IX.
Nadat Nora heengegaan
was bleef Théo diep ontroerd op de canapé zitten.
"Neen," zeide zij met ingehouden drift, "dat nooit! 't
Is niet aan mij om terug te treden. Ik heb niets tegen mevrouw Van Leeuwenburgh
en als ze mij haat, dan ligt de schuld niet aan mij. Neen, niet aan
mij; ik zal Fernand zoo gelukkig maken, dat hij de gunst zijner moeder
ontberen kan."
Zij stond op en maakte hare lange prachtige lokken los uit den band,
die hen samen hield en stond toen voor den spiegel, terwijl ze haar
hoofd en schouders omgolfden en haar gelaat hulden als in een nis van
een zwart marmer; even staarde zij dit bekoorlijke beeld aan met sombere
oogen en den toornigen trek om den mond, en nooit te voren had zij zichzelf
zoo schoon gevonden als op dit oogenblik.
"Bruno heeft gelijk," dacht zij, "God heeft mij een groote
gave geschonken en hoe heb ik die gebruikt? Een zoon af te scheuren
van zijn moeder, maar neen, dat is mijn doel niet. Ik wil gelukkig zijn
en is dit zonde? Niemand staat tusschen ons dan zijn moeder, zij, die
haar geluk stelt boven dat van haar kind, die zichzelf niet verloochenen
kan en de edelste liefde vermengt met gewone, lage zelfzucht."
Snel keerde zij zich om en ging gejaagd op en neêr.
"Hij zal ongelukkig zijn, hij is 't nu reeds. Hij heeft zijn moeder
altijd bemind en vereerd als een hooger wezen en mij koos hij uit vrije
keuze tot zijn vrouw; een hel gelijk zal zijn leven wezen en dat door
mij, die hem zoo innig bemin. Had hij mij nooit gezien, dan zou zijn
geluk volmaakt zijn; Nora ware zijn vrouw geworden en zijn moeder tevreden
geweest. O, waarom heb ik hem ontmoet, waarom zijn liefde aangewakkerd,
waarom hem hoop gegeven? En nu is het te laat! Als ik terugtrad dan
zou ik hem verraden; 't zou een slechte daad zijn, geen opoffering!"
Er werd zacht aan de deur getikt.
"Wie is daar?" vroeg zij.
"Ik, Theo."
"Kom binnen, mama, kom binnen! Voor u heb ik nooit belet."
Mevrouw Van Noorden trad de kamer in; bezorgd zag zij haar dochter aan
en vroeg toen zacht en vriendelijk:
"Ben je niet wel?"
"Niet recht, mama, ten minste ik durf mij niet in tegenwoordigheid
van mevrouw Van Leeuwenburgh wagen. Het kon eens erger worden en wat
zou zij dan zeggen?"
"Blijft wat op de canapé rusten. Wil je iets gebruiken?"
"O neen, dank u!"
[211:]
"Ik heb twee
brieven voor u. Den eene liet Fernand voor u achter en den andere is
met de mail gekomen."
"Laat eens zien, mama!"
Zij opende snel het papiertje, waarop Fernand eenige teedere woorden
geschreven had en wierp slechts een vluchtigen blik op het adres van
't andere schrijven.
"Mama!" sprak zij na een oogenblik, "was Fernand erg
bedroefd, dat ik niet komen kon?"
"Ja, natuurlijk, hij was zeer teleurgesteld."
"Natuurlijk?"
"Wat scheelt je toch, kind, is er iets tusschen je beiden voorgevallen?"
"Zeker niet; och, hoor! ze roepen om u, wij kunnen nooit met rust
samen praten."
"Ze wachten op mij, om met het eten te beginnen."
"Ga dan in 's heme1snaam, lieve mama, en laat mij alleen. Ik zal
dezen brief dan onderwijl lezen."
"Dus je komt niet?"
"Neen, ik kan het onmogelijk."
"Ik zal je wat eten brengen."
"Doe geen moeite mama-lief, ik kan niets gebruiken."
"Zal ik den dokter laten roepen?"
"Waar denkt u toch aan? Neen, rust alleen zal mij goed doen."
Mevrouw van Noorden ging bekommerd heen. De zonderlinge blik van Theo
joeg haar angst aan.
Nauwelijks was haar moeder vertrokken of zij brak de enveloppe, die
zij in de hand hield los.
