III.
Mevrouw
Van Leeuwenburgh was gelukkig; gelukkiger dan zij nog ooit geweest was;
elken dag voelde zij, dat haar bekommering over het verloren paradijs
ijdel was geweest.
Zij woonde te Meerburg met haar afgod in een fraaie woning. Emilie nam
als van ouds het huishouden waar en vond het dol prettig, dat men nu
niet meer zoo eenzaam leefde als vroeger, dat men dikwijls bezoeken
kreeg van en bracht aan de haute volée der stad, waarvan Fernand
het jeugdige hoofd was. Hoe jammer alleen dat zij niet jonger was; eenige
jaren geleden, toen haar teint nog bogen kon op frischheid en haar lokken
op glans en volheid, toen moest zij suffen in dat ongelukkige Leeuwenburghen
nu, ach! nu was het te laat.
Fernand was recht op zijn plaats; hij had juist zooveel zorgen als noodig
was om hem eenige afwisseling te geven in zijn letterkundigen arbeid,
weinig tegenkanting van zijn raadsleden, een kleinen maar aangenamen
kring rondom hem; zijne moeder, die met hem las, schreef, beraadslaagde,
de gasten ontving met allen tact eener dame uit de groote wereld, en
daarenboven alle mogelijke voldoening van zijn arbeid. Zijn naam werd
hoe langer hoe meer bekend, zijn werken gezocht, in één
woord, het scheen of het volmaakte geluk zich neergezet had in de burgemeesterswoning
van Meerburg.
Toch zou Fernand nooit bekend hebben dat hij gelukkig was; hij had een
smart ondervonden... die hij door zijn verbeelding zwaarder maakte dan
ze inderdaad was; de herinnering aan Theodore deed hem nog altijd zeer,
ten minste hij meende het, en zijn moeder droeg zorg, dat hij die zielewond
niet genas, daar deze hem beletten zou, zijn oog opnieuw naar eene andere
te richten.
Tegen het einde van den winter werd zij zwaar ziek; de dokters vreesden
een oogenblik voor haar leven en nu vooral bleek het haar, hoe afgodisch
Fernand haar liefhad; geen dochter kon bij haar met meer zorg hebben
gewaakt en toen zij voor het eerst beneden kwam, welk een feest had
hij haar bereid! Zij was waarlijk al te gelukkig, zoo haar doel bereikt
te hebben; maar alle vreugden der wereld kunnen ons verlangen naar geluk
niet bevredigen, terwijl één smart voldoende is om over
een geheel leven den rouwsluier te werpen. Zij was tevreden, doch hoe
langer zij op den top stond van het volle geluk, dat zij zich ooit gedroomd
had, des te meer begon zij te duizelen en dikwijls vroeg zij zich af,
of het niet beter zou zijn nu te sterven, nu er niets beters voor haar
te hopen of te verlangen viel; ja sterven, maar dan moest Fernand alleen
blijven, en dan misschien haar vergeten... O neen, met hem samen zou
zij onmiddellijk de wereld willen verlaten, maar alleen, neen, neen!
[138:]
Zij bleef echter
min of meer sukkelend en de geneesheeren rieden haar aan, den zomer
op een stille, Duitsche badplaats door te brengen; Fernand en Emilie
brachten haar daarheen en bleven er eenigen tijd; zij drong er echter
op aan, dat hij met een paar vrienden, welke hij daar gevonden had,
verder zou reizen, daar zij niets zorgvuldiger vermeed, dan Fernand
het vermoeden te doen opvatten, dat zij hem aan zich wilde vastketenen.
Haar gezondheid werd spoedig weer geheel wat zij steeds geweest was
en men sprak reeds van terugkeeren, om de overige zomermaanden in Leeuwenburgh
door te brengen; nog eenige tochtjes wilde Fernand gaarne te voet maken
en daar mevrouw Van Leeuwenburgh in Remagen eenige kennissen aantrof,
bij wie ij gaarne eenigen tijd wilde vertoeven, liet Fernand haar gerust
achter en ging alleen den Rijn af, tot een dorpje tegenover Coblenz,
om verder landwaarts te voet zich naar Ems te begeven.
