III.
Den volgenden middag
hield een rijtuig voor het huis stil; mevrouw Van Leeuwenburgh steeg
er uit en aan de meid, die de deur opende, vroeg ze kortaf:
"Is juffrouw Van Vaerne thuis?"
"Wil mevrouw maar binnen komen, ik zal eens gaan zien," en
zij liet haar in het salon. Théo was boven op haar kamer en zag
Fernand's moeder uitstappen.
"Zou zij mij reeds de toestemming brengen?" dacht ze, "dat
gaat gemakkelijker dan ik dacht."
Snel wierp zij een blik in den spiegel en juist toen zij overtuigd was,
dat er niets aan haar toilet ontbrak, kwam de meid haar de boodschap
brengen. Haar hart klopte meer dan haar lief was. Zij zag eens in de
keuken, maar haar mama en Nora waren,
[181:]
toevallig genoeg,
niet tehuis en dit was haar recht onaangenaam; zij zag met weerzin een
apartje met mevrouw Van Leeuwenburgh tegemoet.
Zoo ongedwongen mogelijk kwam zij het salon binnen; de bezoekster stond
achter de tafel; zij had haar sluier achterover geworpen en het viel
Théo op, dat zij er veel ouder uitzag dan in Rellagen. Haar lokken
waren zeer vergrijsd, de strepen, die om haar mond en over haar wangen
geteekend lagen, waren groeven geworden, haar oogen, die anders zoo
levendig stonden, waren mat en zwart omkringd.
"'t Is mij een waar genoegen, u te mogen ontvangen, mevrouw,"
sprak Théo, "zet u neêr, wil u zich niet van hoed
en mantel ontdoen?"
Zonder te antwoorden, liet mevrouw zich langzaam neer op een fauteuil
achter haar en zij bleef een poos lang Théo aanzien met een blik,
die het meisje in verwarring bracht.
Théo behield echter haar contenance, liet de stores zakken, schoof
een stoel nader en vroeg toen of mevrouw het niet te koud vond in deze
kille kamer.
"Neen, ik heb geen lust aan koude of warmte te denken, juffrouw
Van Vaerne, ik wilde u alleen mijn compliment maken, u heeft eer van
uw werk."
"Hoe bedoelt u dat, mevrouw?"
"Het is u zeer goed gelukt een zoon te leeren, hoe hij moet opstaan
tegen zijn moeder."
"Opstaan? Maar, mevrouw, ik begrijp u niet. Heb ik uw zoon niet
verscheidene keeren afgestooten, heeft hij mij niet vervolgd met zijne
liefde? Heeft u mijn brieven gelezen, mevrouw, heeft u de voorwaarde
vernomen, welke ik stelde? Ik geloof het niet, want dan zou uw oordeel
anders luiden."
"Ik heb alles gehoord, alles gelezen en ik ben overtuigd, dat u
niets zijt dan een... doortrapte coquette, die mijn zoon ongelukkig
zal maken."
Het bloed vloog Théo naar de wangen; o, wat had zij nu niet gegeven,
als zij met opgericht hoofd die beschuldiging had kunnen beantwoorden,
maar haar geweten verklaarde luid, dat het verwijt verdiend was.
"Dat zal de tijd moeten leeren, mevrouw!" mompelde zij, verbitterd
omdat zij zich vernederd voelde en geen gepaster antwoord kon vinden.
"Ja ik weet alles en ik begrijp nog meer. Reeds op Java heeft u
mijn armen jongen..."
Théo glimlachte spottend.
"Dat is hij altijd in mijn oog, juffrouw, al ziet u in hem ook
een man; die niet meer aan den leiband zijner moeder loopen mag."
"Daar heeft u reeds uw spel met hem begonnen, daarvoor heeft u
uw engagement verbroken..."
"Neen, mevrouw," en nu richtte Théo zich fier op, "dat
kan
[182:]
ik tegenspreken.
Aan 't verbreken van mijn engagement heeft uw zoon geen deel gehad;
ik heb mij in zijn gezelschap geamuseerd, maar vraag aan mijn mama,
vraag aan Nora hoe weinig belangstelling ik toonde in alles wat op uw
Fernand betrekking had. Hij is dezen winter eenige malen in Leeuwenburgh
geweest en kwam dan ons huis voorbij, maar ik rekende het niet eens
de moeite waard, als Nora 't me zeide, naar het raam te gaan om hem
te zien. In Ems ontmoette ik hem toevallig..."
"Toevallig?"
"Ja, mevrouw, toevallig," en Théo gevoelde zich geheel
onschuldig, omdat mevrouw Van Leeuwenburgh haar meer toeschreef dan
zij werkelijk gedaan had, "en ik meende dat het geen misslag was,
de hulde van iemand aan te nemen, dien ik achtte en bewonderde. Ik kon
niet weten, dat zijn moeder reeds bij voorbaat tegen mij ingenomen was,
ik weet niet waarom. Na uw koude ontvangst in Remagen heb ik hem verzocht,
zijn aanzoek niet meer te herhalen en ik meende ook, dat alles gedaan
was, maar toen we elkander hier ontmoetten en nadat ik hem den brief,
dien u gelezen heeft, toezond, ben ik eindelijk bezweken en heb het
geluk aangenomen, dat hij mij bood. Dat is alles wat ik gedaan heb tegen
uw zoon; is dat zoo misdadig, verdient dat nu zulke bitse verwijtingen
van u?"
