XI.
Tegen
den avond van dien dag ontving mevrouw Van Leeuwenburgh een visite van
haar ouden vriend, den pastoor. Zij ontving hem in haar salon, eenigszins
stijf en afgemeten, maar toch beleefd en voorkomend.
"Mevrouw," begon de grijsaard, "van morgen vroeg ontving
ik een bezoek van juffrouw Theodore, die op reis ging naar haar grootouders..."
"Ja, ik meen dat geboord te hebben. 't Verwondert mij dat de juffrouw
het niet noodig heeft geacht mij dat mede te deelen, als ze ten minste
geen behoefte had afscheid te nemen."
"Zij heeft mij een brief gegeven met verzoek u dien te overhandigen."
[221:]
"Zóó!
en waarom had ze daar een omweg toe noodig? Me dunkt zij woont hier
dicht genoeg bij."
"Haar bedoeling was eigenlijk, dat u eerst Zaterdag dezen brief
zou ontvangen, maar ik geloof u een dienst te bewijzen door dien reeds
van middag te brengen."
"Maar wat beteekenen die geheimzinnigheden?
Ik begrijp er niets van. Wat voor een geheim schuilt er onder?"
"U zal alles weten als u dien brief gelezen heeft."
"Staat u het mij toe?"
"Ik verzoek er u om, mevrouw!"
En zij las:
"Als u dezen brief leest, mevrouw, zal ik reeds niet meer in Europa
zijn; u kan gerust wezen, niemand staat er meer tusschen u en Fernand.
Ik doe wat ik reeds eerder had moeten doen; ik ga heen, verre van hier.
De brief, dien ik Fernand schrijf, zal alle banden tusschen ons verbreken,
zonder dat hij de eigenlijke reden vermoedt mijner handelwijze.
"Ook mag hij niet weten, wat het mij kost, een leven vol geluk
aan zijne zijde op te offeren, omdat ik inzie dat gij altijd een beletsel
zult zijn voor onzen huiselijken vrede. Gij kunt u zelf en uw eigen
geluk niet vergeten mevrouw; tot nu toe kon ik het ook niet; maar tusschen
ons beiden leven zou Fernand rampzalig maken. Gij zult nooit iets toegeven
en later had ook ik heilige rechten plichten; nu echter kan ik nog terugtreden,
't is nog niet te laat.
"Vaarwel, mevrouw, maak Fernand gelukkig, zooals gij 't altijd
gedaan hebt! Tracht uit zijne ziel de herinnering te wisschen aan het
meisje, dat zoo gaarne een liefhebbende, trouwe gade voor hem, een goede
dochter voor zijn moeder geworden was, want die herinnering kon misschien
vele jaren later nog als een lastige schim tusschen u beiden oprijzen.
THEODORE VAN VAERNE.
"Ik begrijp het nog niet!" mompelde mevrouw Van Leeuwenburgh
en las den brief woord vóór woord over.
"Zij is vertrokken, mevrouw, maar nog kunt ge alles goedmaken.
't Is een groot offer dat Theodore brengt; zij hield innig veel van
Fernand en hij nog meer van haar. U zal 't toch niet toestaan, niet
waar, mevrouw, dat zij gescheiden worden alleen wegens een kiesch bezwaar
van hare zijde?"
"Dat is haar zaak! Met tegenzin heb ik mijn toestemming gegeven
tot dit huwelijk, en als zij het afbreekt zal Fernand 't mij ten minste
niet wijten."
"En als hij dezen brief dan leest?"
"Hij zal dien niet lezen," en zij verscheurde het papier in
duizend stukken, "zij handelt verstandig; 't is voor hun beider
geluk."
"Maar in de eerste plaats voor het uwe. 0 mevrouw, welke moeder
gaat het geluk van haar kind niet meer ter harte dan
[222:]
haar eigen? Vergeet
u zelf, denk aan hetgeen gij Fernand verschuldigd zijt."
"Dit huwelijk zou hem ongelukkig hebben gemaakt."
"Dank aan u! Maar overigens geloof mij, geen paar zou ik ooit den
huwelijkszegen hebben gegeven dat beter voor elkander paste dan die
twee."
"Gij kent haar niet, mijnheer!"
"Maar u ken ik des te beter, mevrouw! Elke moeder weent als haar
kind, en vooral haar eenig kind, haar zal ontnomen worden door den dood;
maar toen reeds aan zijn ziekbed zag ik, dat gij meer bekommerd waart
om u zelf dan om hem."
"'t Zijn harde dingen, die u mij doet hooren en die ik van niemand
anders zou kunnen aannemen, maar ik heb mij zelf ook wel leeren kennen."
"En is 't dan geen jaloezie, geen gewone ijverzucht, die u zoo
sterk tegen Fernands verloofde inneemt?"
Weer zag hij haar aan met die oogen, welke haar jaren geleden reeds
zoo doordringend hadden aangestaard.