"Van Molvink!" zeide zij verwonderd "en van Alwine. Dat
kan toch geen antwoord zijn op mijn laatsten brief?"
Het eerst las zij de weinige, onregelmatige woorden en regels der blinde.
"Mijn Théo,
lieve vriendin!" stond er, "ik word zwakker en zwakker, maar
ik vrees niets meer dan heen te moeten gaan zonder voor het laatst u
vaarwel te kunnen toeroepen. Vaarwel, Théo, vaarwel! ik heb u
innig liefgehad omdat ik uw sterke ziel, uw edel hart waardeerde, niettegenstaande
alle gebreken welke uw opvoeding u heeft aangebracht. Arm kind! herinnert
ge u nog, hoe ge mij eens trotsch verklaard hebt niet aan de smart te
gelooven? O moge zij steeds verre van u blijven, roept mijn hart u toe,
maar indien ik slechts mijn verstand raadpleeg, dan zegt een stem mij:
Slechts het lijden kon u louteren, u maken tot datgene, waartoe God
u bestemd heeft. Wat dit zal zijn weet ik niet, maar wat ook ons lot
is, Théo, lieve Théo, denk dat niets de smart verlicht
dan wanneer wij haar dragen met God. Alleen bezwijken we onder dien
last!
"Nogmaals, ik wensch u niets dan geluk toe, maar als ik eindelijk
het leven verlaat, dat in de laatste jaren mij zoo wei-
[212:]
nig bood, O Théo,
hoe zal ik dan trachten u nabij te blijven. 't Schrijven valt mij moeilijker
en moeilijker. Lief kind, wat er ook gebeuren moge, denk dat niet in
het zoeken van ons eigen geluk den vrede gevonden wordt. Ik vrees den
dood niet, ik weet dat mijn Verlosser leeft, maar gij die..."
En daaronder stond van mevrouw Molvinks hand:
"De dood verraste onze innig geliefde zuster terwijl zij deze woorden
tot u richtte. Ze is heengegaan en al verheugen wij ons dat zij verlost
is van haar pijnen en smarten, toch kunnen wij niets dan weenen. Zij
was ons zoo dierbaar, ik kan mij het leven niet voorstellen zonder haar."
En nu volgde een
beschrijving van Alwine's laatste levensdagen en heilig sterfbed.
"O Alwine... mijn beschermengel!" zuchtte Théo en met
droge doch diep bedroefde oogen staarde zij de bevende letters aan,
"dat ik nu juist uw afscheidsgroet moest ontvangen, juist nu ik
op den kruisweg sta. O, ge zijt immers dicht bij mij; spreek, zeg wat
moet ik doen?"
En zij zag naar boven als verwachtte zij dat de doode haar stem zou
doen hooren.
"Maar wat zoek ik nog, is het dan niet duidelijk genoeg, wat die
woorden uit het graf spreken? Ons geluk zoeken is niet den vrede vinden.
De smart loutert... O mijn God, zou het waar zijn, verlangt ge van mij
dat ik dit offer breng?"
Een snik ontsnapte hare borst.
"Hem verlaten, hem nooit meer zien en het geluk dat ik gedroomd
heb, de toekomst, die ik mij gevormd had, van dat alles afstand doen
omdat zijn moeder... neen, neen, omdat nooit, nooit hij gelukkig kan
zijn, zoolang ik tusschen hem en haar sta."
Zij liep heen en weer; nu eens met de handen voor het gelaat, dan weer
den brief aan haar lippen drukkend, een oogenblik lang krampachtig snikkend.
"Zou het dan moeten, o mijn God! Zal dit verschrikkelijke offer
niet boven mijn krachten gaan."
Zij stond stil.
Een laatste zonnestraal gleed door de gordijnen en viel op een fijne
staalgravure, die boven een grooten fauteuil hing.
Het stelde een roerend schoone Ecce Homo voor. Fernand had haar dien
gegeven; het was een zijner eerste bruidsgeschenken geweest en zij had
den ernstigen trek van zijn karakter, welke hieruit sprak, hoog gewaardeerd.
Zij zag op naar die trekken met de smartelijke en toch goddelijke uitdrukking.
naar die oogen waaruit bovenmenschelijk lijden en toch onuitsprekelijke
liefde spraken, naar die doornenkroon, welker scherpe punten haar herinnerden
aan de wonden die zij nu voelde in haar ziel en eindelijk werd haar
smart weeker en natuurlijker en loste zich in tranen op.
