IV.
Acht dagen later!
't Was bal in het Kurhaus en de oude heer Van Vaerne moest er wel heengaan
met zijne dames. Hij was niet jonger geworden na de mailreis en zijne
vrouw evenmin; Europa was hem bitter tegengevallen, niets had hij er
gevonden dan vervlogen illusiën, rheumatiek en asthma. Bij mevrouw
vond hij geen troost, hij was er immers zoo op gesteld geweest Java
te verlaten, nu had hij zijn zin, waarom beklaagde hij zich thans?
Theodore echter scheen geheel veranderd; haar oogen schitterden meer
dan vroeger, haar gang was elastischer geworden, haar zilveren lach
klonk telkens vroolijk en levenslustig en tooverde dan een weerschijn
van haar geluk, op 't oude gelaat van den grootvader.
Haar grootmama kon haar het verbreken van het engage-
[145:]
ment nog maar niet
vergeven; zij maakte er dikwijls toespelingen op en nadat Fernand de
familie een bezoek gebracht had, vroeg zij haar bits:
"Ben je nu tevreden, dat je ook dien jongen weer ongelukkig maken
kunt?"
Nora had zij haar vriendschap geschonken; dat meisje verstond beter
de kunst oude menschen voor zich in te nemen: die had geen jongensmanieren
met de grillen van een coquette.
Zij vergat echter op te merken, dat Théo het voortbrengsel van
haar opvoedingssysteem was en Nora van dat der geminachte moeder.
Fernand amuseerde zich te goed in die acht dagen, zoodat hij zelfs vergat
zijn moeder te schrijven, en eerst op een dringend telegram van haar
antwoordde, dat hij kennissen in Ems aangetroffen had en eerst Donderdags
- daags na het bal - in Remagen zou terugkomen. Zaterdag wilde mevrouw
gaarne naar Holland vertrekken, om den zondag in Leeuwenburgh door te
brengen.
Hij leefde intusschen als in een betooverden droom; bijna den geheelen
dag was hij in het hotel der "vier Thürme". 's Morgens
zaten de dames onder de hooge boomen bij het hotel of in den Kurgarten;
Van Vaerne, na zijn badkuur ondergaan te hebben, ging zijn Indische
couranten lezen: mevrouw tot een werkeloos leven, haar grootste straf,
veroordeeld, maakte haar gissingen en opmerkingen over de voorbijgangers
of logés. Théo zat in een album te teekenen of rozetten
te haken, die zij den volgenden morgen weer losmaakte. Fernand las met
zijn eigenaardig talent iets voor uit een boek, dat zij aangewezen had
en Nora luisterde naar hem, terwijl hare handen altijd iets nuttigs
verrichtten en haar hart treurig was, bitter treurig, omdat Fernand
haar nauwelijks meer aansprak en zij zich bekennen moest dat hij gelijk
had, dat de schoone, geestige Théo geheel waardig was aan zijne
zijde te staan, terwijl zij niets anders dan een onbeduidend, dom schepseltje
was.
Tegen den avond maakte men tochtjes naar Coblenz en andere plaatsen,
dorpen, ruïnes of kasteel en aan den Rijn, men huurde een bootje
af; de heren roeiden; soms verhief Théo haar heldere stem en
terwijl ze achteruit leunde, met den éénen arm om haar
zuster geslagen, in haar witte burnous gedrapeerd, liet zij haar klankvolle
tonen over het water golven.
Fernand bewonderde haar meer en meer:
"O, wat zal mama haar liefhebben," dacht hij dan, "ik
heb mijn Laura gevonden, mijn Béatrix en zij is nog vrij,"
maar hij had behoefte zich dat te herhalen, zijn geest was er niet overtuigd
van; nu reeds voelde hij met weerzin, dat het beeld zijne moeder achteruit
gedrongen was. Hoe zou zij het verdragen indien zij het eens bespeurde?
Théo was nu eens trotsch, dan weer nederbuigend, soms zelfs
[146:]
gemeenzaam tegenover
hem, maar dan steeds voor één oogenblik; hij beviel haar.
Geen van allen, die haar ooit het hof gemaakt hadden, bewonderde haar
juist om datgene, wat zij het liefst bewonderd wilde zien: haar verstand,
haar karakter zelfs. Zij vond het aangenaam nu en dan door hem beklaagd
te worden, omdat zij zich dikwijls ongelukkig voelde; de sterke man
van wien zij soms gedroomd had, die haar steunde, verhief, begreep,
dien zij achtte en tegelijk beminde, voor wiens macht zij instinktmatig
vreesde, neen, dat was Fernand niet, maar toch, het was haar een teleurstelling
toen zij hoorde, dat hij zoo spoedig vertrekken zou.
