II.
Mevrouw Van Vaerne hoorde eerst van het telegram, dat Théo verzonden had, toen de Van Noordens er reeds druk over aan
[131:]
het
redeneeren waren. Ze was er niets over gesticht; evenmin als over alle
handelingen, die haar kleindochter in den laatsten tijd had gedaan;
was het niet om de praatjes te ontvluchten, die, na Théo's afgebroken
engagement, haar het Bataviasche
leven ondragelijk maakten, dat zij de groote reis had ondernomen naar
dit treurige land? Haar humeur werd er niet beter op; Van Vaerne was
kinderachtig als een kwade jongen, hij vond alles even mooi en even
interessant, zelfs dat ellendige weer, maar zij verzekerde, dat het
den dood in de armen loopen was, zich zoo'n klimaatsverandering op hun
leeftijd te veroorloven.
Zij was daags daarna weer druk aan het pruttelen tegen haar man, die
een goudsche pijp, ook een zijner illusies, bedaard oprookte, en tegen
Théo, die in een groot stalenalbum een stof uitzocht voor een
nieuwe japon, terwijl geen van beiden aan haar gebrom veel aandacht
wijdde, toen er geklopt werd.
"Ik herken je niet meer, Théo, zoo onberaden te handelen,
wat zeg jij er van, papa?"
"Och, Anne, zij is geen kind."
"Maar met dat te zeggen bederf je haar nog meer."
"Daar is het te laat voor, grootma, och, zeg eens, hoe vindt u
die nuance, te licht?"
"Wie klopt er? Maak de deur open, Théo! Mijn hemel, 't is
of men hier in een gevangenis zit met al die gesloten deuren. Heilig,
heilig Java!"
"Een heer en dame om juffrouw Van Vaerne te spreken," zei
een kellner.
"O, dat is mama zeker!" Het album vloog midden in de kamer
en Théo snelde naar buiten. Bij de leuning der trap bleef zij
staan en streek de weerbarstige lokken naar achteren. Ja, nu voelde
ze iets nieuws, het gevoel, waarvan zij in de laatste maanden zoo dikwijls
gedroomd had, en even kwam nog de herinnering op aan de bitterheid,
die ze altijd had gevoeld in haar hart tegen de moeder, die haar eens
verstiet, maar zij voelde nu niets meer wat er op geleek. Alles was
overheerscht door de gedachte:
"Ik ga mijn moeder zien."
Doch zij liet zich niet gaarne overmeesteren; een oogenblik was het
gevoel te sterk geweest, nu moest zij weer bedaard schijnen; kalm, zoo
als het scheen, ging zij de trappen af en maakte de deur open van het
kleine salon, waar vader en dochter op haar wachtten.
De kapitein stond in zijn schilderachtigste positie, één
been vooruit, een hand op de borst gedrukt, de andere, die den hoed
vasthield, vlak tegen het lichaam gedrukt. Voor één der
groote spiegels had hij die houding uitgezocht en verroerde zich sedert
vijf minuten niet, uit vrees ze te verliezen. Nora, die vermoeid was
van het loopen - ze waren aan het Hollandsch spoor aange
[132:]
komen
- zat bij de tafel. Théo kwam binnen, in één oogopslag
merkte zij teleurgesteld te zijn; maar zonder haar zelfbeheersching
te verliezen, maakte zij een buiging en sprak:
"Heb ik het genoegen, kapitein Van Noorden te spreken?"
Hij had in den waggon telkens aan Nora gezegd:
"Houd je stil kind, praat geen woord, ik moet mijn welkomstspeech
bedenken, ik zal het haar flink zeggen, hoor! Zoo iets zal zij nog nooit
hebben vernomen. Wacht eens, we zullen haar die kuren afleeren, dat
de lust haar vergaat, om bij ons aan huis te komen. Jouw mama moet dan
maar zien, dat ze haar ergens anders te spreken krijgt."
En nu? Eenvoudiger woorden had Théo niet kunnen zeggen en toch,
zijn handen verlieten hun respectieve plaatsen, de hoed, ongelukkig
in de rechterhand, werd naar de linker geschoven en hij maakte ondertusschen,
een diepe buiging.
"Ja zeker, juffrouw, ik wou zeggen me..., och neen, u moet wel
de complimenten hebben van mijn vrouw."
"Derangeert u niet, kapitein," en na hem haar hand te hebben
toegestoken, ging zij naar Nora.
"Ben je nu mijn zusje Nora?" en ze omhelsde haar zeer hartelijk.
"Hoe maakt het mama, verlangde ze mij niet te zien?"
