V.
Den volgenden middag
was Fernand bij zijn moeder terug, zij was innig verheugd hem weder
te zien en hij scheen het ook; maar er was iets in zijn hart, dat hij
zijn moeder nog niet openbaren wilde. Als hij die teederheid van haar
zag, die hem tot nu toe genoeg was geweest, dan begon hij te twijfelen,
of het wel zoo zeker was dat Théo tusschen hen op den duur zou
passen, of die twee vrouwen met hare zelfde gebreken en hoedanigheden
wel altijd in harmonie konden leven, of zij elkander verstaan, verdragen,
beminnen zouden. En hij moest de band zijn die haar aaneen hechtte,
hij die beiden zoo innig liefhad, die zonder dat tweetal zich verbeeldde
niet te kunnen leren.
"Ik zal mama vandaag nog niets er van zeggen," dacht Fernand,
"als we onder weg zijn of in Leeuwenburgh, dan is het tijde genoeg."
Hij verhaalde alleen dat hij in Ems een Hollandsche familie had aangetroffen,
dat Nora en haar Indische zuster er ook bij waren, maar den naam Van
Vaerne noemde hij niet.
Dien avond, toen de zon aan het ondergaan was, zaten beiden op het balkon.
De laatste stralen wierpen roode tinten op de bergen en de dorpjes aan
hun voet en ontstaken brandende lichten in de ramen der villa's en landhoeven
aan den overkant, de Rijn blonk als gesmolten goud; wolken, die hier
en daar door de blauwe lucht verspreid dreven, schenen rozenroode, violette
of zeegroene kleuren aan te nemen, de rook uit de landelijke huizen
steeg zacht krullend naar boven en bleef een poos over het landschap
zweven, als ware zij ook een wolk.
Moeder en zoon zaten naast elkander, zij op een hoogen leuningstoel,
hij op een laag tabouret, met het hoofd tegen haar arm geleund; zij
spraken over het verleden, de schoone kinderjaren, den tijd van zijn
jongelingschap, die reeds zoo ver voorbij scheen, en 't was of beiden
een voorgevoel hadden dat dit de laatste dag vol kalm geluk voor hen
beiden was. Een genotvol en toch weemoedig bewustzijn drukte hen neer:
later zou het hun duidelijk worden, dat dit een waarschuwing was voor
de stormen die in aantocht waren.
Fernands geest was niet geheel en al waar zijn lichaam zich bevond,
maar toch op dit oogenblik behoorde hij meer aan zijne moeder dan aan
Theodore.
De zon, verdween en de goudglans, die alles verguldde, smolt weg, de
wolken werden hoe langer hoe grauwer en de lucht donkerder en donkerder
als een zee zonder bodem.
Mevrouw Van Leeuwenburgh zuchtte:
"Zoo is het leven, wanneer het geluk ons verlaat."
"Maar ons verlaat het niet, liefste mama, integendeel!" en
hij had
[153:]
zijn bekentenis
op de lippen, maar er kwamen anderen op het balkon.
"Gij zit daar als Monica en Augustinus op de gravure van Ary Scheffer,"
zeide een hunner kennissen.
Zij glimlachten beiden en Fernand antwoordde lachend:
"God geve, dat mijn mama de rol van Monica niet tegenover mij behoeft
aan te nemen."
Het gesprek verviel in de algemeenheden en de gelegenheid om alles te
bekennen deed zich dien avond niet meer voor.
Daags daarna stond Fernand juist dicht bij de vestibule toen een onbekende
stem zijn oor trof.
"Mevrouw Van Leeuwenburgh," hoorde hij in het Duitsch tegen
den portier zeggen.
In een oogwenk was hij naderbij gekomen en stond tegenover Theodore
en Nora.
"Theo... Nora, wat 'n verrassing!"
"Ha, mijnheer Van Leeuwenburgh! Is u niet verwonderd ons hier te
zien? Wijt het die kinderachtige Nora; dat ongelukkige kind vergaat
op de oevers van den Lahn van heimwee naar haar gezellig interieur,
en daar toevallig onze vrienden vandaag naar Bonn vertrokken, heb ik
besloten mijn zusje te vergezellen om haar aan de hoede van uw mama
toe te vertrouwen. "
"Kom binnen! Ik zal haar waarschuwen."
