[171:] TUSSCHEN MOEDER EN VERLOOFDE.
I.
Fernand deed inderdaad
alles wat hij kon om Théo te vergeten; hij wijdde zich geheel
aan zijn ambt, bracht zijn vrijen tijd met letterkundigen arbeid door,
oververlaadde zijn moeder met zorgen en oplettendheden, maar toch haar
beeld verdween niet uit zijn geest.
Het was hem aan te zien dat hij waarlijk verdriet had; zijn opgeruimde
onbezorgdheid was verdwenen, zijn gelaat werd bleeker, over alles wat
uit zijn pen vloeide lag een droefgeestig waas. Zijn moeder zag het
en... verheugde zich.
"Hoe lief moet hij mij toch hebben," dacht zij, "dat
hij om mijnentwille zoo strijdt. Arme jongen, nu lijd je, maar 't is
om uw bestwil," troostte zij zich en trachtte zichzelf te overtuigen,
dat geen egoïsme van haar kant in het spel was.
"Later, als ik dat meisje niet meer te vreezen heb, dan zal ik
zorgen dat Nora mijn schoondochter wordt. Zij of niemand!"
Zoo gingen een paar maanden om; Leeuwenburgh bleef onbewoond en ook
Théo kwam niet bij hare moeder logeeren; zij was beleedigd door
Fernands onverklaarbaar stilzwijgen.
In 't laatst van September vereischte een belangrijke zaak Fernands
tegenwoordigheid in Leeuwenburgh; zijn moeder, die correspondentie met
Nora voerde, was overtuigd dat de gevreesde Théo niet daar logeerde
en liet hem gerust gaan.
Na een lange, vervelende zitting met den ouden Gortz ging Fernand naar
de stad om er een paar vrienden op te zoeken; hij kwam langs het huis
der Van Noordens en 't viel hem op dat de woning er zoo net en vroolijk
uitzag.
"Kom," dacht hij, "ik zal mama's complimenten, al heeft
zij die niet verzocht, aan Nora overbrengen," en hij schelde aan.
De verandering binnenshuis was nog grooter; de gang was met zeil en
een netten looper versierd; de oude deuren blonken van de verf; de meid
zag er keurig uit en men liet hem in een
[172:]
eenvoudig maar
smaakvol gemeubeld salon, doch de porte brisée, die tot de huiskamer
toegang gaf, werd spoedig geopend.
Nu steeg zijn verbazing ten top. Daar zat vooreerst de kapitein in een
deftigen chamber-cloak, Marietje en Nora in fraaie huistoiletten en
Théo in een robe tea-goron met kanten opgemaakt.
"Wel, mijnheer Van Leeuwenburgh, dat doet me pleizier u hier te
ontmoeten," riep de kapitein met een soort van deftige familiariteit,
"wacht, ik zal je mijn. . . mijn oudste dochter voorstellen."
"Dat behoeft niet, kapitein, ik kende mijnheer reeds voor dat ik
u teruggezien had," klonk een trotsche, ijskoude stem en opstaande
boog Théo even haar prachtig, krullend hoofd en fier als een
koningin verliet zij de kamer, na hem eerst een blik te hebben toegeworpen,
die diep in zijn ziel drong.
"Wat scheelt haar nu weer?" vroeg de kapitein verbluft. "Kuren
een wagenvracht vol, maar anders een excellent meisje. Zie gerust rond,
Van Leeuwenburgh nu mijn kinderen groot zijn en mijn oudste dochter
in huis is, ben ik er eindelijk toe overgegaan mijn huis beter in te
richten."
Nora boog haar hoofd nog dieper over haar werk om een donkeren blos
te verbergen.
"Hoe vindt ge het?" vroeg de kapitein, met een ijdel welbehagen
om zich heen ziende, "daar kan Leeuwenburgh zich niet meer mee
vergelijken, hé?"
"Ik maak u mijn compliment, 't is alles even smaakvol! Maar hoe
gaat het mevrouw?"
"Goed, zooals altijd, zij is een sloofje, dat eigenlijk zich niet
goed bewegen kan tusschen al dat moois."
"Ze is zeker in de keuken!"
Juist kwam mevrouw Van Noorden, vriendelijk en zacht als altijd, binnen.
Fernand was zich genoeg meester om haar een compliment te maken over
de verbeteringen in haar huis.
"Ja," antwoordde zij glimlachend, "dat hebben wij alles
aan mijn Théo te danken." De kapitein wierp haar verwijtende
blikken toe, maar zij merkte er niets van en ging voort: "maar
ach, wat hebben wij daaraan nu zij zelf ons verlaten gaat?"
"Verlaten, waar gaat zij dan heen?"
"Terug naar Java; haar grootouders vertrekken in het einde van
October en niettegenstaande wij alle moeite doen, niet waar, Nora, om
haar bij ons te houden, wil zij met hen mee. Waar is zij? Gij kent haar
immers van Batavia, Fernand?"