"We zullen hem erg missen, hij is een geschikte cavalier,"
sprak zij tot Nora.
"Zijn mama zal hem reeds lang gemist hebben," antwoordde Nora.
"Die mama is een erg aanmatigend mensch, ze wil dien jongen geheel
en al voor haar zelve bewaren en beschouwt hem steeds als een groot
kind. Hij heeft zeer veel met haar op en schijnt te denken dat zij een
volmaaktheid is. Ik houd niet van volmaakte menschen, maar is dat nu
wel zoo heel volmaakt, die jaloersche moederliefde?"
"Zij heeft ook niets anders op de wereld," en Nora stond op,
want zij voelde dat een traan parelde aan hare wimpers.
Théo volgde haar en sloeg den arm vertrouwelijk om haar hals.
"Nora, kind! Me dunkt, dat je weemoedig zijt, levendig en vroolijk
heb ik je nooit gekend, maar nu zijt ge bepaald stil.Hoe komt dat?"
"Ik verlang naar mama."
"Ik ook, maar we hebben hier in lang niets gedaan; we moeten nog
den Drachenfels beklimmen en het Ahrthal zien en het Brohthal en dan
den Rijn verder opvaren tot Mainz."
"Laat mij maar naar huis gaan!"
"Met wie?"
"Met mevrouw Van Leeuwenburgh."
"Of met Fernand, hé! Nora, kijk me eens aan, ondeugend ding!
Je bent toch niet onder zijn charme?"
"Foei, Théo, wat ben je dwaas! Zal ik beginnen je haar op
te maken?"
"Alsjeblieft, maar verzuim je eigen hoofd niet, hoor! Ik wil dat
je er van avond allerliefst uitziet en dat Van Leeuwenburgh je bewondert."
Fernand's eerste blik toen hij in de helder verlichte kurzaal was, gold
de beide zusters, of liever één harer. Théo zag
er weer echt koninklijk uit, omgolfd als zij was door wolken van lilagaas;
donkergele rozen vielen tusschen haar lokken en een lange sleep ruischte
achter haar, die haar gestalte nog grooter deed schijnen. Zij trok de
algemeene aandacht, tot buitengewone vreugde van haar grootvader, die
zacht tot zijn Haagschen vriend sprak:
[147:]
"'t Is goed
geweest, dat zij niet met dien Verheide getrouwd is. 't Ware jammer
geweest van haar!"
Nora maakte geen indruk hoegenaamd naast de schitterende zuster en toch,
zij had er zelden zoo lief uitgezien als dien avond; het rose gazen
kleed, de natuurlijke, witte bloemen in haar kapsel stonden haar buitengewoon
goed, maar als de zon verschijnt, dan verbleekt de helderste ster.
Fernand voelde zich fier en trotsch toen hij het bal openen mocht met
de "koningin".
"'t Was een prachtig paar," zeiden allen en voor 't eerst
begon ook mevrouw Van Vaerne zich af te vragen, of Théo in den
grond misschien niet goed had gehandeld.
Midden in den avond danste Fernand voor den tweeden keer met haar. Zij
was niet meer zoo opgewekt als bij het begin, zij werd stil en zuchtte
even.
"Scheelt u iets?" vroeg hij.
"Neen, eigenlijk niets! Maar die muziek, dat gedans verveelt mij,
waar dient dat alles toe? Al die ijdelheid bedwelmt voor een oogenblik
en als ik op mijn kamer kom, dan zal ik lust voelen om te schreien,
laat ons buiten wandelen. 't Is zulke mooie maneschijn, daar ten minste
is natuur en waarheid, hier schijnt alles kunst en leugen."
Hij ging met haar naar buiten.
"O, wat ben ik u dankbaar dat u zoo oordeelt over de nietigheid
van al dat klatergoud," sprak hij.
"U behoeft mij niet dankbaar te zijn. Ik wilde dat ik anders was,
dat al die dingen mijn hart konden vervullen of anders dat ik iets vinden
kon, waarvoor het de moeite waard was te leven."
"Ik zal het voor u vinden," ging hij in verrukking voort,
"wat beteekent al die glans, als uw hart ledig blijft en eenzaam,
niets kan u bevredigen dan de liefde van een ander hart, dat u verstaat!"