"O ja, zeker, mama is zoo blij, dat ze u eindelijk eens kan omhelzen,
maar zij kon moeielijk meekomen."
"Dat begrijp ik zeer goed. Ik vind het allerliefst van u beiden
dat ge hier gekomen zijt; u komt me zeker halen, niet waar? We zullen
eerst dineeren en dan ga ik dadelijk met u mee?"
"Vandaag nog?" vroeg Van Noorden.
"Welzeker, vandaag! Waarom niet?"
"En zou u dan zoo gauw klaar zijn? 't is een heele reis... drie
uren."
"O, dat is minder! ik ben dadelijk gereed. Ik kom zoo van tafel,
maar u zal wel eetlust hebben. Excuseer me dus, dat ik mijn toebereidselen
maak, ik zal u een lunch zenden."
"Dat gaat niet," bromde Van Noorden, "zoo gekomen, zoo
weg. Ik heb nog niets van den Haag gezien."
"Och, papa, dat kunnen we een volgenden keer doen; ze verlangt
naar mama en mama ook naar haar."
"Zij commandeert als een kolonel; wat een pruik haar toch,"
en hij streek voorzichtig langs zijn schedel, "zou dat echt wezen?"
"Ik heb alleen haar oogen gezien, precies dezelfde kleur als..."
't Woord werd niet uitgesproken.
"En waar zullen we dien kolonel nu logeeren? Alles zal haar wel
te min wezen, als ze zoo gewend is aan zoo'n pracht als hier. Waarom
dat huwelijk toch mag afgesprongen zijn?"
Er werd voor hen gedekt, en de achting van den kapitein voor zijn stiefdochter
steeg, naarmate hij het fijne collation beter beproefde. Van Vaerne
kwam binnen:
[133:]
"Slamat
pagie," [Goeden morgen!] zeide hij op zijn gewonen gullen toon,
"wat hoor ik, is u kapitein Van Noorden en is dat uw dochtertje?
Zoo, zoo, komt u mijn Théo weghalen? Heb ik haar nu daarvoor
zoovele jaren onder een glazen stolpje bewaard? Blijf zitten, kapitein,
en u ook, juffertje, en hoe gaat het mama?"
Hoe zou de verbitterde kapitein nu tegen dien hartelijken man zijn oude
grieven ophalen? Bedaard besloot Van Noorden dus zijn speech te bewaren
tot... tot later.
Toen het maal gedaan was, kwam Théo gekleed binnen, haar reistaschje
over den schouder, haar plaid in een lederen riem gerold, geheel Europeesch,
elegant van het hoofd tot de voeten. Nu zij naast zijn Nora stond, in
haar te korten mantel, met haar onbeduidend hoedje, viel het groote
verschil tusschen beide zusters den kapitein nog meer op en hij voelde
een soort van jaloezie.
"Grootmama laat zich excuseeren, kapitein," sprak Théo,
"ze is nog niet op streek om iemand te ontvangen; nu grootpapaatje,
goeden moed, tot weerziens! Is de vigelante voor en hebben ze mijn koffer
al beneden gebracht?"
"Maar, lief kind, 't is nog te vroeg!"
"Dat weet ik wel. We hebben nog ruim twintig minuten den tijd,
ik moet een paar boodschappen doen."
En zij kuste den ouden heer, legde haar arm op dien van Nora en fluisterde
haar toe:
"We moeten toch iets voor mama koopen."
De kapitein was vol attenties.
"Zal ik uw regenmantel dragen, juffr... och, voorzichtig, struikel
niet. Wat zal mijn vrouw verrast zijn!"
Was Nora er niet bij geweest, hij had misschien nog minder gesproken,
maar nu schaamde hij zich voor haar, die hem zoo'n hoogen toon had hooren
aanslaan.
"Weet u mijn naam niet, kapitein?" vroeg zij "noem mij
toch zooals u het vroeger deed: Theo of Door, of Lastige bengel en..."
Zij zweeg; haar glimlach verried dat zij zich nog wel meer namen herinnerde.
"Ben je ook altijd als een jongen behandeld toen je klein waart,
Nora? Ik geloof het niet. Je zijt zoo teer en fijn, me dunkt, je moet
veel op mama lijken; wil je mij nu helpen een nieuwe japon uit te zoeken?
Je hebt zeker een goeden smaak."
Théo kocht japonnen voor haar moeder en haar twee zusjes, fijne
sigaren voor den kapitein en besloot den jongens maar een paar bankbiljetten
te geven, want de tijd drong.
