[216:] X.
"Mijn lieve
kind! en vrees je dan niet Fernand een al te zwaren slag toe te brengen
door je besluit? Hij heeft je zoo innig lief."
Dit vroeg mevrouw Van Noorden haar dochter, na Théo's oprechte
ontboezeming te hebben gehoord.
"Mama, ge denkt dus dat ik hem toch trouwen moet, en alzoo oorzaak
worden van zijn ongeluk? Zou dit het beste voor hem zijn?"
"In elk geval, 't is verschrikkelijk hard voor hem, als jij je
engagement afbreekt en welke reden wil je daarvoor opgeven?"
"Laat dat aan mij over. Ach! ik ben immers een volleerde tooneelspeelster.
Maar, geloof mij, ik moet van hem afstand doen, wil ik hem geen treurig,
diep ongelukkig leven bereiden. Nu zal ik den eersten tijd nog mij kunnen
inhouden tegenover zijn moeder, maar haar afkeer tegen mij zal steeds
toenemen, totdat ook ik mijn geduld verlies. Het komt dan tot een uitbarsting
en dan..."
"Kind, laten we dat niet denken; maak geen zorgen voor den tijd."
"O mama, zag u dan niet hoe bleek Fernand was, hoe somber zijn
oogen stonden?"
"Omdat je niet wel zijt."
"Neen, daarom niet; hij lijdt, omdat hij zijn moeder verdriet doet
en niet anders kan handelen. Hoe zal 't wezen wanneer wij getrouwd zijn;
zal hij niet eens het oogenblik verwenschen, waarop ik hem mijn woord
gaf?"
"De zaak is te ver gedreven, Théo, het zou Fernand rampzalig
maken."
"Neen, ik ken hem te goed. Een zware slag zal hem neerbuigen, maar
hij is jong en krachtig, hij kan zijn gevoelens uitstorten op het papier
en is eens de smart in dien vorm gegoten dan knaagt ze niet meer zoo
pijnlijk aan het hart. Maar leven in dagelijksche kleingeestige kwellingen,
tusschen ongelukkige, vrouwelijke jaloezieën; het zal de dood zijn
voor zijn talent, zijn levensgeluk. Morgen vroeg ga ik heen."
"En naar wie?"
"Naar mijn grootouders."
"Naar Java dus? O Théo!"
"Mama, het zal een korte scheiding wezen: ik zal zorgen dat uw
man een betrekking krijgt op Java en dan verlaat ik u niet meer. Nooit
meer, ik heb uw liefde zoo noodig."
En zij verborg haar hoofd in den schoot der moeder.
"En wat zal uw lot daar wezen? Je kunt niet leven zooals andere
meisjes, in beuzelingen en tijdverspillingen."
Bevend sloeg zij de handen voor het gelaat.
[217:]
"Ik weet het
niet, mama, wat ik doen zal en kan; maar dit is zeker, ik zal trachten
altijd zoo te handelen, als Alwine's stervende hand mij leerde: het
geluk van anderen stellen boven het mijne!"
"God zegene je!" snikte de moeder, "beide dochters moet
ik dus verliezen op één dag!"
"Nora kan hier blijven; zij moet het zelfs! Eens zal zij misschien
ook bij een ander mijn plaats innemen."
"Morgen dus ga je van hier?"
"Ja, mama; mijn grootouders wachten mij overmorgen; maar Fernand
mag niet weten, waarheen ik ga. Eerst als ik in zee ben zal hij den
brief ontvangen die hem mijn besluit mededeelt."
Mevrouw Van Noorden boog het hoofd.
"Laat ons dan beginnen met uwe toebereidselen, mijn arme Théo!"
"Beklaag mij niet mama, want o, ik ben zoo zwak; ik zou niets liever
doen dan naast u zitten en schreien den heelen nacht door over mijn
vervlogen levensgeluk."
Even wischte zij de tranen weg, die onophoudelijk over haar wangen rolden
en opende toen vastberaden hare kasten.
"Mag Nora het ook niet weten?" vroeg mevrouw.
"Neen, niemand dan u. Laat zij morgen heengaan, met den eersten
trein evenals hij; den kapitein kan u wel 't een of ander wijs maken
over mijn koffers."
Men kwam aan de deur kloppen.
"'t Is Nora," zei mevrouw Van Noorden en zag vragend haar
oudste dochter aan.
"Binnen!" sprak Théo en liet zich weer op den fauteuil
vallen, in haar witten mantel.
"Zoo, onwel; Théo?" vroeg Nora, die een brief in de
hand hield, vriendelijk, "waarom ga je niet naar bed?"