De wandeling in de heerlijke vrije natuur, met geen andere bagage bij
zich dan zijn reistasch en wandelstok, beviel hem buitengewoon; alleen
te zijn, alleen te kunnen dwepen, droomen, niet lastig gevallen te worden
door de roovers, waaraan de Rijnoevers nu nog zoo rijk zijn, en die
zelfs dat poëtische waas missen, waarmede hunne voorgangers omgeven
schijnen, die in plaats van helm en harnas niets anders dragen dan hun
zwarte frac en glad gescheidene of gefriseerde lokken, en de voorbijgangers
niet meer vervolgen met geweld, maar met overdrevene beleefdheden, wat
kon hij meer verlangen? Hij sliep in een eenvoudige boeren herberg,
stond met de zon op en eerst als de honger hem luid herinnerde, dat
hij aan zijn maag denken moest, trad hij een hoeve binnen en liet zich
eenige dikke pannekoeken of een stuk roggebrood met zure melk goed smaken.
Op zekeren avond overnachtte hij in een dorp, dat nog slechts eenige
uren van Ems verwijderd was; 's morgens zeer vroeg begaf hij zich op
weg en dwaalde door een bergachtig bosch, niet zeker, of hij wel den
rechten weg gevonden had.
Het was een heerlijke, frissche morgen; het had 's nachts geregend,
doch de grond, door het dikke geboomte beschermd was er nauwelijks vochtig
door geworden; 't stof, dat op de bladeren lag, was alleen weggespoeld.
De zon stond reeds vrij hoog aan den hemel; nu en dan drong zij door
het groene dak, gaf een zilveren glans aan de witstammige beuken, deed
de bloemen, die aan Fernands voeten tusschen het zachte mos ontloken,
glimmen als gouden sterren en spatte dan als 't ware uiteen, groote
lichtlovertjes werpende op het half duister der takken.
Aan een brandenden dorst voelde hij dat het niet zeer vroeg meer kon
zijn; zijn veldflesch was ledig en een woning zag hij niet in de nabijheid.
Wel had hij zoo even op den top van een berg een kasteel gezien dat,
uit rood en steen gebouwd, statig als een koraalrif opsteeg uit een
zee van groen, maar het was, helaas!
[139:]
de tijd niet meer
der gastvrije, eenzame chatelaines en hij was ook geen pelgrim, die
tijdingen kwam brengen van den ridder om wien zij treurden en die onder
de muren van Ptolemaeus of Antiochië streed of reeds bezweken was.
Zoo dwaalde hij voort, altijd hopende, dat hij nu het einde van het
woud zou zien, onwillekeurig denkende aan dien nacht in de Javaansche
bosschen, toen zon toestand vrij wat hachelijker was en toen... waarom
dacht hij plotseling weer aan mevrouw Verheide, zooals hij Theodore
in den geest nooit anders noemde?
Een geruisch, harder dan het zachte ritselen der bladeren, wekte zijn
aandacht op. Dat was zeker een bron en het geluid opzoekende, vond hij
na eenig zoeken den schilderachtigsten, kleinsten waterval, welken hij
zich ooit had voorgesteld.
Uit eenige rotspunten sijpelde als langs kleine beekjes het overvloedige
water; hooge, buigzame stammen van fijne varens, waterplanten met breede,
gladde bladeren, de takken van een donker klimop, dat zich om elk rotsblok
kronkelde en dan zijn bevallige slingers lusteloos in het water liet
wiegelen, vormden boven - het zilverachtige water een doek van groen
waarover een regen van diamanten sterretjes scheen uitgestort, zoo schitterden
en glansden de druppels, door den waterval omhoog geworpen, in de gouden
zonnestralen. Als een glinsterende slang vervolgde zacht murmelend,
klaterend en kronkelend de bron een oogenblik later haar weg langs een
bed van mos, tusschen oevertjes, bont van veelkleurige bloemen.