"U neemt het mij toch niet kwalijk, kapitein," zeide zij lachend,
"dat ik u geen papa noem. Me dunkt, u moet er niet op gesteld zijn,
zoo'n oude dochter te hebben als ik, en dit is een herinnering aan uw
oude waardigheid."
[134:]
Van
Noorden vond dat zijn vrouws kind een onbetaalbaar meisje was, heel
anders dan hij gedacht had, en toch, hij durfde zijn gewonen spreektrant
niet tegenover haar aanslaan.
Onderweg sprak Théo niet veel, maar liet Nora vooral praten.
"Ik heb een stadgenoot van je gesproken, een maand of wat geleden,"
zeide ze, "zekere Fernand van Leeuwenburgh, hij kende je goed.
Woont hij nog in Leeuwenburgh?"
"Neen, hij is burgemeester geworden en het heele buiten ligt daar
nu verlaten. Als Nora nu met Gortz getrouwd was, dan zou u daar een
geschikte kamer kunnen krijgen, of liever, het heele huis gebruiken,
maar nu?"
"Och, kapitein, u begrijpt immers, dat ik bij mama logeeren wil
en nergens anders. 't Spijt me dat ze weg zijn. Hij was een aardige
jongen en zijn mama moet volgens hem een ideaal wezen."
"O, zij is zoo'n knappe dame!" sprak Nora vol overtuiging.
"Een kapitale vrouw,"bevestigde de kapitein. "'t Is jammer
juffr... dat uw mama niet zoo is als zij."
"Ik zou dat niet willen," antwoordde Théo uit de hoogte,
"ik wil mijn mama liefhebben zooals zij is en niet zooals zij wezen
moest."
Nora leed bij elk woord, dat haar vader zeide; 't was een smartelijk
gevoel, dat zij reden had zich voor de onbekende zuster te schamen om
haar vader; telkens verweet zij het zich als een oneerbiedigheid, dat
zij zich ieder oogenblik aan hem ergeren moest.
"Ja, zij is een eenvoudig vrouwtje, u weet, een echte nonna, maar..."
"Zij is een engel!" viel Nora verontwaardigd in. Théo
drukte haar zacht de hand.
"Kom, kom, kapitein," zeide zij schertsend, "daar heeft
u immers geen verstand meer van. Wij weten het beter, nietwaar, Nora?
Hoe vindt u de Hollandsche officiersuniformen, ik vind ze affreus. De
Indische zijn veel mooier; heeft u nog het uwe?"
Eens op dit onderwerp gekomen, bracht Van Noorden ernstig den vinger
aan den neus en begon de geschiedenis te verhalen van zijn uniform,
dat half op zolder hing, half verkocht was aan een galon-fabrikant.
Théo liet hem praten en Nora was blijde, dat hij nu ten minste
geen onzin sprak.
"Waarom is uw huwelijk niet doorgegaan?" Hij deed deze vraag
echter eerst na het voorlaatste station.
"Och," antwoordde Théo losweg, "we verveelden
mekaar al vóór het huwelijk en daar het toen nog juist
tijd was om van mekaar afscheid te nemen, hebben wij het maar zoo gauw
mogelijk gedaan!"
"Of u gelijk had," hier volgde iets dat geen juffrouw meer
was, maar nog minder Théo, "zich vervelen in een huwelijk
is
[135:]
een
treurig ding, mijn vrouw is een goed schepsel, niet waar, Nora, maar
amusant, neen, dat is wat anders."
Théo antwoordde hier niets meer op, zij leunde achterover en
sloot de oogen; een bittere gewaarwording vervulde haar hart.
"En aan dien man heeft mama mij opgeofferd. Ach! wat zal ik bij
haar vinden, koelheid, domme sufferigheid; waarom heb ik mij zoo gehaast,
waarom zooveel verlangen getoond om haar te zien. Zij is me toch een
vreemde!"
Zoo sprak zij geen woord meer totdat men aankwam; de kapitein had een
verbazende drukte om voor haar goed te zorgen, een vigelante te huren,
haar aan te sporen zich warm in te wikkelen, want het was guur en donker;
zij zweeg echter en Nora vreesde, dat zij zich schaamde tot haar familie
te behooren.
De kapitein maakte duizend excuses over de onverwachtheid van haar komst,
over de Indische slordigheid zijner vrouw, de somberheid van hun huis,
waarop Théo zoo goed als niets antwoordde.
