XII.
Met koortsachtig
ongeduld wachtte mevrouw Van Leeuwenburgh den avond af; bij ieder gerucht,
dat de deur maakte, hief zij den blik op; haar oog volgde, toen het
uur der aankomst van den trein voorbij was, onophoudelijk den loop der
pendule.
"Zou hij komen? Zou de andere misschien, nadat zij geen taal of
teeken van de moeder had ontvangen, berouw over haar stap hebben gekregen,
hem opgezocht en gesproken hebben?"
Wie weet wat haar nog wachtte!
Angstig sidderend volgde zij den wijzer, telde de minuten, de seconden:
de bepaalde tijd was lang verloopen.
Daar werd heftig aan de bel gerukt.
Zij wilde opspringen, de deur openen; de spanning hield haar aan den
stoel gekluisterd.
"In dit weer en te voet," hoorde zij Emilie zeggen, maar bijna
onmiddellijk werd de kamerdeur haastig geopend en zij zag haar
[226:]
zoon bleek, met
verwarde haren, ontdaan, bevend van koude en toorn binnentreden.
"Mama," riep hij hartstochtelijk, wierp zich voor haar voeten
neder en verborg zijn hoofd in haar schoot, "vergeef mij, ik heb
u miskend. "
Dit was alles wat mevrouw Van Leeuwenburgh hoorde.
Zij zag haar eenig kind, haar krachtigen zoon gebogen, vernietigd door
den storm; zij voelde hoe de heftigheid van zijn gevoel zijn sterk lichaam
zenuwachtig deed trillen, hoe hij tevergeefs in woorden of tranen een
uitweg zocht voor zijn onstuimige smart.
Toen kwam voor een oogenblik de wroeging in haar ziel en verstikte de
zelfzucht.
Ja, zij was het die hem deed lijden; om harentwille ging het meisje
dat hij beminde, in zijn oog voor een verraderlijke huichelaarster door.
"Waarom heb ik haar niet geschreven, toen het nog tijd was?"
vroeg zij zich af.
Want welke moeder kan haar kind zien lijden, zonder dat het diepste
van haar hart en ziel daardoor verscheurd wordt? Des te meer als haar
eigen zelfzucht oorzaak is van zijn verdriet.
"Mijn kind, mijn kind!" snikte zij, "mijn arm kind,"
en boog zich over zijn neergezonken hoofd.
Die tranen van berouwen leedwezen, hij zag ze aan voor tolken van sympathie;
zij doorweekten zijn verhard gemoed en even zich opheffende vroeg hij
op diep treurigen toon, terwijl de eerste tranen zijn oog bevochtigden:
"Mama, wie had dat van haar kunnen vermoeden? Haar oog was zoo
trouw, haar glimlach zoo oprecht! O mama, waarom heb ik u niet geloofd?
U hebt haar doorgrond; zij is een tooneelspeelster, een valsche engel."
"Arme Fernand," anders kon mevrouw van Leeuwenburgh niets
zeggen, maar hij vroeg ook niets meer.
Elk woord van hem drong als een giftige pijl in haar ziel.
De straf begon, zooals het haar voorspeld was.
"O, als hij alles wist," dacht zij sidderend en drukte haar
gelaat weder op zijn lokken en bevochtigde ze met haar tranen.
"Mijn arme jongen," begon zij na een poos, "sta op, wees
moedig als een man. Vergeet haar! Laat dit een uitgewischte bladzijde
in je leven wezen!"
"Mama, had u dit van haar kunnen gelooven? O hoe kan ik u dit vragen,
u heeft haar doorzien van het eerste oogenblik, dat u haar kende. Zoo
alles te verbreken, alleen uit een gril! Om zich te amuseeren heeft
zij mij aan hare zijde gekluisterd en nu ik haar beminde, God weet hoe
hartelijk, hoe oprecht, verklaart zij mij glimlachend, dat het slechts
een spel van haar was. Mama, wist u dat een schepsel zoo bedorven kon
zijn?"
"Vergeet haar!" murmelden mevrouws lippen. Anders vermocht
zij niets te zeggen.
[227:]
"Haar vergeten,
neen, nooit! Als een vergiftige worm zal de herinnering aan haar knagen
aan mijn hart: zij heeft mijn vertrouwen in deugd, in liefde, in schoonheid
geschokt. Al mijn illusies heeft ze verwoest; o hoe begrijp ik hen,
die bedrogen als ik, hun idealen van vroeger den rug toekeeren en voorthollen
op den weg des verderf!"
"Fernand !"
"Neen, mama, schrik niet, ik heb nog een beschermengel in u, maar
ach! mijn levensgeluk, mijn onbezorgde, vroolijke levensopvatting, zij
is heen, voor goed."
"O Fernand, je zijt nog jong! De tijd is machtig."
"Jaren en jaren kunnen voorbijgaan, ze zullen haar beeld meenemen
wellicht, maar altijd, altijd zal er een wond blijven in mijn hart;
de gedachte aan dat bedrog zal steeds bittere druppels mengen in mijn
zoetste oogenblikken. O Théo, hoe heb je mij dat leed kunnen
doen? Als u haar gekend had, zooals ik haar meende te kennen, haar edel,
rein hart, en als ik dan denk hoe alles valsch was, hoe zij zelfs in
haar blikken gelogen heeft, zoudt u zich minder verwonderen dat ik voortaan
aan alles op aarde twijfel, behalve aan trouwe moederliefde!"
En weer wierp hij zich, nu luid snikkend, op haar knieën.
"Fernand," riep zij, "Fernand, wees niet zoo onmannelijk,
ik kan je niet zien schreien als een meisje! Dat is je onwaardig! Draag
hetgeen je overkomen is - haar bedrog, dit woord kon niet over mevrouws
lippen komen - toch met moed en christelijke onderwerping."
Maar haar woorden hadden weinig uitwerking; de weldaad der tranen was
voor Fernand gekomen en met zekeren wellust, dien Theodore zou versmaad
hebben, gaf hij zich daaraan over.
Hij weende lang als een kind op den moederschoot, zonder te vermoeden
hoe bij in haar hart de bitterste wroeging opwekte, zoodat zij duizendmaal
op het punt was uit te roepen:
"O neen, haar moet gij gelooven en niet mij; ik ben 't die u bedrogen
heeft;. Théo handelde goed en edel."
Had zij nu slechts een levendig besef gehad van alle gebreken en onvolmaaktheden
van Théo, om deze op te doen wegen tegen Fernands tegenwoordige
smart! Maar neen, ze kwamen haar allen even onbeduidend en nietig voor;
dat tooneel op den straatweg, toen Théó angstig bevend
naast haar verwonden bruidegom knielde, overtuigde haar genoeg van die
liefde, welke Fernand nu valsch en gehuicheld noemde; haar jaloezie
zelfs stierf weg.
Doch het was te laat, te laat!