[176:] II.
't
Was een warme herfstmiddag. Nora en Marie van Noorden met de twee jongste
kinderen wandelden in het dennerooschje, dat boven Leeuwenburgh uitstak;
Nora en Marie draaiden het touw om, waarover de kinderen sprongen.
"Kijk eens, Nora," zei Marie, "hoe lief zij daar zitten."
"Kom, Josef, nu is 't jouw beurt," sprak Nora, zonder ter
zijde te zien. Ze behoefde het hoofd niet om te wenden: zij wist genoeg
wat daar voorviel. Théo zat aan den rand van 't bosch op een
omgevallen boomstam met een teekenalbum op den schoot, waarin zij natuurlijk
niet teekende, eenige stappen van haar af stond Fernand tegen een boom
geleund; hij had een reistasch om en scheen reisvaardig zij zag naar
hem op lachend, stralend van vroolijkheid en geluk.
"Théo," zeide hij ernstig, "'t blijft dan zoo!
Maak geen misbruik van mijn liefde! Hoe sterk moet die wezen, dat ik
daarvoor mijn arme moeder doe lijden; weet je, een traan uit een meisjesoog
is als de dauwdroppel, die een parel gelijk op een schitterende roos
blijft liggen, maar een mannentraan is het vocht, dat uit de diepe snede
sijpelt, welke men sommige boomen toebrengt. De boom blijft leven en
bloeien, maar nimmer sluit zich de wond, waaruit eens het hartesap druppelde."
"O, jij dichter!" antwoordde zij met een verrukkelijk lachje,
"van welke poëtische zijde beschouw je toch het leven. Men
vergeet aan je zijde wat een akelig prozaïsch ding 't eigenlijk
is! Maar is 't wel goed wat we besloten hebben, Fernand? Zal je moeder
haar toestemming geven?"
"Als zij inziet, dat van haar woord mijn geluk afhangt, zeker!
Zij bemint mij zoo, en je zult haar ook liefhebben, Théo!"
"Ik hoop het, Fernand. Zij moet mij leeren beter te worden en je
waardig te zijn."
Théo zag hem nu met een kinderlijken naïeven blik aan en
werkelijk, zij meende wat zij nu sprak; ten minste zij stelde zich gerust
met de gedachte dat zij waarlijk een goede vrouw wilde zijn voor Fernand
en (dit ging moeiijker) een lieve dochter voor zijn moeder."
"En nu, vaarwel!" en hij reikte haar de hand, "vaarwel,
Théo, moge ik je wederzien als mijn aanstaande bruid!" Zij
stond op, hij hield haar hand in de zijne en zag haar aan met een blik
vol onbeschrijfelijke teederheid.
"O, Théo, 't is immers waar, je bemint mij? Sterk op je
liefde mag ik dus handelen."
Zij zag den rijzigen jongeling aan met zijn edele houding en zijn schoone
oogen, waarin iets vochtigs onder de lange wimpers schemerde, en zij
voelde waarlijk dat haar hart de woorden, die hij ging uitspreken, bevestigde.
[177:]
"Hoe
kunt ge nog daaraan twijfelen, Fernand! Wanneer het zoo niet was, zou
ik je immers behandeld hebben als de anderen!"
Inniger drukte hij haar hand eerst in de zijne en toen aan lippen en
ging vervolgens naar de groep, die daar vroolijk touwtje sprong, zonder
te denken aan het ernstige spel, dat eenige pen verder gespeeld werd.
"t Is hoog tijd! Dag, Nora, Marietje en jongens!"
De kinderen en Marie kwamen nader. Nora bleef op eenigen afstand.
"Dag, zusjes!" zeide hij vroolijk en tikte Marie op de wang,
"tot wederzien."
Hij was weg en wuifde Théo nog een groet toe; Nora raapte het
touw op en wischte een traan af; zij dacht aan een Aprilmorgen in ditzelfde
boschje, toen het ook lente scheen in hare ziel en zij zoo dwaas was
geweest onwillekeurig te denken, dat een als Fernand haar zou kunnen
kiezen tot zijn vrouw.
't Spel ging voort; Théo nam haar album op en begon weer te teekenen,
maar haar gedachten waren bij Fernand en haar blikken zweefden naar
Leeuwenburgh.
Daar zou zij heerschen, daar zou zij gelukkig zijn. Eindelijk werd het
haar duidelijk hoe zij het kon worden. Zou zij werkelijk dan beminnen,
was dat gelukkige gevoel dan liefde?
Plotseling stond zij op; Fernand keerde zich om, zij groette met den
zakdoek en nadat hij verdwenen was Nora naderend, vroeg zij of 't niet
beter was wat te gaan wandelen, het werd zoo koud onder de dennen.