Fernand was verrukt.
"O," dacht hij en vergat zijn dorst. "wat waren die oude
Grieken toch dichterlijk in hun eenvoud en bijgeloof; een bron als deze
was voor hen de woning eener bosch- of waternimf, de Germanen droomden
daar van hun ondinen of feeën, maar wat zal ik daar vinden?"
Hij schoof het gordijn van groen voorzichtig ter zijde en wilde met
zijn holle hand water scheppen, toen iets dat zich aan den overkant
bewoog, hem verwonderd deed opzien; de eenzaamheid in het bosch, de
herinnering aan ondinen en nymfen, had hem in een stemming gebracht
waardoor hij aan alles, dat hij ontmoette, geloven kon en 't was dus
of het zoo moest zijn, dat hij een lichtblauwe schaduw tusschen het
gebladerte zag schemeren:
"Ondine" riep hij glimlachend.
En hoog verhief zich van den bemosten steen, waarop zij gezeten was,
een lange vrouwengestalte, die hem verwonderd aanstaarde, terwijl zij
haar hoofd door den bladerenkoepel stak.
Nu echter maakte zijn begoocheling plaats voor een uitdrukking van verbazing.
"Me... vrouw... Verheide!"
Een zilveren lach klonk hem in de ooren:
"Mijnheer Van Leeuwenburgh, hoe toevallig dat we elkander
[140:]
moeten terugzien,
op zoo'n romantische plek in een Duitsch bosch, en bovendien nog door
een waterkom gescheiden. Maar u kan gemakkelijk over de beek springen,
Als u er op gesteld is de kennis te hernieuwen."
De beek was smal en daarenboven lagen er nog groote steenen in het water,
die een natuurlijke brug vormden. Theodore kwam hem tegemoet; zij had
haar rijkleed hoog opgespeld, en een elegante, lichtblauwe sjaal viel
als een draperie van hare schouders af; een tyroler hoedje met lange,
witte veêr, droeg zij aan den eenen arm, een groot bouquet boschbloemen
en een teekenalbum in de andere hand.
"Welkom aan de oevers van den Rijn," sprak zij vriendelijk,
"komt u van Ems?"
"Neen," antwoordde Fernand, geheel van zijn schrik bekomen,
"ik ga er heen, maar om u de waarheid te zeggen ben ik verdwaald."
"Zoo, des te beter, dan zal ik u den weg wijzen; ik heb zooiets
wel meer gedaan," zij beet met een schalksche uitdrukking op de
lippen, als moest zij zich geweld aandoen om niet iets te zeggen, "mijn
paard staat hier dichtbij in een herberg gestald, laat ons daarheen
gaan."
Zij ging hem voor langs het hobbelige, ongebaande voetpad en Fernand
vroeg zich af, of hij droomde dan wel waakte.
"Is u in Ems gelogeerd?" vroeg hij.
"Ja, sedert een week of drie. Grootmama's borst is wat in de war
en zij moet de baden gebruiken, ook grootpa is niet al te wel. Die oude
luitjes kunnen dat mistige, grauwe Europa niet verdragen; waren alle
dagen zoo heerlijk als deze, dan ja, dan zou men Java vergeten kunnen."
"Maar zijn uw grootouders reeds lang hier?"
"Wist u dat niet, reeds sedert September; ze hebben dan ook weinig
gedaan om hun verblijf alom bekend te maken."
"En uw... en mijnheer Verheide?"
"Ja, die zal nog wel op Batavia zijn, denk ik."
"Is hij dan niet getrouwd?"
"Wie, hij? Wel zeker, met dat zusje van Adèle de Reimer,
een lief meisje, u kent haar immers ook?"
