lV.
Bij
de stadspoort ontmoette mevrouw Van Leeuwenburgh kapitein Van Noorden
met twee kleine kinderen, Marietje en Théo, die te voet met valiezen
en reistasch gewapend naar het station schenen te gaan. Zij leunde achterover
en deed of zij hen niet zag. Op haar landgoed aan te komen, waar niemand
haar verwachtte, ging zij regelrecht naar haar kamer, bestelde een kop
sterke koffie, en wierp zich op haar chaise longue neer, waar zij lang
achterover bleef liggen met gesloten oogen en op elkander gedrukte handen,
die soms zenuwachtig trilden.
Plotseling stond zij op en schelde.
"Hoe laat is het?" vroeg zij aan de meid, die binnenkwam.
"Bij zessen."
"Ga eens even naar kapitein Van Noorden en vraag of juffrouw Nora
tijd heeft bij mij te komen."
Nog geen kwartier later werd er aan de deur getikt en Nora trad binnen,
gevolgd door de meid, die de lamp droeg.
Mevrouw richtte zich half op.
Nora schrikte van hare bleekheid, die door haar lange donkere kleeding
nog meer uitkwam; haar lokken hingen in lange, half vergrijsde strengels
om den hals en schouder en de hand, die zij Nora toereikte, was kil
en klam.
"Ga zitten, Nora," en zij wierp zich weer achterover, "ik
ben niet wel; ik geloof dat ik zwaar ziek word. 0, mocht het waar zijn."
"Mevrouw, dat meent u niet."
"En waarom zou ik 't niet meenen? Het eenige, dat aan mijn leven
waarde gaf, wordt mij ontnomen door uw zuster. 't Is nu
[186:]
tijd,
dat ik heenga; niets is smartelijker dan zijn roem of zijn, geluk te
overleven."
Een pijnlijke stilte volgde.
"Is zij op reis?" vroeg mevrouw een oogenblik later.
"Ja, naar den Haag bij haar grootouders."
"Waar zij hem zeker verwacht; ik heb u laten roepen, Nora, om u
te vragen mij alles te verhalen, alles, wat tusschen hen is voorgevallen,
ten minste wat je weet."
't Was een zware taak voor Nora; zij wilde haar zuster in geen slecht
daglicht stellen en toch mevrouw Van Leeuwenburgh, met wie zij oprecht
medelijden had, niet bedroeven.
Zij verhaalde zoo kort mogelijk de toevallige ontmoeting in Ems, de
tochtjes die zij samen gemaakt hadden, het bezoek dat Fernand hier gebracht
had zonder te weten dat Théo er was; zijn herhaalde aanzoeken
en eindelijk het afscheid in het bosch, dat zij van verre zien moest.
"En is dit alles?"
Nora verzweeg natuurlijk haar gesprekken met Théo, waarin deze
al te oprecht was geweest.
"Alles wat je er van opgemerkt heb, bedoel ik natuurlijk. Dus je
weet niets van een correspondentie, die ze gevoerd hebben, van een relatie,
die reeds op Java begonnen is?"
"O neen, mevrouw, ik ben zeker dat er nooit zoo iets tusschen hen
bestaan heeft. Eerst in Ems is de kennis voor goed begonnen en toen
hier voortgezet."
Weer zweeg mevrouw nadenkend; als dat waar was, hoe onrechtvaardig had
zij haar zoon dan niet verweten dat hij haar bedrogen had; zij had niets
willen gelooven van zijn verontschuldiging en in de hevigste bewoordingen
hem van ondankbaarheid, huichelarij en bedrog beschuldigd.
Als zij door haar oploopendheid; haar hartstocht, zijn liefde zou gaan
verliezen, en Théo geheel ging zegevieren? De gedachte was verschrikkelijk;
niets immers treft smartelijker dan een onverdiend verwijt, niets verbittert
de ziel in zulk een hooge mate als een beschuldiging gegrond op valsche
vermoedens.
"Zijt ge er van overtuigd, Nora?"
"Ja. mevrouw, geheel; ik heb alle brieven van Théo gezien
en ik ken Fernands schrift te goed."
"Maar zij is zoo sluw en listig."
Nora schudde het hoofd.
"Dat is zoo niet, mevrouw! Zij is een eigenaardig meisje vol tegenstrijdigheden,
maar ze heeft een goed hart, dat is zeker. Wanneer mama haar opgevoed
had, dan..."
"Houdt toch op met dat meisje te prijzen, dat troost me niet!"
Zij bleef opnieuw met gesloten oogen nadenken, Nora zweeg en wachtte
een nieuwe vraag af.