"Poëtische dweperij, de liefde. Ik geloof er niet aan."
"Welnu, laat mij het u leeren; Théo, morgen vertrek ik van
hier. Niet toevallig heeft mijn weg weer de uwe gekruist. 0, zeg mij,
is het u dan nooit ingevallen, dat ik u kon schenken wat u ontbreekt,
dat ik u vereer, zoo hoog als men een vrouw vereeren kan? Neem mijn
hulde aan, geef mij het recht u lief ,te hebben en ik zal u gelukkig
maken, Théo!"
Zij schudde het hoofd.
"Och, Fernand, je kent mij niet; als je wiet wat een zonderling
schepsel ik was, je zoudt mij niet zoo toespreken. Bewaar je liefde
voor een andere, voor iemand, die u meer waardig is dan ik. Ziet ge,
wanneer ik in 't huwelijk mijn geluk zou zoeken, dan ware ik nu reeds
lang getrouwd, maar op het punt van mij onder het juk te buigen, heb
ik me weer losgewrongen: wees verstandig, Fernand, ga morgen heen en
laat mij niets voor
[148:]
u zijn dan een
herinnering, die zeer geïdealiseerd soms in uw werken doorschemert!"
"Théo, meent ge dat werkelijk? Vertrouwt gij mij zoo weinig?
Mijn moeder zal u als haar dochter zoo gaarne ontvangen en ik, o ik
zal u steeds met zooveel liefde omringen. Waarom dan langer nog geleefd
in een wereld, die u tegenstaat? Ik zal u een tehuis geven, een edelen,
aangenamen kring, ver van 't gewoel der wereld, maar verlicht door den
zachten weerschijn van huiselijk geluk, van een hooger geestesleven.
Ge zult mijn goede genius zijn, de engel die mijn zijde niet verlaat,
die de wacht houdt bij het heiligste wat er bestaat, het heiligdom van
't familieleven: o Théo! ge hebt gelijk, 't is niet in het ijdele
drijven op badplaatsen, in bal- en speelzalen dat het geluk te vinden
is, ook niet in een leven van weelde en rijkdom, neen, 't is in de schaduw
van het zoete tehuis, in de overeenstemming van onze gevoelens, gedachten
en wenschen, dat wij gelukkig kunnen zijn."
Zij hoorde met welgevallen naar zijn stem, die aangenaam en zoet als
muziek in hare ooren klonk; nog nimmer waren de teerste snaren van haar
gemoed zoo aangedaan geweest; ja, het was een schoone toekomst, die
Fernand haar afschilderde. Had zij niet dikwijls een soort van heimwee
gevoeld naar zulk een leven, en hij was een man, geheel verschillend
van alle jongelieden, die zij ooit gekend had, ernstiger door zijn talent
en opvoeding dan zij allen, eenigszins dwepend wel is waar; doch was
dat niet juist een eigenschap, die zeldzamer en zeldzamer werd? Met
zulk een geestdrift immers had niemand haar nog ooit hulde gebracht;
zij antwoordde niets en na een poos vroeg hij treurig:
"Trekt dat leven u niet aan, Théo?"
"Ja, ik geniet het reeds bij voorbaat, maar ik ben het niet waard,
Fernand; gij verdient een liefde, die ik u, vrees ik, nimmer zal kunnen
geven; ik ben te egoïstisch opgevoed; ik kan mijzelf niet vergeten."
"Je miskent jezelf! Je zijt zoo goedhartig, zoo edelmoedig; wanneer
je mijn gade zijt, zult ge nog beter worden, ten minste, zoo er in u
iets is wat nog verbetering behoeft, en mijn moeder..."
"O; Fernand! zal ik dan niet staan tusschen u en haar?"
"Neen, zij vreest slechts één ding: mij verbonden
te zien aan iemand, die beneden mij staat en als ze u leert kennen,
dan zal zij inzien hoe ver je boven mij verheven zijt."
"Fernand, niets verveelt me meer dan vleierij; als je zoo opgewonden
spreekt, dan vrees ik, dat je liefde voorbij zal gaan als de bedwelming
van een oogenblik en dat wij elkander spoedig beter leeren kennen, maar
dan ook minder beminnen zullen. Laat ons naar binnen gaan, en vergeten
wat er tusschen ons gesproken is."