[213:]
Zij zonk op den
grond neêr en verborg haar gelaat in de kussens van den fauteuil.
Zoo lag zij daar lang, bewegingloos en stil, terwijl buiten het laatste
avondrood verglom en de wind, een zware stormwind opstak, die het oude
huis op zijn grondvesten deed daveren, de ramen kletteren, de schoorsteenen
loeien.
Zij hoorde het niet; het was of de geheele wereld voor haar niet bestond,
of zij haar doodsstrijd daar streed, eenzaam in die kamer, onder het
bulderen der elementen.
't Scheen of zij niet meer tot deze aarde behoorde; o, wanneer alles
op dit oogenblik verging en zij met haar strijd en lijden verdwijnen
mocht, in een eeuwige vernietiging!
Beneden haar speelden en schertsten haar broertjes en zusters, niet
ver van daar zuchtte mevrouw Van Leeuwenburgh over haar verdwenen levensgeluk,
en Fernand trachtte tevergeefs Nora bezig te houden, totdat hij eindelijk
ook in zwijgen verviel, om aan Emilie deze taak op te dragen. Maar hoe
ver was dit alles van haar; zij waande zich op een andere planeet overgeplaatst,
waar voor haar geen tijd, noch afstanden meer bestonden.
Hoe lang zij zoo bleef wist zij nauwelijks, maar haar bezorgde moeder
vergat niet, dat haar oudste dochter zwaar scheen te lijden.
Zachtjes kwam zij binnen, en zag bij de avondschemering niets; de kolen
in de kachel waren uitgedoofd; de lamp was nog niet aangestoken.
"Zij slaapt zeker," dacht mevrouw Van Noorden en streek een
lucifer aan.
Verwonderd zag zij rond; de canapé was leeg, aan de tafel zat
niemand.
"Zou zij in haar slaapkamer zijn?"
Doch juist toen zij zich omkeerde, viel haar oog op den fauteuil; daarvoor
lag Théo geknield met haar lange krullen, verward als een mantel
om haar heen geslagen, roerloos als een doode.
"Kind!" riep zij verschrikt, "kind! wat is er toch?"
Langzaam hief zij zich op en zag huiverend rond.
"O mama, waarom stoort u mij? Ik schrik voor het leven, ik wil
er niet meer in terugkeeren."
Haar oogen zagen verward rond en mevrouw Van Noorden was op het punt
haar bedaardheid te verliezen. Gelukkig bezon zij zich nog bijtijds.
Snel stak zij twee bougies aan en toen met zacht geweld Théo
oprichtende, leidde zij haar naar de canapé.
"Lieve engel!" sprak zij op dien teeder koesterend en toon,
welke alleen moeders tegenover haar lijdende kinderen kunnen aanslaan,
"het moet iets verschrikkelijk zijn dat je zoo ontroert. Zeg het
mij, aan wie zult gij het beter zeggen, dan aan je moeder? Heb ik geen
recht te weten wat mijn kind zoo ongelukkig maakt?"
"Mama, lieve mama!" en zij verborg haar hoofd op mevrouw Van
Noorden's schouder, "laat me zoo liggen, dat doet me goed,
[214:]
maar vraag me niets.
U zal het weten, docht eerst als alles gedaan is!"
Zij sloeg de armen om haar hals en zoo hielden beiden elkander omstrengeld,
zonder een woord meer te spreken.
"Wat ben je koud, arm kind! Ik zal het vuur aanmaken, maar doe
eerst een mantel om! Wacht, blijf zoo liggen, ik zal je toedekken: je
handen lijken wel ijs, zoo kil zijn ze."
"Is Nora terug?"
"Neen, nog niet. Het waait zoo; 't is noodweer, mevrouw Van Leeuwenburgh
zal haar nog wel wat houden."
"Zij vertrekt morgen, niet waar?"
"Ja, 't is de laatste avond!"
"Voelt u dat verdriet?"
"Zeker, ik ben zeer gehecht aan Nora."
"Zij zal niet heengaan, mama."
"Het moet toch, Théo!"
"En ik zeg u van niet, het zal morgen alles anders zijn."
Mevrouw Van Noorden zweeg; zij wilde Théo niet ondervragen.
"Alles zal anders zijn, zeg ik u, en God geve, dat het beter mag
wezen!"
"Vrouw, vrouw!" hoorde men beneden roepen, "het schijnt
of je maar één kind hebt; je laat ons allemaal aan ons
lot over; de thee staat al een uur te trekken."