"U zal mij alles zoo openhartig niet bekennen; Fernand is altijd
één hart, één ziel met zijn moeder geweest
en u is oorzaak van 't eerste, ernstige verschil tusschen ons."
"Maar, mevrouw," vroeg Théo gemaakt naïef, "is
het dan mijn schuld, dat uw zoon mij bemint en dat ik hem waard vind
mijn echtgenoot te worden? Evenmin kan ik het verhelpen, dat u mijn
familie verafschuwt en mijzelf, die u nooit in den wegstond, bovendien.
Waarom kan u dat verschil tusschen u en Fernand niet doen ophouden?
Ik verlang niets liever dan uit uw mond te vernemen, dat ik..."
"U is een tooneelspeelster," beet mevrouw Van Leeuwenburgh
haar toe, want zij voelde dat Théo nu haar meerdere was, "ik
ben oud genoeg geworden om te kunnen oordeelen, welke vrouw het geschiktste
is voor mijn Fernand."
"En als hij nu van uw gevoelen niet is, mevrouw, zijn aanstaande
bruid kent dan u?"
"Wie zal beter voor hem kunnen kiezen dan ik, die zijn geest, hart
en karakter gevormd heb? Nimmer deed hij iets zonder mij en in deze
zaak, die beslissen moet over heel zijn leven, zou hij handelen tegen
mijn raad?"
Een scherp antwoord zweefde over Théo's lippen:
"Laat ons oprecht zijn, mevrouw, uw zoon hebt ge lang genoeg minderjarig
gelaten. Hij wil nu voor zijn recht opkomen, 't is onaangenaam voor
u, dat beken ik, maar onbillijk is het zeker niet."
Zij weerhield het echter om Fernand's moeder niet noodeloos te verbitteren.
[183:]
"Mevrouw,"
zeide zij ootmoedig. "u kan uw toestemming nog altijd weigeren.
Waarom zegt u dit alles niet ronduit aan Fernand?"
Die toon maakte mevrouw Van Leeuwenburgh nog driftiger; zij begreep
dat Théo zich sterk voelde door Fernands liefde en dat zij, de
moeder, gedwongen zou zijn toe te geven.
"Waarom? vraagt u dat nog? Omdat een moeder niet bestand is tegen
de smeekingen van haar kind, omdat," een zenuwachtige snik belette
haar voort te gaan, "omdat zij het verwijt niet wil hooren herhalen,
dat hij gisteravond mij reeds toevoegde, zijn geluk in den weg te staan.
U is de toekomst voor hem, juffrouw Van Vaerne, ik ben het verledene;
ja vroeger, toen was ik hem onmisbaar, nu kan hij mij desnoods ontberen.
Alle vriendelijkheid, alle eerbiedige en liefdevolle betuigingen van
hem, ik zal ze voortaan slechts danken aan zijn goedigheid; hij zal
andere belangen hebben, andere rechten te verdedigen en ik..."
Zij zweeg en met alle. kracht, die in haar was, weerhield zij hare tranen.
"Maar, mevrouw," sprak Théo, "wat overdrijft u
toch de zaak; 't is immers zoo 's werelds loop; uw zoon zal vroeg of
laat trouwen, is het niet met mij, dan zeker met een ander."
"Ja, met een ander, die mij niet trotseert, die hem niet aan zal
zetten mij te verwaarloozen."
"Mevrouw, ik neem u niets kwalijk, want u is in een opgewonden
toestand, maar ik begrijp niet, hoe u zulk een slechte opinie van mij
heeft opgevat. Geloof me toch, als Fernand's vrouw zal ik zijn moeder
steeds eerbied en liefde bewijzen; mijn stiefvader is een onbeduidend,
lastig mensch, en toch gelukt het mij in vrede en zelfs in vriendschap
met hem te leven. Zouden wij, in plaats van elkander te verwijten en
te beleedigen, niet beter doen mekaar de hand te geven en samen het
geluk van Fernand te bevorderen?"
"Dat behoeft niet! Bijna zeven en twintig jaar lang heeft hij aan
mij alleen tevredenheid en geluk te danken; waarom zou ik nu een helpster
noodig hebben?"
En zij stond trotsch op.
"Me dunkt," antwoordde Théo altijd even onderworpen,
"dat u geen helder inzicht heeft in deze zaak; Fernand had als
kind andere eischen voor zijn geluk, dan, nu als man, dat spreekt van
zelf. Hij schijnt nu te denken, dat hij niet meer gelukkig kan zijn
zonder mij."
"Zoodat u eigenlijk doet voorkomen, alsof u alleen om Fernand te
believen, hem trouwen wil."