"Och, Noortje, 't zal wel spoedig beter zijn; ik ben van plan morgen
lang te slapen. Hoe was het bij 't diner?"
"Niet zeer amusant. Ik geloof dat mevrouw iets met Fernand gehad
heeft; ze aten haast niets en hun conversatie beteekende ook niet veel."
"En wat zeiden ze er wel van dat ik niet kwam?"
"Niets, ten minste niets bijzonders."
"Nora, mama heeft je toch geen jokken geleerd? Ik hoor het aan
je stem, mevrouw Van Leeuwenburgh heeft er iets hatelijks over gezegd.
Wat is het dan?"
"Wel, wat zou zij er van zeggen? 't Is je schuld immers niet, dat
je niet wel zijt?"
"Nu, houd het dan maar voor je, als je het zoo ongaarne zegt.Van
wie is die brief?"
"Van je grootmama, geloof ik. 't Is vandaag de tweede reeds; het
gaat erg druk."
"Och, maak hem open en lees mij voor." Nora las.
"Hun vertrek is vervroegd; de wind is van morgen veranderd, zij
gaan over twee dagen heen."
[218:]
"Dus morgen
moet ik weg. Nora, ik ga om tien uur op reis."
"Alleen?"
"Met wie dan?"
"Fernand zal het alles behalve pleizierig vinden, als je zoo stil
vertrekt."
"Hij komt immers pas Zaterdagavond hier," merkte mevrouw op.
"Nu, dat is ook jouw zaak. En je zijt zoo onwel?"
"Dat is minder! Ik zal tot acht uur in bed blijven morgen ochtend,
en dan ben je reeds weg. Noortje, omhels mij; je ziet mij net meer terug!"
"Ten minste niet als Theodore van Vaerne."
Nora was verheugd dat het haar tegenwoordig zoo gemakkelijk viel een
recht zusterlijken toon aan te nemen tegenover Fernand en Théo.
"Nora, wees steeds een goede dochter voor mama; je zijt het altijd
geweest, langer dan ik, maar ik ben toch de oudste; op tafel ligt mijn
horloge, wil je dat als een souvenir aannemen?"
"Dat kostbare savonnet ? Maar, Théo, dat mag ik niet; 't
is zoo'n zeldzaam stuk."
"Moet ik je dan iets gewoons geven? Mama zal het je brengen met
de ketting."
"Théo, wat doe je?" berispte mevrouw Van Noorden, "dat
is niets voor Nora, die ketting zou een koningin niet misstaan en zij
is maar een secondante."
"Bewaar ze dan, mama, tot op den dag, wanneer zij als bruid voor
u staat!"
"O, in dien tusschentijd kon je hem naar hartelust afdragen,"
lachte Nora.
"Hoe weet je dat? Misschien ben je het eer nog dan ik."
"Kom,Théo."
"Ik zal je goeden nacht kussen. Zie ik je dus morgen niet?"
"Neen, dan slaap ik immers nog."
Lang en innig was de omhelzing; mevrouw Van Noorden stond met afgewend
gelaat, om haar ontroering te verbergen.
"Nu, Théo, we zien elkander spoedig weer," zei Nora
eindelijk.
"God geve het, Nora ! of liever, wat zou het beste zijn?"
Nora verliet de kamer en dadelijk stond Théo op.
"Al twee, die mij na aan 't hart liggen. Kom, mama, nu maar doorgewerkt.
Ik zal veel hier laten; al mijn winterjaponnen. Daar kan u met de meisjes
nog lang pleizier van hebben en ik zou ze toch niet gebruiken kunnen."
Mevrouw Van Noorden pakte zwijgend en soms zacht schreiend alles in
de groote koffers, die nog op Théo's slaapkamer stonden.
Zij had haar bijouteriekistje genomen en zocht zorgvuldig alles uit,
wat zij van Fernand had ontvangen.
"Den tweeden keer dat ik dit werkje doe," zeide zij met een
droevigen glimlach, al die fraaie kleinigheden bijeenpakkende, "maar
hoe verschillend met de eerste maal gaat het mij nu af!"
[219:]
Toen nam zij al
het overige en koos slechts eenige stukken, de eenvoudigste, er uit.
"Mama," sprak zij nu, "verdeel dit tusschen u-zelf en
de kinderen, of liever, laat het verkoopen, om het geld voor hen op
rente uit te zetten. Hier heb ik nog een paar effecten van mijn goeden
grootvader gekregen en wat geld. Ik zal zoo veel nemen als ik noodig
heb voor de reis; koop voor het overige iets moois voor uw huishouding
en wat fijne sigaren, om den kapitein in een goed humeur te houden."