"Nog één woord, Théo, is er geen hoop? O,
zeg het mij dan,
[150:]
opdat ik mijn toekomst
helder in de oogen kan zien; je vermoogt nu alles op mij; je kunt me
jaren lang boeien door een straaltje hoop, je kunt misbruik maken van
mijn gevoelens, maar dit kan ik niet van je verwachten; zeg het mij
ronduit, wat mag ik hopen?"
"Ik weet het nog niet, morgen vertrekt ge dus? Kunt ge niet langer
blijven?"
"Onmogelijk!"
De toon, waarop dit woord gezegd werd, bracht een verandering in Théo
teweeg; zij was zeer gevleid door Fernand's liefde en vond het recht
onaangenaam, dat. morgen alles geëindigd zou zijn. Gaarne had zij
nog de geurige wolken reukwerk, die hij tot haar stijgen liet, eenige
weken langer genoten, om dan wellicht onverschillig het geheele reuk
vat van zich af te
stoot en, op gevaar af dat het breken zou; maar de wijze, waarop hij
kortaf haar verlangen weigerde, deed hem in hare achting rijzen.
"En waarom niet?"
"Ik kan mijne moeder niet alleen laten reizen, zij verwacht mij
stellig."
"Nora zou gaarne naar huis willen keeren, kan zij haar niet geleiden?"
"Dring niet verder aan, Théo, je zijt te goed, te verstandig,
dan dat je een verkeerd gebruik zoudt maken van uw invloed op mij, door
mij van mijne moeder te doen vervreemden. Ik vertrek morgen, geef mij
één enkel woord van hoop."
"Men let op ons, ik kan u niets zeggen, je hebt me overvallen;
ik heb de vrijheid zoo lief; ik weet niet of ik je meer dan haar zal
kunnen liefhebben. Als je morgen wilt vertrekken, zal ik je niet weerhouden,
maar of ik je antwoorden zal en wat, dit kan ik niet beloven."
Zij dansten, maar spraken niets meer en na dezen dans vroeg Fernand
Nora, die nog menige beurt niet beloofd had; zij gingen na de quadrille
onder de galerijen wandelen.
"Ik moest je spreken, Nora-lief!" sprak Fernand. Haar hart
klopte en vragend zag zij hem aan.
"Je zijt altijd een lieve zuster voor mij geweest, Nora, en ik
kan open en vertrouwelijk met je spreken; misschien heb je het wel opgemerkt
dat ik je zuster bemin; reeds toen ik haar op Java zag, maakte zij een
diepen indruk op mij, maar zij was toen verloofd en nu ben ik overtuigd,
dat ik niet meer kan leven zonder haar. Ik heb het haar zooeven gezegd,
maar zij weet nog niet wat zij op mijn aanzoek antwoorden zal. Misschien
zal zij met u over mij spreken. Nora, zult ge dan, goed zusje dat je
zijt, een woordje ter mijner gunste spreken?"
Arme Nora, haar hart kromp van smart ineen, maar toch antwoordde zij
moedig:
"Ik beloof 't u, Fernand!"
[150:]
"0, Nora,
welk een dienst bewijs je mij daardoor. Als ge wist, wat ik voor Théo
voelde, hoe hoog ik haar vereer! Wat een buitengewoon meisje is zij,
niet waar, Nora?"
"Ja, en zij is toch zoo door en door goedhartig, dat zou men niet
van naar zeggen."
"'t Is waar. Ik heb 't gelezen achter haar koninklijk, trotsch
voorkomen, wat een goed, edel hart zij daarbinnen bewaart en dat deed
mij haar zoo vereeren en beminnen. Ik vertrek morgen; als 't kan, spreek
haar van avond, zelfs als zij u niets vraagt!"
"Morgen, o Fernand, ik kan hier niet meer blijven!" en zij
beet op de lippen, om haar tranen te weerhouden, "ik ben zoo eenzaam,
ik verlang zoo naar mama; och, Fernand, kan ik niet naar huis gaan met
uw moeder?"
"Zeker wel, Nora; daar valt me iets in: de familie Van Vaerne wil
het Ahrthal en den Drachenfels nog bezoeken, als ze nu morgen met mij
mede vertrekken, dan zouden wij ons vertrek kunnen uitstellen en samen
die tochtjes maken. Spreek er zoodra je kunt met Théo over!"
"Wil u het niet doen?"
"Neen, ik spreek haar van avond niet meer."