"Heeft u niet," vervolgde de priester langzaam, "sedert
Fernands kinderjaren het meisje gehaat, dat eens zijn vrouw moest worden,
onverschillig hoe zij ook heeten zou? Hebt ge niet, om uw jongen geheel
voor al te behouden, hem aan den dienst van God willen wijden? O mevrouw,
bedrieg u zelf toch niet, er is Een die uw hart doorgrondt."
"Neen!" stamelde zij, "niets liever wil ik dan Fernand
gelukkig zien, maar dat meisje..."
"Is in staat hem een edele, groote liefde in te boezemen, en gij
hebt gevreesd, dat u dit op den achtergrond zou plaatsen."
"En is die vrees zondig? Ben ik dan niet alles voor Fernand geweest.
Offerde ik niet om zijnentwille mijn levensgeluk op? Mag ik nu ook niet
een offer van hem vragen ?"
"Dat het u nooit berouwen moge veeleischend te zin geweest! Arme
Fernand, hij vermoedt nog met welk een groot verlies hem bedreigt; alles
kan hem verborgen blijven, mevrouw, door een woord van u. Schrijf of
telegrafeer Theodore dat gij niets liever verlangt, dan haar als uw
dochter te begroeten, dat gij nu eerst haar hebt leeren waardeeren en
haar gerust het geluk van uw zoon toevertrouwt."
"Nooit!"
"Bedenk u, mevrouw! Ge kunt met u drieën zoo gelukkig zijn;
wat zal zij u dankbaar wezen als ge haar offer niet aanneemt. Zal ik
haar schrijven, indien u er geen, lust toe heeft?"
"Dit droeg zij u zeker op!"
"Neen, ik zou haar dezen stap hebben afgeraden, maar zij heeft
mijn raad niet gevraagd. Op eigen gezag kom ik u vragen haar vertrek
te beletten. Zij schonk mij haar vertrouwen, natuurlijk zal ik het weten
te eerbiedigen."
"Ge zult hem dus niet waarschuwen, voordat zij vertrokken is?"
[223:]
"Neen, mevrouw."
"Welnu, laat het overige aan mij over."
"Ge wilt haar dus niet schrijven?"
"Neen!"
"Is dat uw laatste woord?"
"Mijn laatste."
"Welnu dan, mevrouw, ik neem afscheid van u. Kunt gij deze handeling
verantwoorden voor uw geweten, het is uw zaak; maar wanneer eens uw
zoon de verschrikkelijke beschuldiging tot u richt dat gij zijn levensgeluk
hebt verwoest, dan kunt gij mij niet verwijten, dat ik u te laat gewaarschuwd
heb."
Zij rilde onwillekeurig, maar toch trachtte zij haar stem vast en helder
te doen klinken bij haar antwoord:
"Ik dank u voor uw belangstelling, mijnheer, maar wees overtuigd
dat niemand beter weet wat voor een zoon het beste is dan zijn eigen
moeder."
De geestelijke was reeds in de gang, toen zij plotseling naar hem toesnelde
en fluisterend vroeg:
"Maar 't blijft immers een geheim tusschen ons? Fernand zal nooit
weten, waarom zij eigenlijk vertrokken is?"
Medelijdend zag hij de weduwe aan:
"Neen, mevrouw, van mij zal hij het niet vernemen, gij kunt de
schoone rol voor hem blijven behouden, maar als ge alleen zijt; met
niemand tot getuige dan den goeden God, voor wien ge niets verbergen
kunt, vraag dan u zelf af, wat beter is: als de arme Theodore te lijden
of te zegevieren zooals gij!"
Zij antwoordde niet, maar wierp trotsch het hoofd achterover en liet
haar bezoeker uit, nog kouder dan straks.
Fernand had zijn meisje geschreven, maar ontving natuurlijk geen antwoord.
"Zij heeft geen tijd," dacht hij, "of geen lust!"
Zaterdagavond kwam hij in de stad waar zijn moeder woonde, en liet zich
dadelijk in een vigelante naar de Van Noordens rijden.
"Waar is Théo?" vroeg hij aan 't knaapje, dat hem de
deur opende en drong de gang in.
Bij 't hooren zijner stem verliet mevrouw de huiskamer.
"Is Théo nog niet wel?" vroeg hij ademloos.
"Zoo pas heb ik een brief van Théo ontvangen," zei
de van aandoening bevende stem der moeder, "hier is een bij voor
u."
"Maar is ze dan niet hier?"
"Neen, weet je het dan nog niet? Heeft zij 't niet geschreven!"
De kapitein kwam er bij.
"Maar Van Leeuwenburgh, dat is toch infaam hoe die kwade meid je
behandelt," begon hij zoo schel en luid als hij kon, "mijn
vrouw vertelt me daar, dat jelui een kibbelpartij gehad hebt en dat
ze daarom louter uit baloorigheid met de oude lui is vertrokken."