De meisjes, gewoon als zij waren de oudste zuster te gehoorzamen, stonden
op, Marietje ging aan Théo's arm hangen, Nora; in de laatste
dagen een weinig koel tegen haar geworden volgde met de kinderen.
"Théo," zei Marie opgewonden, "wat zal het toch
prettig als je met Fernand getrouwd op Leeuwenburgh zult wonen. Dan
kunnen we daar vrij kersen eten en zeker koop je toch een paard; ik
zou zoo graag een amazonekleed willen hebben als het uwe en ik mag soms
ook rijden, niet waar?"
"Kom, zoo ver is het nog niet," antwoordde Théo met
een gelukkig lachje, en toen stilstaande op een punt van waaruit men
Leeuwenburgh goed kon overzien, ging zij voort: "'t is een mooi
goed, maar het huis is erg ouderwetsch; we moesten het tot stalling
inrichten en daar wat meer tegen den heuvel een villa bouwen."
"Ja, dat is een goed idee, maar Fernands mama is erg aan dit oude
huis gehecht."
"Nu, wat zou dat? Zullen we achter Leeuwenburgh om gaan, Nora?"
"Neen, ik ga met de kinderen rechtstreeks naar huis."
"Zooals je wilt, wij kennen den weg wel, niet waar, Marietje?"
Ze kwamen langs Bruno's huisje.
[178:]
"Hé,
laat ons dien ouden heer eens een bezoek brengen," sprak Théo,
en ging het kleine hekje door naar de half openstaande deur. Sporen
van Nora's en latere werkzaamheid waren in 't studeervertrekje niet
meer te zien; 't zag er alles weer even bestoven en verward uit als
voorheen, Gortz stond bij het onverwachte bezoek snel op, boog en stamelde
verontschuldigingen over de verwarring, die er heerschte, maar Théo
liet hem niet uitspreken.
"Dat is juist interessant," zeide zij, "dan ziet men
dat men op wetenschappelijken grond staat. Dit gebeurt mij niet dikwijls,"
en haar sleep een weinig opbeurende, stapte zij voorzichtig en licht
over de hooge stapels boeken, zag eens naar de kasten en huiverde:
"Heeft u dit alles uitgelezen, mijnheer Bruno; maar wat een geduld!
ik zou zooveel zwijgende veelpraters niet kunnen uitstaan; ik zou ze
soms willen tegenspreken, maar, wat helpt het mij? Ze zwijgen toch altijd!"
"Ja, dat is wel waar!" antwoordde Bruno verlegen, "maar
ik ben gewend aan hun gezelschap."
"O, dat wil ik wel gelooven, men went zich aan elk gezelschap,
behalve aan een vervelend, en in uw oog zijn ze dit immers niet? Maar
hoe is het met uw reuzenwerk, is u haast aan 't einde?'
"Nog niet; juf... freule, neen, nog niet, er mankeeren nog maar
drie deelen aan!"
"En hoeveel zijn er af?"
"Zeven."
"O, mijn hemel! Nu, ik zal toch een present-exemplaar er van ontvangen?"
"Och, freule! U zou het toch niet lezen, en dan, ik zal 't wel
nooit gedrukt zien."
"En waarom niet?"
"De tijd voor de ernstige boeken is voorbij. Wil men gelezen worden,
dan moet men populair zijn en, helaas! dat kan ik niet."
"En zou al uw werk dus vergeefsch zijn?"
"Het heeft mij jaren en jaren lang het leven in kalmte en tevredenheid
doen doorbrengen, het schonk mij een leiddraad in mijn studies; ik zou
al te gelukkig wezen, indien het nog eenig nut aan mijn medemenschen
kon geven."
"Fernand heeft geluk; u is een philosoof, mijnheer Bruno!"
"O neen, freule, dat ben ik niet, ik ben maar een eenvoudig oud
man, die blijde is dat hij onopgemerkt door het leven gegaan is; weinigen
alleen is het gegeven, een zichtbaar spoor van hun werken en denken
achter te laten, ofschoon allen een roeping te vervullen, een invloed
uit te oefenen hebben."
"Allen! zegt u, allen! Ja, dat kan op u, mannen, van toepassing
zon, waar wij, vrouwen, wat kunnen we doen, wij die leven voor en door
het fatsoen? Onbeduidendheid, dat is het doel waarnaar we streven moeten
en hebben we dat verworven, dan, ja dan vervullen we onze roeping!"
[179:]
"Dat
kunt ge niet meenen, freule." De goede Bruno vond dat juffrouw
een al te gewone titel was voor zoo'n deftige dame.
"U weet zoo goed als ik, dat de vrouwen dikwijls een groot aandeel
hebben gehad in de wereldgebeurtenissen, dat aan haar invloed vooral,
niet alleen dit geslacht maar ook het volgende is toevertrouwd."
