VI.
Drie weken bracht
Fernand in den Haag door, op aaraden zijner moeder.
"Ik ben nog niet gewoon," schreef zij, "u geheel met
een ander bezig te zien; 't is beter dat ik er niet bij ben."
Dezen tijd had een grooten invloed op Théo. Zij was ernstig in
haar nieuwen staat getreden; niet als een spel nam zij haar verloving
op, maar als een hoogst moeilijken plicht; als een taak zelfs. Fernand
en hare grootmoeder herkenden haar niet meer; zij was evenals in de
dagen voor het verbreken van haar betrekking tot Verheide bedaard, teder,
melancholiek. Zoo had Fernand haar nimmer gekend en hij kreeg er haar
des te liever om; hij zag dadelijks meer in, hoe zijn moeder zich vergist
had in haar oordeel ten opzichte van Théo, en twijfelde dan ook
niet of alles zou later goed gaan en een innige vriendschap beide vrouwen
vereenigen.
Théo behoefde zich geen geweld aan te doen, om Fernand liefdevol
te behandelen; zij had hem, ten minste dit meende zij, zonder genegenheid
haar jawoord gegeven, doch sedert lang reeds was haar geest meer met
hem bezig geweest, dan ooit te voren met een anderen, en nu zij hem
dagelijks hoorde en sprak nu zij zijn geest meer en meer bewonderen
leerde en zijn liefde jegens haar waardeerde, nu verweet zij zich, dat
het ooit in hare gedachten was opgekomen, een spel met hem te drijven.
Een ongekend doch niet meer vaag en onduidelijk gevoel sloop in haar
hart, en veranderde haar manier van zijn geheel; zachte, teedere aandoeningen
vervulden haar ziel, en weldra moest zij zich bekennen, dat zij haar
aanstaanden bruidegom beminde met alle kracht eener eerste liefde.
Ja, zij had hem, zonder het te weten, reeds lang innig lief, haar Fernand
met zijn bleek, interessant gelaat, zijn donkere, geestvolle oogen,
zijn dichterlijke liefde voor haar, zijn dwepende gehechtheid aan zijn
moeder.
En hoe grooter en vuriger dat gevoel werd, des te minder voelde zij
zich schuldig, des te meer achtte zij zich gerechtvaardigd tegenover
de Van Leeuwenburghs.
Haar huwelijk zou in het laatst van November voltrokken worden; de Van
Vaernes vertrokken op den reeds bepaalden tijd, daar de oude mevrouw
verklaarde dat zij niet bij de bruiloft tegenwoordig kon wezen, omdat
zij voor geen prijs met de onverzoenlijke Antoi
[194:]
nette en de Van
Noordens in aanraking wilde komen; de oude heer vond dit belachelijk,
doch schikte zich als gewoonlijk naar de wenschen zijner gade. Théo
keerde dus naar haar mama terug, terwijl Fernand den halven tijd op
Leeuwenburgh doorbracht.
Théo's houding was onberispelijk; zij trachtte op alle mogelijke
manieren de gunst van mevrouw Van Leeuwenburgh te winnen, maar de hartelijkheid
kan niet van één kant komen; de stijve, altijd even beleefde
manieren der aanstaande schoonmoeder zouden haar vroeger hebben aangezet
tot een wreveligen geest van oproer, die haar al haar invloed op Fernand
deed gebruiken, om hem geheel en al van zijn moeder te vervreemden,
maar de liefde had haar sedert geheel veranderd. Zijn geluk was voortaan
haar eerste zorg, en om dit volmaakt te doen zijn moest zij haar schoonmoeder
sparen en liefhebben, ten minste voor den schijn. Haar positie was moeilijk,
doch zij schikte er zich zoo goed in, dat Fernand, die slechts uiterlijkheden
zag en niet dieper dan tot op de oppervlakte doordrong, verwonderd was
dat die twee het zoo goed samen konden vinden, maar het viel hem ook
niet op, hoe zijn moeder bij den dag ouder werd, hoe de jaloezie haar
verteerde, hoe zij zich geweld moest aandoen om niet scherp te zijn
tegenover Théo, die zij nog altijd als een volleerde huichelaarster
aanzag.
