V.
De
stemming van den jongen burgemeester was ook alles behalve aangenaam.
Voor het eerst van zijn leven was hij verbitterd tegen zijn aangebedene
moeder en voelde zijn hart zich in tweeen scheiden. Théo vaarwel
zeggen na de plechtige woorden, die tusschen hen gewisseld waren, dat
nimmer maar zijn moeder trotseren, niettegenstaan haar onbillijke vooroordeel
en ten opzichte zijner uitverkorende bruid, dit stond hem evenzeer tegen.
De onredelijke verwijten echter, die zij hem had toegevoegd, de onmogelijkheid
om haar te overtuigen, dat zij ten minste in één punt
ongelijk had, de onverdiende vermoedens en verdenkingen, waarmede zij
hem overstelpte, hadden in zijn geest een zuchten naar verzet doen ontstaan,
en hoeveel 't hem kostte, hij voelde dat het nu of nimmer tijd was haar
te toonen, dat hij slechts tot in het redelijke van plan was haar gehoorzame
en gewillige zoon te blijven.
Na een slapeloozen nacht leidde hij bleek en verstrooid een vergadering
van den gemeenteraad, toen hem een brief werd gebracht.
Hij herkende het schrift zijner moeder en ontstelde hevig; met haast
bovenmenschelijk geduld hoorde hij tot het einde de beraadslagingen
der leden aan, gaf verwarde antwoorden en trachtte te vergeefs zijn
gedachten bijeen te houden.
Eindelijk, toen de zitting, die langer dan gewoonlijk duurde, was afgeloopen,
snelde hij naar buiten, brak de enveloppe open en las in de grootste
spanning de. weinige regels, welke zij bevatte.
[189:]
't
Waren in eenige lieve, treurige woorden de toestemming tot zijn huwelijk!
Dat had hij niet kunnen verwachten; zou Théo zulk een goeden
indruk op zijn moeder hebben gemaakt, doch daar schreef ze niets van.
Al de liefde voor zijn moeder, die verduisterd scheen door zware ondoordringbare
wolken, stroomde thans weer in volle stralen door zijn hart; de brief
werd met duizenden kussen overdekt, en daar hij niet voor den avond
naar Leeuwenburgh kon vertrekken, stuurde hij twee telegrammen, een
naar zijn moeder om haar te bedanken, het ander naar Théo, dat
zij echter niet ontvangen kon. Binnen weinige uren wist de geheele stad
dat hij geëngageerd was en hij ontving van alle kanten de hartelijkste
felicitatiën.
Bij zijn aankomst aan het station werd hij verwelkomd door Van Noorden,
die hem gaarne omhelsd had, maar daar Fernand dit behendig ontweek,
stelde hij zich tevreden hem zoo luid mogelijk als zijn aanstaanden
schoonzoon te feliciteeren.
Fernand was te gelukkig om dit onaangenaam te vinden; dat hij Théo
niet in de stad zou aantreffen was hem een groote teleurstelling. Men
had haar getelegrafeerd, nadat papa zoo brutaal was geweest bet telegram
aan haar geadresseerd te openen, doch er was nog geen antwoord gekomen.
"Dat is niets," zeide Fernand, "ik zal haar morgen wel
gaan opzoeken."
Zij gingen vroolijk en opgewekt naar huis; Van Noorden wilde dat Fernand
even binnen zou komen, de wijn, heerlijke Chambertin, stond klaar en
zijn vrouw (wat was Ida plotseling een belangrijk personage geworden)
wilde haar nieuwen zoon gaarne eens een moederlijken kus geven, waar
Fernand had te veel haast om zijn mama te zien, verontschuldigde zich
na een haastig afscheid en ijlde naar Leeuwenburgh. Bruno stond in de
gang en wenschte hem zeer stijf met zijn voornemens geluk.
"Dankje, dankje," en hij stormde de huiskamer binnen.
Schijnbaar kalm zat mevrouw Van Leeuwenburgh voor den haard; hij wierp
zich om haar hals en snikte.
"O mama, lieve mama! Vergeef mij toch..."
"Je hebt me geen vergeving te vragen!" was het vriendelijk
weemoedig antwoord; "misschien zou ik 't jou moeten doen, maar
je weet dat alleen mijn groote liefde mij onrechtvaardig jegens u deed
zijn. Ik ben nu overtuigd dat je mij niet bedrogen hebt, en daarom moge
God je zegenen!"
"En Théo ook?"
"Lieve jongen, ik wil voor je geluk gaarne alles vergeten: mijn
eigen keuze, mijn antipathieën, mijn wrok tegen die familie, maar
verwacht nog niet dadelijk van mij, dat ik je aanstaande vrouw lief
zal hebben en waardeeren, zooals jij 't nu reeds doet. Later wellicht..."