Hij liet ze in een privé salon treden en vloog te trappen op
naar de kamer zijner moeder.
Mevrouw Van Leeuwenburgh was met Emilie aan het pakken harer koffers;
ten minste zoo moest het heeten. Emilie deed alles en zij vergenoegde
zich alleen eenige kleinigheden bijeen te zoeken.
"Mijn hemel, wat is er toch?" vroeg zij verschrikt, toen Fernand
geagiteerd binnen kwam stuiven.
"Och mama, zend Emilie weg, ik moet u even alleen spreken."
Bij deze niet zeer vleiende aanmaning, wierp Emilie diep beleedigd het
goed dat zij in de hand hield, neer en ging, fier in hare gekwetste
waardigheid, de kamer uit.
"Mama," stamelde Fernand, "u herinnert zich nog dat meisje...
waarvan ik u verhaald heb... dat ik op Batavia heb ontmoet. Zij was
toen geëngageerd en ze is Nora's zuster, ik heb ze in Ems aangetroffen
en nu zijn ze beiden hier!"
Mevrouw Van Leeuwenburgh ried alles nog vóór hij uitgesproken
had; 't was eindelijk gekomen wat zij zoolang gevreesd had, en 't zou
geen hersenschim blijken zooals vroeger met Nora; 't was gebeurd, er
stond reeds iemand tusschen haar en Fernand; om harentwille had hij
tegenover zijn moeder geveinsd en gezwegen.
"O, Fernand," sprak zij verwijtend, "dat je tegenover
mij zoo hebt kunnen huichelen. Dat had ik niet verdiend."
"Och, vergeef mij, mama; ik had u gisteravond alles willen
[154:]
zeggen, maar toen
kwamen die vreemden en ik had geen gelegenheid meer. Och, mama, ontvang
haar goed; zij is zoo'n engel."
"En is zij je nagereisd?"
"Neen, mama, zij is me niet nagereisd, zij wil Nora, die teruggaat
naar huis, aan uw zorg toevertrouwen. Lieve mama, ik heb verkeerd gehandeld,
maar wreek het niet op haar, zij verdient het niet, zij is zoo mooi,
zoo goed. . . . "
"Ja, ik weet dat alles! Zoo zijn ze allen en altijd op wie men
verliefd is, en hoe heet dat wonder?"
Fernand was gegriefd; neen, aan zulk een toon had zijn tedere moeder
hem niet gewend en hij voelde dat de bescherming van Théo geheel
op hem rustte.
"Maar ik heb u haar naam toch zeker reeds genoemd?"
"Nog nooit; zulk een vertrouwen ben ik niet waardig."
"Theodore van Vaerne immers."
"Van Vaerne, dat ontbrak er nog maar aan. Nu, je brandt van verlangen
naar je uitverkorene te gaan. Ik weerhoud je niet."
"En komt u dan ook spoedig?"
"Wil je dat ik in dit huistoilet mijn opwachting maak bij die prinses?
Ga naar beneden, ze zal mijn gezelschap wel kunnen missen, als jij er
voorloopig zijt."
Onthutst en in alles behalve aangename stemming keerde Fernand naar
de dames terug, maar hij droeg er zorg voor dat men niets zou opmerken
van zijn teleurstelling; alleen Nora zag de wolk op zijn voorhoofd.
Haar hart klopte angstig want zij voorzag zware stormen, die de twee
wezens, welke zij zoo innig liefhad, bedreigden.
Na een half uur kwam mevrouw binnen, statig, deftig, hoogst beleefd,
maar als ijs zoo koud, Theodore gevoelde zich niet op haar gemak, en
was hierdoor meer geërgerd dan door de koele houding van Fernand's
moeder. Zij ontving de meisjes alsof deze eene beleefdheidsvisite kwamen
brengen, en niet als reizigsters, die een paar uur in den spoortrein
hadden gezeten en behoefte hadden aan eenige verfrissching. Nora echter
mocht thans een sympathieken handdruk ontvangen.