"Waarheen, waarheen? Maar spreek toch, ik weet niet beter of ze
is nog hier bij u aan huis."
[224:]
"En ze heeft
niet eens afscheid genomen van mij; hoe vindt je dat? Ik, de man van
haar moeder, haar tweede vader toch, waarachtig. Met de noorderzon is
ze naar Java vertrokken, denzelfden morgen, begrijp je, toen ik Nora
heb weggebracht."
"Naar Java! Maar u houdt me voor den gek! Zij is zeker binnen,
kom, 't grapje heeft al lang genoeg geduurd."
"Ik dacht dat zij je alles geschreven had, Fernand!" begon
mevrouw, maar haar man kwam er weer tusschen.
"O ja, jij moet haar altijd verschoon en, en ik zeg je dat het
een gemeene streek is, zeer gemeen. Eerst heeft zij zoo'n besten jongen
als hij is, 't hoofd heel in de war gebracht, en dan loopt ze om niets
weg. Maar ik feliciteer je, Fernand, beter te vroeg dan te laat. Wat
zou je aan zoo'n vrouw gehad hebben? Wie weet welke streken ze nog eens
had uitgevoerd."
"Maar wanneer is ze dan toch weggegaan!" zoo hield Fernand
onderwijl bij mevrouw Van Noorden aan, "vertel me alles."
"Lees dien brief eerst, Fernand, en dan zal ik alles zeggen, wat
ik mag."
En zij liet hem in de huiskamer binnen.
Alle kinderen zaten wel voor de tafel, maar daar zag hij niet naar.
De kapitein ging altijd brommend op en neer.
"Ik voor mij geloof, dat haar geldzaken in de war zijn, dat ze
tot over de ooren toe in de schuld zit, en dat wij nog in allerlei moeilijkheden
zullen komen. Dat zul je eens zien, ik bedank er hartelijk voor, haar
koopsels te betalen."
Als in een droom las Fernand de weinige regels:
"Wanneer ge dezen brief ontvangt, dan ben ik ver van Holland verwijderd;
ik ga naar Indië terug.
"Geloof mij, 't ware voor ons beter geweest als we elkander nooit
hadden gezien.
"Ik kan u niet gelukkig maken en ik vraag u vergeving dat ik het
eerst nu inzie.
"Maar ge zult niet boos op mij zijn, dit weet ik, mijn handelwijze
ten opzichte van Verheide hebt ge altijd hemelhoog geprezen.
"Beter ten halve gekeerd dan geheel gedwaald, hebt ge mij dikwijls
gezegd.
"Welnu, als de zee tusschen ons is, zal het alles veel beter zijn;
we hebben een schoon en droom gehad, ik heb eenige aangename maanden
doorleefd. Voilà tout!
"Wijd u aan uw talent, aan uw moeder, en wilt ge trouwen, zie dicht
bij u; daar is een ziel, die u beter begrijpt dan ik, die niet terugschrikt
voor het zware juk van het huwelijk.
"Vergeef mij zoo ik u doe lijden; als we getrouwd waren zou ik
u diep rampzalig gemaakt hebben, want ge kent mij niet!
"Vaarwel, denk in vriendschap en niet in toorn aan
Uw toegenegen
THÉO."
[225:]
"Zij heeft mij bedrogen," riep hij eindelijk uit, "mama
had gelijk; zij is een slang."
"Dat heb ik altijd gezegd," schreeuwde triomfantelijk Van
Noorden, "wat een verschil met mijn Nora, zij is een bedorven kind,
een akelig nest."
"Ja, ik dank den hemel, dat zij het bijtijds inziet; hoe is het
mogelijk zoo liefde en teederheid te kunnen huichelen."
Mevrouw Van Noorden hief het hoofd verontwaardigd omhoog, en op een
toon, dien noch haar man, noch haar kinderen ooit van haar hadden gehoord,
zeide zij:
"Fernand, wees niet voorbarig; eens misschien zult ge moeten erkennen,
dat mijn kind zoo handelde om uw bestwil. Veroordeel haar niet, weet
ge hoeveel die brief haar gekost heeft?"
"Zij is een coquette, zij heeft een afschuwelijk spel met mij gespeeld."
"Laat ons naar buiten gaan; de kinderen hebben niets met deze zaak
te maken."
"En heeft u geweten, mevrouw, dat zij voor goed ging vertrekken
en alles met mij afbrak?"
"Ja, ik wist het."
"En u heeft het haar niet belet?"
"Neen, als Théo eens een besluit genomen heeft, kan niets
haar daarvan afbrengen."
"Vloek over haar! O mama, wat heb ik u miskend!"
En zijn hoed opnemende boog hij even en ging naar buiten, waar geen
spoor meer van het rijtuig te zien was. Het hagelde en stormde; hij
gaf er niet om en snelde voort, door den duisteren nacht, naar de woning
zijner moeder.