"Zeker, daar twijfel ik niet aan! Beste, lieve Mama, hoe zal ik
u ooit genoeg kunnen bedanken, maar geloof me, welke liefde
[190:]
ook
mijn hart vervullen mag, nimmer zal ik u minder vertrouwen, minder beminnen.
Het menschelijke hart is zoo groot!"
"Spreek nu niet meer over dit punt, de toekomst zal leeren hoe
gij je beloften houdt."
"Maar is u nu wel overtuigd, lief mamaatje, dat het zoo 't beste
is, nu zulk een lieve dochter (mevrouw Van Leeuwenburgh had moeite een
ironischen lach te onderdrukken) tusschen... neen naast ons zal zijn?"
"Kom, vleier, vraag maar niet wat ik denk! Je zijt immers gelukkig
en u mannen heeft men zoo gewend aan 't idee, dat alles voor u alleen
bestaat, dat je niets natuurlijker vindt. dan dat men ook alles voor
je genoegen schikt. En nu genoeg er over; God schenke mij geen dagen
meer te doorleven als de laatste."
Weer overlaadde Fernand zijn moeder met liefkoozingen; Bruno trad binnen
en de avond ging aangenaam om doch toen mevrouw in haar kamer trad,
viel zij uitgeput op haar gewone chaiselongue neer en zuchtte:
"Dat is boven mijn krachten, die veinzerij; en hij, de egoïst,
bemerkt niet hoeveel die toestemming mij kost, welkt een smart zijn
geluk mij veroorzaakt want nu eerst zie ik hoe na dat schepsel hem aan
het hart ligt, en ik? Ach! met elken dag neemt mijn ouderdom toe, ik
zal moeten toezien hoe een andere hem beheerscht, en andere, die mij
haat. We zullen moeten strijden en wie zal overwinnen?
"Ik, die hem bemin, ik, wie hij alles te danken heeft, hoe kan
ik er aan twijfelen? Dit onaangename moet ik nog doorworstelen."
Zoo beantwoordde zij zelf haar angstige vraag, maar toch vermocht zij
niet een geheimen angst te onderdrukken.
Den volgenden morgen nam Fernand afscheid van haar, om naar den Haag
te vertrekken, en ging op zijn weg naar het station even bij de Van
Noordens aan.
Nora opende hem de deur; hij kuste haar recht broederlijk en vroeg toen
in de overmaat zijner vreugde:
"Ben je niet blij, beste Nora, dat we nu broer en zuster worden?"
Zij drukte hem de hand en vermeed te antwoorden.
"Wil je mama spreken, Fernand? Kom dan maar binnen," zeide
toen en liet hem alleen.
Mevrouw Van Noorden's vreugde zou volmaakt zijn, zonder het verdriet
van Nora, dat zij alleen van de huisgenooten kende; doch liet viel gemakkelijk
deze wolk te verbergen, zoodat Fernand van zijn toekomstige familie
niets dan de grootste hartelijkheid ondervond.
Van Noorden bracht hem weer weg.
"Ik kan je niet zeggen, Fernand," zeide hij, "wat ik
met je engagement in mijn schik ben. Al zou je met Nora, in plaats van
met Théo gaan trouwen, dan zou ik niet gelukkiger kunnen wezen.
Je krijgt een flinke vrouw, hoor! en een rijke ook en ze heeft er al
zooveel bedankt. Nu, ik ken je door en door, van den tijd af
[191:]
toen
je een ventje was, zoo groot als mijn parapluie en ik weet ook, dat
je nooit vergeten zult, dat je aanstaande de dochter is van mijn goede,
beste vrouw."
"Natuurlijk niet!"
"En Nora wordt je schoonzuster; zou je nu die zaak van vroeger
niet eens weer willen ophalen? Gaarne zou ik dien Gortz alles vergeven,
maar dan moest hij het plan van vroeger doorzetten; wil hij Marietje
liever, die knapper wordt dan Nora, ze lijkt veel op Théo, vindt
je niet?" - Fernand beet zijn sigaar stuk, om niet in lachen uit
te barsten - dan is 't zijn zaak, maar ik zou hem gaarne een mijner
dochters toevertrouwen."
"Kom, maak u geen zwaar hoofd daarover, kapitein; Bruno is wat
te oud voor uw dochters. In Meerburg zal ik wel een paar goede mannen
voor beiden vinden. Een van mijn wethouders is een flink jongmensch
en wij zullen in elk geval wel zorgen, dat onze zusters een Bink bestaan
hebben."
"Je zijt een edele jongen," en de kapitein haalde met veel
omhaal zijn grooten, geruiten foulard voor den dag en drukte dien tegen
de oogen, "ja, geen wonder dat Nora zich niemand liever dan u,
tot echtgenoot zou gekozen hebben, maar zoo is 't beter."
Zwijgend gingen ze een oogenblik voort; Fernand begon het gebabbel erg
te vervelen, maar de kapitein hield van geen stilte.