"Gelooft u dat waarlijk? Maar hoe zouden wij op het zoogenaamde
sterke geslacht invloed uitoefenen? U zijt ons allen voor in lichamelijke
sterkte, in geleerdheid, in oordeel en verstand."
Zij zag hem schalksch aan, in het volle bewustzijn der overwinning,
die zij pas behaald had; een vuurroode straal der ondergaande zon viel
door de ruiten op haar hoofd en hulde het in een schitterenden gloed,
waardoor zij er nog bekoorlijker uitzag; 't scheen of er stralen uitgingen
van haar oogen, haar lach, haar wenkbrauwen en de ontelbare krulletjes,
die over haar voorhoofd, slapen en hals vielen, Bruno zelfs was getroffen
door die schoonheid, welke zijn leerling zoo geheel betooverd had; ernstig
klonk zijn stem toen hij antwoordde:
"Een groote macht is den vrouwen gegeven, eene macht die opweegt
tegen alle voordeelen van ons geslacht, die sterk genoeg is om ons verstand,
onze kracht, onze geleerdheid te beheerschen; een macht, die zij gebruiken
en misbruiken kunnen, die soms aanleiding gaf tot vernietiging van landen
en rijken, omwentelingen, doodslag, verraad, bloed bid en, zedelijken
ondergang van enkelen en van velen, en waarvan zij dus ook een strenge
rekenschap zullen moeten afleggen."
"U maakt mij bang," schertste Théo, "heb ik die
macht ook? Ik hoop toch van niet."
"Ja, u bezit haar in hooge mate, freule! Bedenk u dus vóór
u er gebruik van maakt."
"En die macht is..."
"De schoonheid."
Zoo plechtig klonk Bruno's stem, dat de lach op Théo's lippen
bestierf en eerst een poosje later kon zij voortgaan:
"Zeggen dat uw boeken ook? Zeker wel, mijnheer Gortz, want anders,
hoe zou u, dat weten? Enfin, ik vind me zelf zeer leelijk en dat u het
niet vindt, pleit niet voor uw smaak; maar men kan niet alles uit zulke
oude, stoffige boeken halen! Maar we hebben reeds te lang uw geduld
op de proef gesteld, Kom, Marietje, mama zal met het eten wachten. Au
revoir, monsieur Bruno!"
En zij vertrokken, Théo dacht na; de schoonheid, een macht, waarover
men verantwoording zou moeten afleggen; hij had geen ongelijk, die oude
Buffert! Wat hadden mooie vrouwen toch al niet gedaan, van hoevelen
in de geschiedenis zou de naam zelfs niet bekend zijn, als zij iets
minder schoon geweest waren, en door haar toch hadden de wereldgebeurtenissen
een anderen loop genomen. Zou ik dan een gevaarlijke macht bezitten
en hoe gebruik ik die?
Maar Théo verdiepte zich niet gaarne in de schuilhoeken van
[180:]
haar
eigen hart; snel wierp zij een vraag op, die Marietje aan het praten
bracht en toen zij in de huiskamer trad, waar mevrouw Van Noorden en
Nora alleen waren, knielde zij naast haar mama neder, legde haar hoofd
op den schoot der goede vrouwen haar vleiend aanziende, vroeg zij:
"Zeg, mamaatje-lief, zou u blijde wezen, als ik niet naar Java
ging en hier bleef, dicht bij u?"
"O kind, is ' t waar? Fernand...?"
"Nog niet geheel, maar toch, wij zijn het eens en als zijn mama
er in toestemt, dan wordt hij uw zoon."
"God zegene je!" en zij kuste haar dochter teeder, "ik
zie het aan je; je hart bevestigt de keus."
"Gelooft u, dat mevrouw Van Leeuwenburgh toestemmen zal?"
"Waarom niet? Zij kan immers niets hebben tegen dit huwelijk, dan
die oude grieven."
Mevrouw Van Noorden kende niet zoo als Nora de eigenaardigheden van
Fernand's moeder en begreep dus niet, welke beletselen er konden zijn
tegen een schoondochter, zoo rijk, zoo geestig, van zulk een goede familie
als haar Théo.
"Ik ben zoo erg slecht opgevoed, ik heb zoo'n moeilijk karakter."
"Dat is zoo erg niet en als je gelukkig zijt, dan zal alles zich
schikken. Het geluk maakt de menschen beter."
En toen zocht haar moederlijke blik haar tweede dochter, die kalm als
altijd de tafel dekte, terwijl niemand dan de moeder wist, hoe pijnlijk
haar hart getroffen was.
Zoodra Nora het bekommerde oog harer moeder ontmoette, wendde zij snel
het hoofd om, zij voelde dat de kracht om sterk te blijven haar ging
ontbreken.