Een troost bleef haar over, dien zij echter zichzelf nauwelijks durfde
bekennen.
"Als zij getrouwd zijn, zal zij haar masker eindelijk afwerpen
en zich vertoonen zooals zij is, dan is het wel te laat voor Fernand,
maar ik blijf hem toch nog over."
Die onberispelijke houding, waarop zij niet de minste aanmerking kon
maken, maakte haar inwendig vijandiger tegen Théo gezind dan
een opene, minachtende houding het ooit had kunnen wezen.
Grooter ondienst kan immers degene ons niet bewijzen, dan wij om de
eene of andere reden meenen niet te mogen liefhebben, dan van zijn kant
geen aanleiding te geven tot rechtvaardiging dier antipathie.
Nora bleef, zooals zij steeds geweest was, vriendelijk, zacht en voorkomend
jegens beiden.
"Geloof je nu, dat we gelukkig zullen worden?" vroeg Théo
haar eens.
"Ja, ik begin het te hopen," was Nora's antwoord, "ten
minste als er geen schoonmama was."
Op een Zondag was de familie Van Noorden bij mevrouw Van Leeuwenburgh
te dineeren gevraagd.
De kapitein, zijn vrouw en Marietje vergezelden Théo; Nora was
dien morgen vertrokken om persoonlijk over een betrekking met de directrice
van een pensionnaat te spreken, want met algemeen goedvinden was besloten,
dat zij een plaats als secondante zou aannemen in een school, waar zij
tevens gelegenheid zou hebben voor haar examens verder te studeeren.
[195:]
"Maar, mijnheer
de kapitein," zei juffrouw Emilie, "het is toch verschrikkelijk
voor die arme Nora, zoo haar familie te verlaten en dan op een vreemde
schoolonderwijs te geven, zij, die zoo weinig gelegenheid had met kinderen
om te gaan!"
"Weinig gelegenheid?", vroeg mevrouw Van Leeuwenburgh geërgerd:
"ik zou toch willen, Emilie, dat je met wat meer nadenken spraakt.
Ge zijt oud genoeg om niet te redeneeren als een onnoozel meisje; heeft
iemand ooit veel met kinderen uit te staan gehad, dan is 't stellig
Nora geweest!"
"O ja, maar vreemde kinderen, dat maakt een groot verschil met
eigene broertjes en zusjes."
"'t Is in elk geval een goede leerschool," meende mevrouw
Van Noorden.
"Zoo denk ik er ook over," en kapitein Van Noorden streek
zijn dunne knevels op, "een meisje mag haar tijd niet in ledigheid
doorbrengen. Reeds mijn vader zei dat in zijn tijd: "Ledigheid
is de bron van alle kwaad," en daarom schuw ik ook de ledigheid
als..."
"Een bron koud water," liet Théo zich ondeugend genoeg
ontvallen.
Fernand lachte.
Mevrouw Van Leeuwenburgh wierp haar aanstaande schoondochter een vinnigen
blik toe en zich tot den kapitein wendende, dien zij evengoed kende
als Théo, zeide ze dadelijk er op:
"Ja, kapitein, u heeft groot gelijk, er is niets verderfelijker
voor een jong meisje dan haar tijd in niets doen door te brengen: ik
heb 't altijd in de opvoeding, die u en mevrouw aan uw kinderen gaf,
geprezen, dat hun weinig tijd werd overgelaten om die aan beuzelingen
te besteden, en nu Marietje in staat is haar mama te helpen, vind ik
niets beters voor Nora dan dat zij een geëerde positie zoekt te
verkrijgen."