"Bemint ze hem werkelijk?" vroeg mevrouw plotseling, zoo kortaf
dat Nora er door verrast werd.
[187:]
Zij
staarde haar aan en antwoordde niet.
Heftig richtte mevrouw zich op en greep Nora's handje stijf in sterk
in de hare.
"Geef me dan één antwoord; ik heb recht je dit te
vragen, ik, die mijn zoon moet afstaan aan een vreemde; ik ken dit meisje
slechts van de ongunstigste zijde en ik wil weten of zij ten minste
in haar liefde verschooning kan vinden voor haar handelwijze!'"
Nora sidderde; zij wilde haar zuster niet verraden en de angst voor
die vreemde vrouw, welke. haar bijgebleven was van dien avond, toen
zij beiden voor Fernand's ziekbed stonden, overweldigde haar geheel.
"Nu, ik herhaal mijn vraag, Beantwoord die op uw geweten af! Bemint
Théo mijn zoon?"
't Meisje brak in luide snikken los.
"Neen, mevrouw, neen, Théo weet nog niet wat liefde is,"
bracht zij er met moeite uit.
"Ik dacht het reeds, maar jij mijn arme Nora, jij weet het wel,
niet waar? Ach, kind" en zij trok Nora naar zich toe en kuste haar
op het voorhoofd, "had ik alles vooruit geweten, welk een goede,
lieve dochter zou ik reeds sedert lang hebben gehad."
Nora liet haar hoofd rusten op den schouder van Fernands moeder en weende
haar smart uit; ook mevrouw Van Leeuwenburgh's oogen bevochtigden tranen
van kalmer droefheid.
Zij was er nog ver vanaf de zelfbeheersching van Nora, dat eenvoudige
kind, te bewonderen en met haar eigen egoïsme te vergelijken, maar
het deed haar goed dat er nog een ander was, lijdende door dezelfde
smart, die haar neerdrukte.
"Zij bemint hem in het geheel niet. Ze wil hem dus alleen trouwen
omdat hij een goede partij is."
Nora knikte zelfs niet meer van ja; zij had reeds te veel gezegd.
Toen boog mevrouw Van Leeuwenburgh zich naar Nora's oor en fluisterend
vroeg zij:
"Zouden ze gelukkig zijn? Je kent beider karakter en neigingen
en kunt er dus over oordeelen."
Weer barstte het anders zoo kalme kind in tranen uit:
"O, als ik daarvan overtuigd was, dan zou ik zoo niet schreien;
neen, Théo is geen vrouw voor Fernand! Maar, mevrouw, ik maak
u nog erger bedroefd en ik kan er niets aan doen. Ik weet wel dat ik
veel te dom en te onbeduidend ben voor Fernand en dat hij met mij misschien
ook niet gelukkig zou zijn, maar
Théo...!"
"Lieve kind," en mevrouw's stem klonk weer als gewoonlijk,
"laten wij de toekomst overlaten aan God. Ik heb genoeg mijn tegenzin
doen blijken, en zoo zij niet luisteren willen naar mijn goeden raad.
Welnu, dat zij er de gevolgen van ondervinden! Maar we hebben de koffie
koud laten worden; schenk me een kopje en neem er zelf ook een, Nora.
Verbeeld je, dat ik sedert vanmorgen niets gebruikt heb, letterlijk
niets; ga Mientje zeggen, dat
[188:]
zij
het een en ander klaar zet, dan kan ik in dien tusschentijd aan Fernand
schrijven."
Nora stond verbaasd over die plotselinge omkeering, waarvan zij de reden
nog niet dadelijk begreep; zij deed alles wat haar gezegd was, nam afscheid
en zag met verbazing hoe mevrouw Van Leeuwenburgh, weer even opgewekt
als in haar beste dagen, naar de huiskamer ging en daar aan het toebereide
maal alle eer deed.
Zij ging snel naar huis en liep rechtstreeks door naar hare kamer, deed
hoed en mantel af, verfrischte haar gelaat met koud water en trachtte
toen haar gedachten bijeen te zamelen.
"Mijn God!" riep ze plotseling, "nu begrijp ik haar doel;
nu begrijp ik waarom zij haar toestemming zoo goedsmoeds geeft; o, 't
is afschuwelijk, wat een wreede moeder, die eigen geluk boven dat van
haar kind stelt."
En gehoor gevende aan die plotselinge ingeving, wierp zij zich op haar
knieën neer en bad.
"Heer, geef mij geen geluk op aarde, laat mij nog lang leven zooals
nu, voor mama en de kinderen, maar laat Fernand toch gelukkig zijn!"