Zooals het meer bij levendige naturen gaat, die slechts handelen onder
den invloed der indrukken van het oogenblik, was op haar opgewondenheid
en vurig verlangen naar haar moeder een groote onverschilligheid en
afmatting gevolgd, Zij, die niet begrijpen kon, hoe de mail reis nog
eens een einde zou nemen, vreesde telkens dat het rijtuig stil zou staan;
zij had alles willen geven om weer in den Haag of zelfs op Batavia terug
te zijn, zoo was haar gemoed nu weer vervuld met bitterheid, angst en
wrok. De kapitein verveelde haar onuitsprekelijk; zij had hem gaarne
op de een of andere wijze het zwijgen opgelegd, maar bedwong zich gelukkig
en stelde zich tevreden met plannen te maken om zoo spoedig mogelijk
zijn huis te verlaten.
Eindelijk stond de vigelante stil. Nora, die haar besluit genomen had,
sprong er 't eerst uit, belde, en toen de kinderen allen tegelijk, verwonderd
over de onverwachte gebeurtenis, de deur openden, schoof zij hen ter
zijde, vloog naar de huiskamer en fluisterde haar mama .toe, die verschrikt
haar naaiwerk liet vallen:
"Och, mamaatjelief, daar is Theodore, ik zal haar naar mijn slaapkamer
brengen, dan behoeft uw ontmoeting niet in 't bijzijn van allen plaats
te hebben," en weer ging zij naar buiten.
Trotsch, als een koningin, stond Théo midden in de gang, de kinderen
staarden haar verbaasd aan, terwijl de vader de talrijke pakjes naar
binnen droeg.
Nora greep haar hand.
"Volg me, Théo, hier de trap op."
Zwijgend gingen zij naar boven; 't was alles even donker, even griezelig
somber; Théo rilde en vroeg zich af, in wat voor een hol zij
toch geland was en hoe zij er gevoegelijk weer uit kon komen. In haar
slaapkamer, de ruime, unheimische zaal, wist Nora in den blinde lucifers
en bougie te vinden, maakte licht aan en sprak toen:
[136:]
"Mama komt dadelijk, Théo; doe uw goed af, me dunkt, ge
moet van nacht hier blijven met mama."
"Is 't uw kamer?" vroeg Théo en zag huiverend rond.
"Ja, mijn boudoir," lachte zij, "'t is ruim genoeg en
men heeft overdag een mooi gezicht uit de ramen; maar hebt ge het niet
koud?"
Théo wenkte van neen en legde in schijn bedaard hoed en mantel
af.
Mevrouw Van Noorden kwam de trappen op; zij was overstelpt van aandoening;
zoo onverwacht haar kind terugzien, zoo plotseling tot die aandoening
geroepen te worden en dan nog te moeten antwoorden op de vragen van
haar man:
"Maar, waar moet je heen, vrouw? Wat 'n idee van Nora... is er
geen plaats genoeg in de huiskamer en bij de kinderen, die haar nog
niet eens gezien hebben?"
Nu kwam ze binnen. Nora verwijderde zich ongemerkt. Théo bleef
staan; zij die nooit haar contenance, verloor, die zich overal even
gemakkelijk bewegen kon, stond stijf en roerloos bij de tafel, maar
haar moeder werd er niet door afgeschrikt.
Zij voelde twee armen om zich heen geslagen, zij hoorde een zacht gesnik,
geen woorden, hoegenaamd niets, niets dan de stomme uitdrukking van
het gevoel.
Neen, dat had Théo, hoe blasée zij ook meende te zijn,
nooit ondervonden, die innige, sprakelooze omhelzing, dat gelaat tegen
het hare gedrukt, die tranen, welke haar lokken bevochtigden; alle grieven,
die zij tegen haar moeder meende te hebben, smolten weg, evenals vroeger,
toen zij dien laatsten brief overlas; zij liet zich door haar koesteren
en vond er een troost in hulpeloos het hoofd te laten ruftten in de
armen dier onbekende moeder.
"Ach, Théo," en zij hield haar eenen arm nog geslagen
om den hals van 't meisje, maar ging een weinig achteruit om haar beter
te zien, "wat lijk je op je vader!"
"O, mama!" riep zij en dit woord welde uit het diepst van
haar hart, "waarom heb ik u niet eerder gekend!"
"Waarom? Och, Théo, had ik alles vooruit geweten, dan...,
maar, kind, je zijt toch gelukkig geweest in al die jaren?"
Zij schudde het hoofd en trok haar moeder naar zich toe en verborg het
gelaat in haar kleederen.
"Neen, mama, neen! Ik heb geleefd zonder te weten wat smart was
of vreugde, maar nu eerst voel ik, wat mij ontbrak. O, mama, ik benijd
Nora zoo!"