"O neen, dat niet! Wat kan het u deren, mevrouw, of ik door uw
weigering lijd? Dit zal u wel geheel onverschillig zijn; laat dus mijn
gevoelens buiten spel blijven en spreken wij alleen over den eenige,
die u ter harte gaat, over uw zoon. Maar 't spijt me, dat u mijn goede
bedoelingen miskent; ik meende reeds dat ik zeer goed handelde, door
uw toestemming als voorwaarde der mijne te stellen."
"Huichelaarster," en mevrouw Van Leeuwenburgh's stem beefde
[184:]
van toorn, "zoudt
u dan niet weten dat juist door van mij de vervulling van Fernand's
wenschen afhankelijk te maken, u mij een tyran doet schijnen, omdat
ik beter dan hijzelf zijn belangen begrijp?"
"Och, mevrouw, ik zie wel dat u mij erg ongenegen is; ik kan niets
goeds in uw oog doen, maar wat verlangt u dan van mij? U zal toch niet
willen dat ik, na zoovele partijen te hebben afgeslagen, den eersten
man, voor wien ik genegenheid voel, versmaad, omdat ik niet begrijp,
wat u in mij mishaagt?"
"Wat mij mishaagt in u? Alles, uw familie, uw principes, uw manieren,
de wijze waarop u mij te woord staat."
"Ben ik te kort gekomen in den eerbied, Fernand's moeder verschuldigd?
Ik geloof het niet. U heeft mij tooneelspeelster, coquette, huichelaarster
genoemd; ik heb zelfs mijn kalmte niet verloren."
Bekennen dat dit juist haar nog meer aanhitste, wilde mevrouw Van Leeuwenburgh
niet; zij maakte zich gereed heen te gaan.
"U is sterk door zijn liefde, maar reken er niet op, dat die op
den duur sterker zal zijn dan een genegenheid, die dagteekent van 't
eerste oogenblik, dat hij bewustzijn had van zijn bestaan. Uw schoonheid
en uw verstand zullen niet blijven opwegen tegen mijn opofferende liefde."
Een glimlach krulde onwillekeurig om Théo's lippen.
"Gelooft u niet aan die opoffering? Als u eens moeder zijt, juffrouw
Van Vaerne, zal u begrijpen hoe sterk en alles overtreffend die liefde
is; u ziet in dat ik het niet volhouden kan, Fernand's wil te dwarsboomen.
Ik geloof niet dat hij u zou huwen zonder mijn toestemming; maar ik
kan niet sterk blijven als ik hem zie treuren, als ik in zijn blik lees,
dat ik hem belet gelukkig te worden; nog harder zal het echter voor
mij wezen, als de toekomst mij gelijk geeft en mijn kind ongelukkig
wordt.'
"Daar kan ik niet over oordeelen; ik verbeeld mij dat Fernand en
ik recht gelukkig zullen zijn. 't Spijt me dat u er anders over denkt;
maar nog eens, wat wil u eigenlijk van mij?"
Zoo stonden zij tegenover elkander, beiden even trotsch, even zelfzuchtig,
al wisten zij het zelf niet, de eene vertrouwend op de toekomst, de
andere nog steunend op het langzaam wegzakkende verledene; en toch,
mevrouw Van Leeuwenburgh had het op dit oogenblik weinig moeite gekost,
Théo voor goed aan zich te verbinden. Een omhelzing, een hartelijk
woord en Théo zou gaarne al het voorgaande vergeten hebben,
Ook Théo was het nu nog gemakkelijk geweest, terug te trekken;
maar geen van beiden wilde de minste zijn, geen van beiden kon noch
wilde zichzelf verloochenen.
"Dat begrijpt u zelf wel!"
"Neen, volstrekt niet; als ik Fernand zeg, van mij af te zien,
dan doet hij het toch niet."
"Welnu, u kent mijn gevoelens en indien ik mijn toestemming mocht
geven, dan weet u ook, hoeveel ze mij gekost heeft."
[185:]
"'t Doet me
leed, mevrouw, maar waarlijk, ik kan het niet helpen; waaraan heb ik
uw haat verdiend?"
Zonder iets meer te zeggen, ging mevrouw haar voorbij; een genadig hoofdknikje
was de eenige groet, dien Théo ontving.
Zij deed haar uitgeleide tot de deur en boog nog eens zeer beleefd,
toen mevrouw in het rijtuig stapte en wegreed.
Na haar vertrek keerde Théo in het salon terug, zette zich neer
en liet het hoofd met een zwaren zucht in de handen vallen.
Mevrouw Van Noorden en Nora kwamen binnen.
"Is Fernand's mama hier geweest en is alles in orde?" vroeg
de bezorgde moeder, die het rijtuig had zien wegrijden.
"O zoo'n ondeugende mama, mij zoo alleen te laten met die vrouw,"
zeide Théo zich lachend oprichtend, "foei, is me dat een
mensch! Ik wil mijn geluk niet opofferen aan haar grillen. Weet u wat,
mama, ik ga om mij te verzetten, nog voor het eten naar den Haag, bij
de oude lui, Wil u mij helpen pakken, Noortje?"