"En is u dus nog vrij?"
"Natuurlijk! Voorzichtig; struikel niet, daar ligt een omgevallen
boom. In Ems zal u nog een oude kennis van u vinden, een zeer oude zelfs.
Raad eens!"
"Maar help mij dan op den weg. Een heer?"
"Neen, een dame, maar toen u haar leerdet kennen, was zij het nog
niet; ze woonde niet ver van Leeuwenburgh; als u het bruggetje over
ging, dan stond u voor haar huis."
"Nora toch niet?"
"Toch wel!"
"Is ze in conditie bij uw grootouders?"
[141:]
"Foei, wat
'n idee, maar 't is of u uit Lapland komt; schrijft die goede Bruno
u dan nooit iets nieuws, van hetgeen er met uw oude kennissen voorvalt,
bijvoorbeeld?"
"Och, zijn brieven beteekenen niets; ze loopen alleen over zaken;
maar hoe zou hij u kennen?"
"Om de eenvoudige reden, dat ik hem den heelen winter door, dagelijks
langs ons huis zag gaan, maar hij sloeg nooit de oogen op naar onze
ramen, uit vrees misschien van zijn oude charme te zien. Ik plaag u
noodeloos; kom, ik zal 't u zoo kort mogelijk zeggen: ik heb den vorigen
winter als een kluizenares geleefd, bij mijn mama aan huis en Nora is
mijn zusje."
"Maar is u dan die oudste dochter uit een eerste huwelijk, van
wie ik wel eens iets zeer in de verte heb hooren mompelen?"
"Juist, dat wonderdier ben ik! Zie, nu zijn we uit het bosch daar
is de afspanning en mijn lief paardje!"
Zij ging naar binnen en Fernand hoorde haar in vloeiend Duitsch met
de waardin spreken, de vertering van haar zelve, van het paardje en
het jongetje, wien het toebehoorde, betalen. Toen maakte zij haar rijkleed
los en wilde het kleine, maar toch fraaie dier bestijgen.
Fernand liet zich snel op een knie neder en legde zijn rechterhand op
de andere, zij zette er haar voet op en sierlijk hief zij zich in het
zadel.
"Heeft u een groom meegebracht," sprak hij, opstaande en zag
naar het arm gekleed knaapje, dat een stuk roggebrood in de hand hield.
"Ja, 't is noodig iemand bij mij te hebben, want het pad is smal
en soms erg steil, 't is geen page," lachte zij, "maar hij
is handig genoeg om zijn dier bij de teugels te voeren en kent bovendien
goed den weg."
"Nu, dan kan hij ons voorgaan, maar laat mij de eer uw paard te
leiden!"
"Zeer gaarne! Zoo kunnen we nog wat praten; we zijn maar drie kwartier
van Ems."
Zij reden voort; Theodore verhaalde luchtig, dat zij sedert eenige maanden
in Europa was, dat het haar vrij goed beviel, want zij had het zich
bij de Van Noordens zoo aangenaam mogelijk gemaakt en er voor gezorgd,
dat zij van alles wat de stad aan amusementen bezat, gebruik kon maken.
"Ik heb met mama ook een paar reisjes gemaakt, binnenslands natuurlijk.
Maar ach! zij heeft zooveel banden, die haar aan het huis hechten, dat
alle pleizier er af is voor haar, en nu de grootouders mij gaarne weer
bij zich hadden en ik ook grooten lust had, den beroemden Rijn eens
te zien, heb ik Nora meegenomen en we amuseeren ons hier zeer goed."
"Is u de Rijn mede- of tegengevallen?"