Van Noorden zag zegepralend zijn stiefdochter aan, die echter voortging
met haar soep, zonder een blijk te geven dat zij het gesprek volgde.
Fernand beet zich op de lippen, mevrouw Van Noorden was er verlegen
mee; Théo kon soms zoo ondoordacht spreken en 't speet haar altijd
wanneer mevrouw Van Leeuwenburgh het dan hooren moest.
Een echter was er die verwonderd zijn oogen liet gaan van Fernands moeder
naar den kapitein, en toen ze weer neersloeg om beter zijn herinneringen
na te gaan.
"Vergis ik mij," dacht Bruno, "of is het werkelijk mevrouw,
die zoo spreekt, zij, die altijd de schouders ophaalde voor kapitein
Van Noorden en honderd malen haar afkeuring te kennen gaf over zijn
wijze om zijne kinderen af te beulen en oud te maken voor hun tijd;
zou zij nu dat sijsteem goedkeuren en dien man nog verwaander maken
dan hij reeds is? Mijn God, hoe is 't mogelijk? Zou men dan zoo geheel
en al van overtuiging kunnen veranderen, of wel meent zij niet, wat
zij zegt?"
[196:]
Al
zijn oude folianten hadden hem nog geen blik gegund in dat onverklaarbaarste
ding der wereld, het hart eener vrouw.
Juffrouw Emilie gaf niet spoedig toe.
"Ik zie er de noodzakelijkheid toch niet van in. Nora kan thuis
genoeg werken en dan in den vreemde gaan, neen, dat vind ik jammer van
het meisje."
"'t Is met mijn goedkeuring geschied, juffrouw," zei kort
en beslist de verstandige vader, "en dan begrijpt u dat er wel
zeer gewichtige gronden moeten geweest zijn om tot een besluit over
te gaan, dat niemand meer kost dan mij!"
Nu zweeg Emilie, zeer gekwetst in haar eigenliefde, vooral omdat mevrouw
door blikken genoeg te verstaan gaf hoezeer zij die terechtwijzing goedkeurde.
"'t Was het beste, wat het arme kind nu doen kon," voegde
zij er zelf bij met een beteekenisvol gebaar.
Nu voelde Théo zich het bloed naar 't hoofd stijgen: een soort
van namelooze ontmoediging trad in haar ziel en zij verwenschte haar
geluk, dat haar nu van weinig beteekenis voorkwam, omdat niemand het
haar scheen te gunnen.
Wat had zij op dit oogenblik niet gegeven voor een bewustzijn van triomf,
zooals zij zich voorgesteld had te gevoelen, wanneer zij haar doel zou
bereikt hebben, van voldoening over hetgeen zij veroverd had, de liefde
van haar Fernand, ten spilt van allen die ze haar misgunden!
Doch al is 't ons gegeven eindelijk te verkrijgen waar wij sedert lang
naar haakten, al bezitten wij het ook in al zijn volheid, wie zal ons
verzekeren dat ons gemoed dan zoo gestemd is om het te genieten. zooals
het werkelijk verdient?
"Zulk een gevoel zou ik misschien kunnen hebben na een openlijken,
fleren strijd," dacht Théo; "dat die speldenprikken
verlammen mij, doch Fernand mag het niet weten. 't Zou hem verdrietig
maken, als hij hoorde, dat zijn moeder mij deed lijden."
Na 't diner moest Fernand een dringenden brief schrijven, de familie
bleef onderwijl in het salon.
Eenige jaren geleden had Fernand de eene veranda tot een serre laten
inrichten, bij wijze van verrassing voor zijn moeder.
Nu stonden de deuren die daarheen leidden open, en kapitein Van Noorden
ging tusschen de varens en vreemde bloemen dwalen om er herinneringen
van 't heerlijk Insulinde op te doen, eigenlijk om de fijne havana van
zijn aanstaanden stiefschoonzoon op zijn gemak te kunnen uitrooken.