"Met alle genoegen zal ik u bij uw mama terugbrengen," zeide
ze haar, nergens kunnen jonge meisjes beter zijn, en dat ge niet alleen
wilt reizen, prijs ik zeer in u; ik vind niets meer ongepast voor dames
van uw leeftijd dan alleen door de wereld te zwerven."
Théo voelde die steken en werd er door gekwetst; zij begreep,
dat mevrouw Van Leeuwenburgh geen hoog denkbeeld van haar koesterde,
dat haar uiterlijk niet den minsten indruk maakte op die trotsche vrouw,
zelfs viel het haar eens op, dat zij met blikken van minachting haar
van het hoofd tot de voeten opnam.
Fernand trachtte het gesprek te doen vlotten, maar vergeefs; het bleef
zich bepalen tot alledaagsche onderwerpen en zooals het meer gaat, wanneer
eenige persoon, door dezelfde on
[155:]
uitgesproken ernstige
zaak beziggehouden, er niet over spreken kunnen en zich toch beijveren
nog belang te stellen in het weer, de fraaie natuur, de keuze der hotels,
enz, hun geest dwaalde telkens af en het gesprek werd onderbroken.
Nadat deze onaangename samenkomst een twintigtal minuten had geduurd,
stond Theodore op en zeide dat zij naar 't station moest gaan om nog
dezen avond in Ems terug te kunnen zijn. Haar bedoeling was eigenlijk
geweest den nacht hier door te brengen, kennis te maken met Fernand's
moeder en misschien reeds, zoo hij er op aandrong, hem haar jawoord
te geven. Nu liep alles anders dan zij zich voorgesteld had, en zij
besloot een fieren terugtocht te maken.
Het afscheid was zeer ceremonieel en onberispelijk, Théo kon
niet klagen dat men haar onbeleefd behandeld had, maar toch was zij
beleedigd.
Fernand en Nora brachten haar naar het station; zij sprak niets, doch
hare gedachten kookten des te meer. Bij het afscheid nemen sprak zij
koel:
"Mijnheer Van Leeuwenburgh! ik hoop dat u niet meer aandringen
zal op het beantwoorden van eenige vragen, die u mij gesteld heeft,
u begrijpt dat er niets tusschen ons kan bestaan."
"Waarom niet?" vroeg hij levendig, "Ik ben te kort gekomen
aan eerbied jegens mijne moeder en daarom was zij koel tegen u, maar
wat zou zij anders u kunnen verwijten?"
Théo glimlachte spottend.
"Vaarwel, mijnheer! Vaarwel, lieve, beste Nora, omhels mama duizend
keer en zeg dat ik dezen zomer niet bij haar kom. 't Zal dus wel een
afscheid zijn auf ewig voor ons," voegde zij Fernand toe.
"Neen!" riep hij onstuimig, "neen!"
Zij stak hem de hand toe en wendde het gelaat af.
"'t Was een schoone droom," lispelde zo, "het geluk zal
voor mij wel een woord blijven."
Zij stapte in den waggon, na Nora hartelijk te hebben omhelsd, dook
diep in de kussens en zag niet meer naar het tweetal om.
Zoodra de trein in beweging was maakte zij haar plannen; zij was verbitterd
op mevrouw Van Leeuwenburgh, want deze had haar vernederd en dat had
niemand, behalve haar grootmoeder, ooit gedaan: zij wilde zich wreken
en meende het middel daartoe in de hand te hebben.
Tegen haar wilde zij strijden om Fernand's liefde; hij had haar immers
zelf verzocht geen misbruik te maken van haar invloed op hem; deze moest
dus wel groot zijn.
"'t Is een strijd op leven en dood," sprak zij in zichzelf,
"we zullen eens zien, trotsche mevrouw, wie van ons beiden den
meesten invloed heeft. U, die hem altijd aan u vastgeklonken hebt, of
ik, die hem nog geen twintig malen heb ontmoet."