"Beide min of meer! Ik vind hier niets zoo schilderachtig als
[142:]
als datgene, wat
we in onze prachtigste Javaansche gezichten missen; die torentjes, die
ruïnen, die zwarte stadjes, die wijnbergen, al die sporen van een
veeljarig menschenleven, die adem van den menschelijken geest, welke
over het land zweeft; maar wat mij tegenstaat, dat zijn de logementen,
de concierges, op de mooiste punten staande met een tarief, de prachtige
toiletten in de kurgartens en de salons, al de kiosken met stafmuziek;
het idee dat het gezicht, waar ik bewonderend voor sta, door duizend
en duizend conventioneele woorden geprezen is, dat het zelfs bon ton
is, het mooi te vinden. Daarom ben ik van morgen vroeg uitgereden; gisteren
waren we aan dezelfde herberg met een groot gezelschap, en wij jonge
meisjes liepen door het bosch; ik hoorde het klateren van het water,
maar toen heb ik dadelijk een andere richting gegeven aan onze wandeling;
van morgen vroeg, heel alleen, reed ik er naar toe. Wat heb ik daar
in die eenzaamheid genoten!"
"Het is ook een heerlijk plekje!"
"O, u hebt het niet gezien in de eerste schemering, toen het bosch
ontwaakte, en de zon met hare nog zwakke stralen de vogels wakker riep,
toen was 't er oneindig heerlijker dan nu! Ja", ging zij voort,
"ik zou op den duur niet kunnen leven in het vlakke Holland, ik
heb bergen noodig om vrij te ademen: soms de wereld eens van boven uit
te zien, want van boven is alles anders."
"Ja, u hebt gelijk!" antwoordde Fernand, "doch voor hen
die in Holland opgegroeid zijn, die gewoon aan de vlakten werden, zich
beklemd voelen tusschen booge rotsen, hebben de weilanden met hunne
madeliefjes, de akkers met hun gouden zegen, een meer voortdurende aantrekkelijkheid."
"Neen, neen, praat me niet van uw waterachtig land met zijn lucht
van grauw papier, zijn vaarten in plaats van beekjes, zijn pompen in
plaats van fonteinen, zijn kraaien en kikvorschen, die ons vergoeden
hetgeen wij missen moeten aan nachtegalen en leeuweriken. Wat had ik
mij illusiën gevormd van een dagen lang voor eenige fraaie uren!
O neen, wanneer ge u hier beklemd voelt, klim op de rotsen hooger, altijd
hooger, totdat er geen punt is boven dat, waarop gij staat!"
"Maar het vermoeit, altijd op te stijgen."
"Geen genot zonder pijn! Zie, me dunkt, dat het genie in een land
als het uwe, verwateren moet, de geest heeft meer noodig dan grachten
en weilanden; de fantasie moet op den duur daar verloren gaan; in een
natuur als deze voel ik mij, beter, evenals vroeger in de binnenlanden
van Java; nooit was ik gelukkiger, dan wanneer ik dwalen kon in het
gebergte vrij en onbekend. Daarom noemen ze mij zonderling," ging
zij glimlachend voort, "dat ben ik ook, ik ben niet als Nora, helaas!"
"Helaas?"
[143:]
"Ja, ik benijd
Nora," en haar opgewekt gelaat nam een treurige uitdrukking aan.
"Nora weet waarvoor zij op de wereld is, zij is gelukkig in haar
stille plichtsvervulling; zij is onmisbaar aan onze mama, aan haar vader,
zusjes en broertjes. En ik die ouder ben dan zij, wat voor nut heb ik
om mij heen verspreid? Wie heeft iets gehad aan alles wat ik geleerd,
gelezen en gedacht heb?"
"O, spreek zoo niet; niet alleen stoffelijk nut moeten wij om ons
heen verspreiden."
Het gesprek scheen zeker een al te intieme wending aan te nemen, want
Théo antwoordde niet en riep haar zoogenaamden groom toe:
"Zijn we op den rechten weg?"
Hij stelde haar gerust en zij vroeg bedaard:
"Wil u mij nu ook uw lotgevallen verhalen?"