Théo had zich op een tuinstoeltje geplaatst in een der uithoeken
van de serre.
Een buitengewoon groote geranium stond achter haar, en de helder roode
bloemen staken scherp bij haar zwarte krullen af. Zij had een donkergroen
lakensch kleed aan, dat haar bijzonder goed kleur die en nu vooral,
tusschen al die planten en bloemen, maakte zij op mevrouw Van Leeuwenburgh
een geheel nieuwen indruk.
[197:]
Een plaatwerk lag
op haar schoot en zij hield haar oogen met de lange wimpers neergeslagen;
een schaduw van zwaarmoedigheid rustte op haar gelaat.
Nooit nog was zij Fernands moeder zoo schoon voorgekomen en een stem,
die zij liefst onderdrukken wilde, fluisterde haar toe:
"Is dit niet de grootste verdienste van uw zoon, dat hij haar hart
en liefde heeft weten te verwerven?"
"Neen, liefde niet!" herhaalde zij zich dadelijk, "want
zij bemint hem niet en Fernand is oneindig meer waard; een ander zal
voortaan hem nader wezen dan ik."
't Was haar niet te vergeten egoïsme dat weer sprak, een egoïsme,
dat haar onophoudelijk deed betreuren van niet het vorige jaar te zijn
gestorven toen zij op het toppunt stond van haar geluk.
Zij ging in de aangrenzende kamer om haar aandoening te verbergen, want
zij voelde zich zwak worden.
Emilie sprak met mevrouw Van Noorden en duidelijk hoorde zij zeggen:
"Ja, ik verlang zeer naar het huwelijk; het zal 't toppunt zijn
van Fernands wenschen. Die goede jongen zal zoo gelukkig worden met
uw dochter, maar voor de arme mevrouw is het niet alles. Zij is gewoon
alles te doen voor en met Fernand en nu zal 't wel veranderen."
Tranen van spijt welden in de oogen der beklaagde op.
"Beklaagd worden; dat ontbrak er nog aan! Doch neen, 't is mijn
eigen wil, ik moet veinzen totdat..."
Juist kwam Fernand binnen.
"Hebt ge je brief af?" vroeg zij zonder op te zien.
"Ja, wil u hem lezen?"
"Als 't u belieft."
Zij nam den brief aan en ging een weinig ter zijde om Théo in
de gelegenheid te stellen eens te zien, hoezeer zij Fernands vertrouwen
nog genoot en alle brieven las, die hij verzond.
"Zeer goed, 't kon niet beter," zeide zij na de lectuur.
"Vindt u? Dat doet me pleizier!"
Hij vouwde langzaam den brief dicht.
,Mama!" zei hij aarzelend.
"Wat is er?"
"Mag ik u,iets verzoeken?"
"Nu, wat dan?"
"Och, mama, doe mij het pleizier Théo niet meer zulke hatelijkheden
te zeggen als van middag. U begrijpt dat mij dit even onaangenaam is
als haar."
Het was de eerste keer dat Fernand een opmerking durfde maken over haar
handelingen of woorden.
"Verzoek haar eerst," antwoordde zij scherp, "geen ongepaste
dingen meer tegen haar vader te zeggen."
"Dat was een aardigheid, niets meer, die de kapitein wel ver
[198:]
diende; u moest
eens hooren hoe zij hem soms lachende heel andere dingen zegt, die hij
zeer goed opneemt."
"Dat verontschuldigt haar niet; en 't is geen teeken van haar goed
karakter dat zij zoo oneerbiedig is tegen haar vader."
"Haar stiefvader, altijd!"
"Dit doet er niets toe, als zij nu reeds op dit onderscheid let,
hoe zal zij dan later zich gedragen tegenover de moeder van haar man?"
"Daar vrees ik niet voor, maar alle vriendelijkheid kan ook niet
van een kant komen."
"Maar wat heb ik anders gezegd dan een algemeenheid? Als zij zich
dat aantrekt des te erger voor haar."