"En waar zult ge nu gaan wonen?"
"Wel, in Meerburg natuurlijk."
"Dat spijt me, we hadden anders hier veel meer aan mekaar gehad;
en blijft de oude vrouw dan hier?"
"Mama bedoelt u? Wel neen, mama zal bij ons komen."
"Laat je raden, vriend! Dat gaat nooit goed, dat geeft maar ongenoegen;
op een afstand blijft men veel beter goede vrienden dan in hetzelfde
huis. Théo is wel een heel ferm, degelijk, mooi, knap meisje,
maar geen katje om zonder handschoenen aan te vatten, en je mama is,
geloof ik, erg jaloersch, dus dat zal nooit gaan."
"Laat dat maar aan ons over, kapitein," antwoordde Fernand
koel uit de hoogte, "wij zullen zelf wel weten wat ons het beste
is."
Dat stemde Van Noorden een weinig bedaarder.
"Eigenzinnigheid der jeugd," dacht hij medelijdend, "maar
ik die mijn wereld ken, begrijp het beter, Nu, laat hen het maar voelen,
als 't te laat is."
Eenige minuten later reed Fernand naar de Residentie.
't Eerste wat Théo, bij het vernemen van het nieuws, ondervond,
was een gevoel van zegepraal, gevolgd door zekere schaamte; zij herinnerde
zich de woorden van Fernand's moeder: "Nu weet ge, hoe ik mijn
toestemming, zoo ooit, schenken zal."
Zij voelde zich hoe langer hoe schuldiger; het bewustzijn van een slechte
daad te hebben gepleegd, drukte zwaar op haar gemoed, nu zij bereikt
had, waarnaar zij eens zoo streefde, kon zij niet
[192:]
begrijpen,
hoe zij ditzelfde nog gisteren met alle kracht had kunnen wenschen.
Zij schudde echter dit gevoel zooveel mogelijk van zich af en 's avonds
bij het naar bed gaan zeide zij tot hare grootouders:
"U kunt me feliciteeren, ik ben geëngageerd."
"Met Van Leeuwenburgh?" vroegen beiden.
Zij snikte en wist zelf niet hoe het kwam, tranen vulden haar oogen.
"En ben je daar bedroefd over?" vroeg de oude heer en sloot
haar in zijn armen.
"Neen, grootpapa, neen integendeel, men schreit niet altijd uit
verdriet."
"Zoo, dus de zoon van Antoinette wordt onze kleinzoon, 't is in
de familie; nu ik kan je zeggen dat het mij pleizier doet, kind,"
zei de grootmoeder en kuste voor het eerst, sedert de scène met
Verheide, haar kleindochter recht hartelijk.
"Maar we zijn nog altijd met Antoinette gebrouilleerd, niet waar,
papa? Hoe zal dat gaan?"
"Ja, kindlief, dat weet ik niet. Ik was er heel buiten; zooals
jij je nog wel herinneren zult; enfin! 't is een goede gelegenheid zich
te verzoenen."
"En wanneer trouw jelui nu? En je passage is al besteld. Je gaat
natuurlijk niet meê."
"Dat is niets, grootma, daarvan zullen we wel afkomen; er is niets
besloten. ik verwacht Fernand morgen; dan zullen wij 't wel hooren."
"Nu, je krijgt een ongemakkelijke schoonmoeder, hoor! Een eerste
voorwaarde moet zijn, niet bij mekaar te wonen."
"Dat moet Fernand beslissen, grootma, ik laat het geheel aan hem
over, maar mijn grootste zorg zal moeten wezen, om te trachten haar
liefde te winnen: zij en Fernand zijn zoo gehecht aan elkaar, dat het
zonde zou zijn, tusschen hen beiden te treden. 't Is een moeilijke taak,
maar God zal me helpen."
Zij kuste de oude lui goeden nacht en ging naar haar kamer.
"Wat is ze mak!"' riep de oude dame uit. "Een vos die
de passie preekt. Nu, als Antoinette haar temt is ze knapper dan ik!
Maar het gaat nooit goed."
"Zij is een lief kind; dat heb ik altijd gezegd. Zij heeft den
zelfden aard als onze Albert: driftig, maar goedhartig als niemand ter
wereld."
Toen Théo daags daarna Fernand ontmoette, was hij verwonderd
en verheugd tegelijk over haar ernstige, maar toch liefdevolle houding.
Haar eerste vraag gold zijn moeder:
"Heeft die toestemming haar veel gekost?"
"O neen, zij is even vriendelijk, even beminnelijk jegens mij als
vroeger en aan u heeft zij de groeten verzocht."
"Zij heeft zichzelf verloochend!" dacht Théo, "haar
beter ik behaalde de overwinning na die samenkomst, waarin ik haar zoo
ver-
[193:]
toornd
heb. Welk een verantwoording rust nu op mij. Ik moet beiden gelukkig
maken!"