Hij bracht haar naar hare plaats terug; het arme kind zag er bleek en
ontdaan uit, niettegenstaande al den glans, dien de schitterende gaskronen
op haar gelaat wierpen. Théo wandelde aan den arm van een Duitschen
officier, lachend, schertsend, geestig, opgewekt en vroolijk. Toen zij
langs Fernand kwam, wierp zij hem een glimlach toe, die zijn hart met
vreugde vervulde, maar die ook tegelijk Nora een smartelijken steek
in het hart veroorzaakte. Toen zij bij haar zuster kwam om deze te verzoeken
iets aan haar toilet te verbeteren, bracht Nora haar het plan van Fernand
over.
"Zeer goed," antwoordde zij onverschillig, "ik zal er
met grootma over spreken, als ze dan maar niet denken, dat wij Van Leeuwenburgh
naloopen!"
't Feest was nog niet ten einde toen mevrouw Van Vaerne het sein gaf
om heen te gaan. Théo deed haar donkere châle om het hoofd,
en hielp ook Nora zich in de hare te wikkelen.
Fernand had eerst Nora den arm willen geven, maar deze nam spoedig de
vrije zijde van Théo's grootvader in beslag, zoodat hij toch
verplicht was, haar zijn geleide aan te bieden.
"Zie toch zoo ernstig niet, Fernand," zeide ze, vroolijk,
"mijn sombere bui is geheel voorbij gedreven, zie eens hoe vroolijk
ik ben."
Hij zag haar aan in het stralende opgewekte gelaat en schrikte.
"Wat is er?" vroeg zij.
"Niets, een gedachte, die mij vervolgt telkens als ik u aanzie
en nu vooral nu ge zoo gewikkeld zijt in dien doek. Ik denk onwillekeurig
aan een tropischen nacht vol stormen en weerlicht. Toen verscheen mij
een mensch, of een genius, ik, weet
[151:]
het niet, maar
als ik u zie, dan word ik weer teruggevoerd
naar dien geheimzinnigen..."
"Keesje Vlug!"
"Dat was zijn naam, o Théo, 't kan toch niet zijn, zoudt
gij..."
"St, 't is een heel gewone geschiedenis; ik was het wel, het wordt
tijd u alles te zeggen, nu weet je het! God geve, dat het geen slecht
voorteeken is, dat je mij 't eerste zien moest, verlicht door bliksemstralen,
in het midden van den storm en dat telkens mijn aanblik je geest weer
daarheen terugbrengt."
"Laat ons dien. nacht vergeten en dat deze zomeravond die herinnering
verdrijve; Théo, is 't dan onmogelijk dat ik je gelukkig kan
maken?"
"Onmogelijk, O neen! Wie weet wat er nog gebeuren zal!"
"Is dat een hoop?"
Zij glimlachte en antwoordde:
"Misschien."
Een oogenblik later nam men afscheid; Fernand bleef staan niet ver van
het groote gebouw, dat imposant, te imposant misschien voor een hótel,
zich voor zijn voeten verhief; hij zag op naar de vensters, welke hij
wist dat de hare waren. Een balkon strekte zich daarvoor uit, met klimop
omslingerd; daar werd een deur open geworpen en een lichte gedaante
kwam naar buiten. Het was Theodore in haar vol baltoilet; zij leunde
op het balkon en staarde nadenkend in den stillen zomernacht.
De maan hulde haar in een zilveren licht; de klimoptakken en het loof
van een acacia, die zich naast het balkon verhief, vormden een krans
van groen en bloemen om haar. Zij zag naar boven en dacht aan de woorden,
welke zij gehoord had en die de muziek van het bal overstemden:
"Zoudt gij me nooit kunnen beminnen?" had hij gevraagd, en
duidelijk hoorde zij baar hart hare lippen nazeggen:
"Onmogelijk is het niet," en zij tooverde zich een leven voor,
zij die meende geen illusiën meer te hebben, een leven vol geluk
en idealen, een leven, waardoor haar hart eindelijk voldaan zou zijn.
Maar toen werd het plotseling donker, een wolk trok langs de maan.
"Voldaan, mijn hart voldaan? Zou 't dat ooit kunnen zijn? Voldaan
door Fernand?" en zij zuchtte en rilde, keerde zich om, trad de
kamer binnen en sloot de balkondeur.
En ook Fernand, toen hij haar verdwijnen zag, voelde, dat het visioen
vervlogen was, en wanneer hij zich haar wilde te binnen brengen, zoo
als zij daar gestaan had in den maneschijn, door de grillige bladeren
van het klimop omgeven, dan rees toch weer dat andere onuitwischbare
tooneel voor zijn oogen. Het was te diep in zijn geest gegrift en door
niets te vervangen.