"Adieu, mama," zei Théo, "als u terugkomt, dan
zal ik u misschien alles kunnen zeggen."
"Ik zal Marietje sturen om de kachel aan te maken, vind je niet?"
"Neen, ik heb het eerder warm dan koud in dien mantel. Ik ga schrijven."
"Nu, tot straks dan!"
"Mama!"
"Wat is er?"
"Als Fernand komt, mag hij dan met u hier komen, ik wil hem even
zien..."
"Voor het laatst," lispelden haar lippen en 't was of dit
zachte geluid haar reeds als een treurzang in de ooren klonk.
"Goed, kind, ik zal 't hem zeggen."
Nauwelijks was haar moeder vertrokken, of opnieuw begon de storm in
Théo's borst; zij had nog geen besluit genomen, ver van daar.
Zij ging voor het raam staan en zag naar bulten, waar de storm de krakende
boom en nu eens ter aarde boog, dan onstuimig heen en weêr wierp,
zware, zwarte wolken trokken dreigend door het luchtruim; nu en dan
wierp de regen groote droppels tegen de ruiten, en onophoudelijk door
raasden en tierden de windvlagen door het kale geboomte."
"Wat een verschil," dacht Théo, "met dien nacht
op Batavia, toen ik mijn engagement met Verheide afbrak; toen schenen
de sterren, toen was het buiten schooner dan op klaarlichten dag, toen
voelde ik mij vrij en gelukkig als de gevangene, die zijn ketens afwerpt,
en nu?"
[215:]
Sidderend sloot
zij de oogen.
"Ge moogt niet," hoorde zij een stem in haar binnenste luide
zeggen, "ge moogt hem niet bedriegen. Wat u huiverig maakte toen
ge met Verheide verloofd waart, moet u thans ook weerhouden. Ge moogt
een man als Fernand niet verraden, of denkt ge dat zijn leven niet geknakt
zal wezen, wanneer gij hem zijn woord. teruggeeft? Zal dit geen te zware
smart voor hem wezen?"
"O, dat ik niet eerder er om dacht! Neen, ik mag niet, ik mag niet,"
riep Théo uit, maar hoe ook haar lippen dat woord herhaalde,
het geweten bevestigde die overtuiging niet.
Zij trachtte te lezen.
Vergeefsche moeite, de letters dansten voor haar oogen; haar hart kon
geen rede hebben met de verschooning die zij zocht, met de oplossing
die zij gevonden had.
"Zou het dan moeten?" vroeg zij zich weer af, "of zal
ik alles trachten te vergeten en ongehinderd mijn weg voortzetten? Dat
was het eenvoudigste!"
Wat zou zij toch niet geven om vrede te hebben met dit besluit?
"Théo, hier is hij!" zei de zachte stem van haar moeder.
Snel wierp Théo zich in den fauteuil, liet het hoofd achterover
vallen en wikkelde zich dieper in haar burnous.
Behoedzaam traden
beiden binnen.
"Zij sluimert," fluisterde mevrouw.
Fernand naderde haar.
Hoe schoon was zij bij 't matte kaarslicht in haar witten mantel gewikkeld,
met de losse, in duizenden krullen neerhangende lokken om het mooie
gelaat!
"Théo, lieve Théo!" en hij nam haar hand in
de zijne en drukte die aan zijn lippen, "wat scheelt je?"
Nu zag zij hem aan.
Hij ook was bleek; zij bemerkte het genoeg dat hij nog bitter leed,
zijn lippen trilden immers, zijn voorhoofd was bewolkt, zijn oogen stonden
flauw.
"'t is niets, Fernand, goeden nacht! Ga spoedig heen en vermoei
mij niet met praten."
"Ik moet morgen vertrekken met den eersten trein, Théo,
maar als je niet wel zijt, dan kan ik 't niet."
"Neen, je moet heen, ik wil je niet beletten je plicht te doen.
Vaarwel, goede reis!"
"Hij boog zich tot haar.
"Mijn Théo," sprak hij teeder.
"Fernand!"
Nooit zou hij de uitdrukking, die zij in dat woord legde, vergeten.
Hij kuste haar op het gloeiende voorhoofd en ook zij drukte haar lippen
even op het zijne.
"Vaarwel!" zeide hij.
"Eeuwig!" snikte zij onhoorbaar en hulde haar gelaat opnieuw
in den mantel.