Van Noorden keek uit het raam vol ergernis over zijn lompe vrouw, Marietje
zette madera en portwijn klaar; Nora verroerde zich niet.
"Mevrouw," sprak Fernand half fluisterend maar dringend, "ik
moet uw dochter spreken. Mag Nora haar vragen of ik voor eenige oogenblikken
een afzonderlijk onderhoud met haar hebben mag?"
"Wel zeker, ga eens zien waar Théo is, Nora."
[173:]
Zij ging de trappen
op en trad in het smaakvolle boudoir harer zuster; Théo in hare
rozenwolken gehuld, lag op een ottomane te lezen en toen Nora binnenkwam,
hief zij glimlachend den blik op en vroeg schertsend:
"Is hij weg?"
"O Théo," en Nora viel voor haar op de knieën,
"je speelt een gevaarlijk spel, je hebt Fernand niet lief en toch
handel of je zooveel om hem geeft."
"Maar Nora-lief, wat scheelt je toch? Heb ik dan schuld? Heb ik
hem hier geroepen? Is hij hier aan huis gekomen om mij? Kon ik beter
mijn verachting toonen, dan door heen te gaan?"
"Maar die blik, Théo, die blik vol toorn en verwijt en een
smart, die je niet voelt, heeft hem weer aan uw voeten gebracht. Als
je binnen gebleven waart, hem eenvoudig behandeld had, dan zou er niets
gebeurd zijn."
"Is er dan eenig kwaad in? Was het zoo verkeerd van mij, hem tot
man te wenschen? Maar daar is geen sprake van. Hij heeft mij beleedigd
; na mij gesmeekt te hebben om mijn hand, trok hij zich terug en liet
niets meer van zich hooren."
"In Remagen heb je zelf alles afgebroken."
"Om hem op de proef te stellen. Nu kiest hij zijn moeder boven
mij. 't Is goed, hij zal mij niet meer terugzien."
"Hij vraagt een onderhoud met je?"
Théo lachte spottend.
"Wanneer, nu? Zeg dat ik slaap!"
"Théo, wees verstandig! spreek met hem. Ontneem hem alle
hoop of... neen, neen, er kan niets tusschen je zijn. Hij moet zijn
moeder gehoorzamen en zij wil je niet tot schoondochter."
"En jou wel, hé! Kom Nora-lief, je bent jaloersch; die Fernand
heb ik sedert lang bemerkt, is de koning van je ziel, niet waar?"
"Voor alles wil ik hem gelukkig zien, en hoe zal hij 't ooit wezen,
wanneer hij zijn moeder trotseert?"
"Je bent een goed kind, Noortje; nu, wees niet bang, ik wil je
mededingster niet zijn. Ik zie in dien Fernand niets anders dan een
verwaande jongen, maar ik wil zijn trotsche mama wat plagen en anders
niet! Kom, ga maar gauw naar beneden."
"En weiger je hem te spreken?"
"Natuurlijk, wat zou hij mij te zeggen hebben?"
Zij begon weer te lezen, Nora draalde nog.
"Zal hij er tevreden mee zijn, Théo?"
"Wat kan ik er aan doen? Ik slaap immers, en werkelijk verborg
zij het hoofd in de kussens en liet het boek op 't tapijt glijden.
Nora keerde naar beneden terug en bracht haar boodschap over.
Fernand dacht dat Théo zeker in tranen was uitgebarsten, want
die blik scheen diep bedroefd, die mond op 't punt alle trots te laten
varen toen zij langs hem heen ging. zoodat hij niet anders dacht dan
haar hart te hebben gebroken.
Hij nam afscheid, keerde naar Leeuwenburgh terug, schreef Théo
[174:]
een brief vol verontschuldigingen
en alles vergetende wat hij zijn moeder beloofd had verzocht hij nogmaals
haar hand.
Théo ontving den brief onder 't eten; zij las hem glimlachend
en toen zij met Nora alleen was, gaf zij haar dien over:
"Je hadt gelijk," zeide ze, "hij ligt weer aan mijn voeten;
hoe is dat toch zoo gekomen?"
"En wat wil je antwoorden?" vroeg Nora angstig.
"Dat zal de nacht mij leeren," en Théo, die vandaag
niet ernstig kon zijn, ging dien avond met den kapitein en Marietje
naar het Casino, lachte en, schertste, maar dacht meer aan Fernand dan
zij het wel weten wilde.
Den volgenden morgen begon zij te schrijven.
"Waarde Fernand!
Vergeef mij mijn toornige bui van gistermiddag; ge weet hoe slecht opgevoed
ik ben, en dus kan ik soms geen meesteres blijven van mijn bewegingen.
Onoprecht ben ik echter niet, ik was gekwetst door uw vreemd gedrag.