"Neen," zei mevrouw Van Noorden, "dat nooit! Dat goud
is van jou; jij moet het ook dragen of wil je alles vaarwel zeggen?
Neen, Théo, ik neem het niet aan."
"En ik bid er u om, mama! U heeft weinig liefde, weinig dienst
van uw oudste dochter gehad, laat mij u ten minste eenige stoffelijke
welvaart geven."
Mevrouw Van Noorden sprak niets meer, doch pakte het kistje zooals zij
dacht ongemerkt in, maar Théo hield haar in het oog en toen zij
de kamer verliet, nadat Théo haar beloofd had spoedig in te slapen,
was het haar eerste werk 't kistje weer uit te pakken en in een der
kasten te sluiten.
Afgemat gaf Théo zich nu eenige uren rust. Zij sliep vast en
stond verkwikt op, gewekt door het gedruisch van kinderstemmen in de
beneden vertrekken. Nora ging heen, de kapitein zou haar wegbrengen,
tot Théo's groote vreugde.
Zij zette zich voor haar schrijftafel en schreef twee brieven; de eene
was aan Fernands moeder gericht en kostte haar moeite noch tijd.
De andere werd echter drie, viermalen begonnen, verscheurd en dan opnieuw
geschreven; eindelijk was ook die af en met een zucht van verlichting
stond zij op en maakte haar toilet.
Zij scheen geheel kalm en bedaard, zelf verwonderd dat zij zoo weinig
moeite had zich goed te houden.
Haar mama trad binnen, bleek, ontdaan, met roodgeweende, oogen.
"Arme, lieve mama!" en zij sloot de kleine afgesloofde vrouw
in. haar armen, "troost u maar; 't is voor korten tijd, en dan
zult ge uw land terugzien, uw schoon, uw heerlijk land; Nora's liefste
wensch zal vervuld worden en u zal allen gelukkig zijn."
"Behalve jij!"
"Ik ook! Ik zal gelukkig zijn door uw aller geluk."
"Maar het gelukkigste van allen is mevrouw Van Leeuwenburgh. 't
Is eigenlijk voor haar, dat jij je opoffert."
Théo haalde de schouders op.
"Als zij gelukkig kan zijn na het lezen van mijn brief, wel, dan
benijd ik haar dat geluk niet. Is alles ingepakt, mamaatje?"
"Alles!"
"Nog iets! Hier in dit pak liggen alle souvenirs, die ik van Fernand
ontving; iets wil ik houden. Dit zal hij mij toch wel
[220:]
gunnen, Die gravure,
mama, ach, doe die ook in mijn koffer!"
Mevrouw Van Noorden zag haar dochter teeder aan.
"O kind! Hoe gelukkig ben ik dat gij ten minste daar troost zoekt!"
Heel gekleed in reistoilet ging Théo naar beneden.
"Is mijnheer Van Leeuwenburgh ook vertrokken?" vroeg zij aan
de kinderen.
"Ja,"antwoordde Josef, "ik was aan het station om papa
en Nora weg te brengen; bij ging op reis en kwam niet bij papa en Nora
zitten."
"Hij zag er uit of hij van nacht niet geslapen had," meende
Marietje en keek Théo van terzijde aan, maar de oudste zuster
zag er frisch en flink als gewoonlijk uit. Na het ontbijt omhelsde Theodore
de kinderen een voor een; in de gang stond baar moeder; lang hielden
beiden elkander innig en sprakeloos omklemd.
Voor het eerst voelde mevrouw Van Noorden wat het is zijn, krachten
te verliezen; alles scheen haar in een sluier gehuld.
Een laatste kus, een laatste omhelzing en Théo was alleen in
het rijtuig gestapt, dat haar verre van de plaats voerde, waar zij zoo
gelukkig was geweest.
Toch voelde zij nog niet den geheelen omvang van hetgeen zij gedaan
had; de geestkracht ondersteunde haar, de opgewondenheid, waarin zij
zich sedert gisteren bevond, was nog niet geweken; zij bevond zich nog
onder den invloed van den eersten indruk, die zooals gewoonlijk haar
al te haastig deed handelen.
Eerst later als de teerling werkelijk geworpen was en niets meer haar
overbleef, zelfs geen hoop, zouden de smart, de ontmoediging en de lusteloosheid
baar zieloverstroomen, en 't ergste van alles nog, de twijfel, daarbinnen
sluipen, die haar zelf deed afvragen of 't geen zij gedaan bad, noodig
en verstandig of zelfs goed was geweest.