, maar uit haar verdooving
ontwakend, duwde mevrouw haar vrij onzacht op de bankzitting terug en
riep met krachtige stem:
"Blijf hier; ik ken zelf mijn weg wel!"
Zij stapte uit en ging de loods in, die naar de landingsplaats leidde.
[242:]
Verwonderd zag
een enkele haar aan; het was zeer vol rondom haar, doch de meesten hadden
genoeg met zichzelf te doen dan dat zij acht zouden slaan op die vrouw
met haar snellen gang en verdwaalde blikken.
Eindelijk stond zij op de kade.
Voor haar strekte zich het dok met zijn schepen en booten uit als een
bosch van masten en zeilen.
"Waar is de paquebot der Messageries Maritimes?" vroeg zij
aan iemand die haar het dichtste bij was.
"De paquebot voor Indie en China?" was zijn wedervraag en
onwillekeurig gleed een lachje over zijn lippen.
"Ja," antwoordde zij terwijl haar heele ziel aan den mond
hing, die haar oordeel zou uitspreken.
"Le voilà," en hij wees op een statig zeegevaarte,
dat niet ver van wal over de golven voortschreed, zijn witte rookpluimen
als een wuivend vaarwel naar Europa's kusten toezendend.
Een snijdende gil ontsnapte haar borst en met de handen voor het gelaat
waggelde zij eenige stappen achteruit, toen zakte zij inéén
en zou neergevallen zijn, als niet Nora, die haar van nabij volgde,
de armen om de zwaar beproefde vrouw geslagen had en trachtte haar troost
toe te spreken.
"Weg, weg!" riep zij op krijschenden toon, "weg, verlaten!
Ha, ha! zoover moest het komen! dat is mijn belooning!"
Haar waanzinnige lach deed het volk toestroomen; men verdrong zich om
haar heen.
Nora zag radeloos rond naar een hulp, een raad.
Als een razende sloeg mevrouw met de armen om zich heen en haar zenuwachtig
gekerm klonk boven alles uit.
"Mevrouw, lieve mevrouw, wees toch bedaard!" bad Nora, "over
drie maanden is Fernand terug!"
"Verlaten, verlaten! Zijn moeder verlaten voor een vreemde. Ha,
ha, zoo hoort het!"
"Help mij, breng haar terug in de fiacre," bad Nora.
Er waren gedienstige handen genoeg, die zich naar de krankzinnige uitstaken,
maar zij bood een heftigen tegenstand.
"Men moet den commissaris van politie waarschuwen," onderscheidde
Nora te midden van het algemeene geroep en getier.
Eenige stappen verder, een weinig uit het gedrang, hoorde zij plotseling
een paar Maleische woorden.
Als muziek klonken die woorden haar in de ooren en verbaasd zag zij
rond.
Bij een hoop koffers en mailstoelen zag zij een heer van knap voorkomen,
met een blauwen sluier om zijn grijzen hoed met een Javaanschen bediende
in Europeesche kleeding, staan praten.
"Mijnheer," sprak zij, "als u een Hollander is, ach kom
toch nader en help een paar Indische dames uit den nood!"
"Ha, juffrouw, een landgenoote dus, dat is een verrassing, waarmee
kan ik u van dienst zijn?"
[243:]
"Och; kom
met mij mede!"
En zij, de vreesachtige, beschroomde Nora, vergat zichzelf in zooverre,
dat zij den wildvreemde bij de hand nam en hem door het gedrang heen
leidde naar mevrouw Van Leeuwenburgh.
"Help mij, ik vrees dat zij krankzinnig is."
De Hollander naderde; met een soort van biologische kracht scheen hij
op de waanzinnige invloed uit te oefenen; hij nam haar bij de handen
en toen hief zij het verwrongen gelaat op.
Plotseling verbleekte hij en riep op verschrikten toon:
"Antoinette!"
Even staarde zij hem aan, toen wendde zij heftig het hoofd om en met
een tweeden gil, nog hartverscheurender dan de eerste, wierp zij zich
in de armen van Nora, die naast haar stond, en verborg het gelaat op
hare schouders.