Fernand deed niets liever en toen hij geëindigd had:
"Maar in welk logement logeert u in Ems?"
"Ik heb mijn koffertje vooruitgezonden naar het hotel d'Espagne."
"Zoo, wij zijn in het hotel der "vier Thürme"; grootmama
is gaarne in het eerste logement, en geen wonder ook, dat is haar nauwelijks
goed genoeg. We zullen toch op een bezoek van u mogen rekenen? Nora
zal blijde zijn een bekend gezicht te zien."
"Ongetwijfeld, ik zal 't mij tot een eer rekenen, u te mogen bezoeken;
zulk een verrassing had ik niet gehoopt in Ems te vinden."
"Och, men treft altijd kennissen aan op reis. We hebben ons nu
ook weer aangesloten bij een Haagsche familie; maar nog iets: wist u,
dat uw mama uit het huis der Van Vaernes getrouwd is?"
"Ja... dat wil zeggen, eens heeft mama mij verteld, dat ze groot
verdriet ondervinden meest van haar allernaaste familie, maar zij wilde
mij zelfs hun naam niet noemen, want dan zou ik onwillekeurig den wrok
overerven, dien zij niet uit haar hart verwijderen kon, ofschoon zij
de beleediging sedert lang
vergeven heeft."
"Hoe verstandig wat moet uw mama toch een buitengewone vrouw zijn,
mijnheer Van Leeuwenburgh, wat verlang ik haar te kennen."
"En ik ben zeker, dat ook zij zich tot u zal aangetrokken voelen,
me dunkt, zij moet op u geleken hebben in haar jeugd."
"Zij is gelukkig geweest," mompelde Théo. "Zij
heeft een levenstaak gevonden harer waardig, terwijl ik nog steeds...
o, zie eens!" riep zij in verrukking, "zie eens hoe heerlijk!"
Zij stonden op een rots, van waar men het geheele Lahndal kon overzien;
uit een bergpas naderde achteloos, zijne lange pluimen rook, als wit
dons om zich heen werpende, een spoortrein, die tusschen de rivier en
de rotsen als een ontzaggelijk slangengevaarte kronkelde.
[144:]
"Dat wekt
me op, dat doet mijn hart kloppen van genot, van trots dat ik mensch
ben, als ik zie hoe hij de natuur beheerscht, overwint, maar anders
als ik daal in mijn geest, als ik die rotsen beschouw, waartusschen
dat levenlooze water zich een weg baant, o, dan voel ik mij zoo klein
en nietig..."
Bij den toom leidde Fernand het voorzichtige dier het bergpad af naar
beneden; waarom moest dezen tocht zoo snel een einde nemen? Hoe jammer,
dat zelfs als zij openhartig wilde wezen, Théo in al haar bewegingen
en gebaren nog zoo de koningin speelde, zoodat elk woord, dat zijn gevoel
verraden kon, hem op de lippen bestierf!
Beneden gekomen, zeide zij eenvoudig:
"Nu zijn we aan de poorten van Ems, hartelijk dank voor uw geleide;
tot van middag, niet waar?"
Zij gaf haar paard de sporen en hij zag haar verstomd na, terwijl het
jongetje haar huppelend volgde.
Aan den ingang van 't logement stond Nora.
"Eindelijk! O Théo, uw grootmama was zoo ongerust."
"Ik was onder goed geleide, beste meid! Verbeeld je, wien ik ontmoette
in het bosch? Een vriend meer van u dan van mij."
"Fernand?"
"Wat raadt je toch goed, zusje-lief! Hoe is het mogelijk? Men kan
wel zien, dat ge je vrienden niet bij dozijnen telt."
"En hoe... kwam... hij in het bosch?"
"Dat zal ik je wel vertellen, als je met me naar boven gaat en
mij wat helpt omkleeden, want madame Mère zou het me kwalijk
nemen, als ik in amazonekleed aan het ontbijt verscheen!"