Nadat zulke woorden tusschen ons gewisseld waren, had ik niet gemeend,
dat eenige gezegden van mij alles zouden vernietigen en gij dien schoonen
droom werkelijk zoudt trachten te vergeten! Doch, geloof me, 't is beter
dat we gescheiden blijven. Uw moeder haat mij en ik vrees dat ik evenmin
haar ooit zal leeren liefhebben en tweeden male breek ik alles af, maar
nu is het onherroepelijk; ik zal sterk zijn, ik zal niet meer zoo dwaas
wezen en mijn best doen om, wanneer gij weer letterlijk mijn wenschen
vervult, kalm en bedaard te blijven.
Laat ons echter liever trachten elkander nooit meer terug te zien, ik
vertrek naar Java en gij, O gij kunt nog lang bij uwe moeder blijven,
ik moet de mijne ontvluchten om u. Vaarwel, Fernand, vaarwel! Vergeet
mij, maar blijf uw kunst getrouw, in de verte zal ik uw werken genieten,
zij zullen mij troosten als ik eenzaam en treurig mijn leven voortsleep.
Waarschijnlijk zal ik soms een geur er uit voelen stijgen, die zich
tot mij verheft. 0, als ik dan denken mag: de herinnering aan mij gaf
Fernand die gedachten in!
Vaarwel, vaarwel, ach! misschien is 't beter voor mij en voor u, dat
ook zelfs dat aandenken ophoude bij u te bestaan.
Théo."
Zij las met welgevallen
die zijdjes over.
Echte romanstijl, heel goed! Zulke dichters worden gevangen door een
paar mooie volzinnen, Ik heb ook wel wat schrijverstalent ; wie weet
als ik er mij op toelegde, wat 'n naam ik maken kon. En ik die dacht
geen gelegenheid meer te hebben dat trotsche schepsel te doen buigen."
Maar in het binnenste van haar hart was Théo ernstiger gestemd
dan zij zich voordeed.
Juist kwam Nora binnen.
"Daar, lees," zeide Théo. "En zeg me of je tevreden
zijt."
[175:]
Nora las en ernstig
het blad neerleggend vroeg zij:
"Wat is je plan, Théo, wil je zijn vrouw worden of niet?"
"Maar wat een graftoon, Nora, denk je dat ik niet meen wat ik schrijf
en is mijn bedoeling niet duidelijk genoeg uitgedrukt?"
"Neen, je wilt Fernand tot het uiterste drijven, je laat vermoeden,
dat je hem bemint en dat alleen zijn moeder je belet hem je hand te
geven."
"En is het dan zoo niet? Zie je mij voor zoo slecht aan, dat ik
geen oprechte liefde kan gevoelen?"
Haar oog zag thans Nora ernstig en half verwijtend aan, zoodat de verbitterde
zuster er geheel verward door raakte.
"Ik begrijp je niet, Théo," zeide ze mismoedig, "ik
verbeeld mij, dat je met Fernand speelt alleen om je te vermaken en
je op mevrouw Van Leeuwenburgh te wreken, ik ben maar een eenvoudig
meisje en begrijp niets van je ingewikkelde gedoe, maar dat weet ik
wel, dat het zonde is een zoon tegen zijn moeder op te zetten, en ik
vrees dat er niets goeds uit dit alles zal voortkomen, noch voor jou,
noch voor..."
Een snik belette haar voort te spreken.
"Maar, Nora, waarom ben je zoo opgewonden! Je schreit toch niet?"
"O, Théo, als hij mij zoo beminde, hoe heel anders zou ik
dan wezen!" snikte het arme kind.
"En wat zou je dan doen?"
"Ik zou begrijpen, dat hij niet gelukkig kon zijn, dan met volle
instemming van zijn moeder."
"Zijn moeder is de grootste egoïste ter wereld!"
"Zij heeft niets anders dan hem!"
"Al weer datzelfde praatje! En wat heb ik dan? Behoort mijn moeder
niet nog meer aan haar man en zeven andere kinderen dan aan mij? Waarom
moet ik dan een liefde, die ik waardeer, afwijzen, om de gril van een
ander? Neen, Fernand is man genoeg om te weten wat hij doen moet. Ik
zal nu alles aan hem overlaten. Dat hij kieze tusschen zijn moeder en
mij!"
"Dus je wilt hem trouwen?"
Een zegepralend glimlachje speelde om Théo's lippen.
"Als zijn moeder het mij vraagt, ja."
"Dat zal ze niet doen," riep Nora verschrikt, "zij heeft
een veete tegen de grootouders, mama heeft er mij iets van verteld."
"Welnu, Fernand moet dan handelen naar zijn goedvinden. Zoo vast
sta ik ook niet op die voorwaarde."
"'t Is schandelijk," riep Nora, "foei, Théo, wat
ben je toch slecht. En als gij ten minste nog een oprechte liefde tot
verschooning hadt, maar neen; uit koele berekening maakt je twee menschen
ongelukkig! Hoe zal dit alles nog afloopen? God geve dat Fernand ten
minste begrijpe, wat je bedoeling is!"
En zij snelde de kamer uit; Théo verzegelde het briefje en schreef
er het adres op.