" Mais c'est le ton qui fait la chanson. "
"Zoodat jij... maar ik had er op voorbereid moeten wezen. 't Is
pas het begin."
Dat woord werd zacht uitgesproken doch op een toon zoo bitter, dat Fernand
er van schrikte.
Hij zag haar aan en tot zijn nog grooter schrik ontwaarde hij tranen
in haar oogen; haar tranen waren hem steeds zoo verschrikkelijk voorgekomen,
juist omdat zij slechts hoogst zelden weende, en nu voelde hij zich
weer den angst om het hart slaan.
"O mama, neem 't zoo niet op! U is immers altijd de eerste; mijn
liefde voor u is anders dan voor Théo, maar ach! geloof mij,
ook zonder haar heeft het leven geen waarde meer voor mij!'
"En zonder mij zoudt ge volmaakt gelukkig zijn!" dacht zij,
maar sprak het niet uit.
Snel streek zij met den zakdoek langs de oogen en keerde tot haar gasten
terug, die niet vermoedden; welke smartelijke wonden in dat oogenblik
daar dichtbij geslagen waren.
Fernand zocht een poos later zijn meisje op.
Théo lachte hem toe en reikte hem de hand.
Tot zijn grooten weerzin voelde hij iets in zijn hart, dat niets anders
was dan een gevoel van verademing bij bet gezicht zeer lieve, glimlachende
Théo, in plaats van zijn strenge, lichtgeraakte moeder.
Hij zette zich naast haar neer en zij zagen samen de plaatwerken.
"Wat een mooi paar" zei kapitein Van Noorden. "Mevrouw,
doet u dit ook niet terugdenken aan lang vervlogen dagen?"
Een smartelijke glimlach plooide zich om de lippen van mevrouw Van Leeuwenburgh.
"Neen,' zeide zij, "ik heb dat nooit willen ondervinden."
Mevrouw Van Noorden voelde haar oogen vochtig worden.
"Fernand lijkt zoo veel op Théo's vader," sprak zij.
"Dat wil ik wel gelooven, ze waren ook vrij na familie van elkander."
"Fernand," zei Théo zacht, "later moet je mij
leeren goed mijn tijd door te brengen, niet waar? Altijd heb ik het
mijn grootste verdriet gevonden, geen vaste werkzaamheden te hebben
en anderen lachten mij er om uit; men klaagt wel eens omdat men het
te druk heeft, maar wie heeft ooit gehoord van iemand die treurt omdat
hij een gemakkelijk leven heeft?"
"Maak je niet
ongerust, Théo, wij zullen ons wel bezig houden."
"Ja, ik zal alles doen wat je zegt, al wil je ook dat ik Latijn
leer," antwoordde zij lachend.
"Neen, dat is niet noodig; maar 't eenige wat ik je nu verzoek
is, dat je je niets aantrekt van al wat mijn mama zegt. Je begrijpt
dat het haar hard valt te moeten zien, dat zij met een ander mijn liefde
zal deelen, zij, die gewoon is mij altijd bij zich te hebben."
"Zeker, dat begrijp ik zeer goed en je ziet immers ook, dat ik
er volstrekt niet boos om ben? Zij heeft wel iets van grootmama, vind
je niet?"
"Dat heb ik reeds dadelijk gedacht, toen ik nog niet eens wist
hoe zij familie van mekaar waren."
"Dan verwondert het mij niet dat ze gebrouilleerd zijn; uitersten
alleen trekken elkander aan, niet waar, Fernand?"
Dien avond toen mevrouw Van Leeuwenburgh naar haar kamer ging riep zij
Emilie ter zijde en voegde haar toe:
"Morgen gaan wij naar Meerburg, zorg dat alles tegen dien tijd
klaar is."
Niemand blijder dan juffrouw Emilie; die haar bijzondere redenen had
om Meerburg boven het landgoed te verkiezen.