KRUISPADEN.
I.
Fernand was terug.
Zijn moeder zag hem voor zich knielen, zijn hoofd rustte op haar handen,
zijn oogen spiegelden zich in de hare; hoe dikwijls had zij zich dit
oogenblik niet gedroomd, hoe menigmaal haar hart voelen kloppen en haar
oogen vochtig worden bij de voorstelling van deze zaligheid, en nu was
het
geen droom meer, nu zag zij werkelijk, nu hoorde zij zijn stem haar
teeder toeroepen: "Moeder, liefste moeder!" en zij voelde
dat zij nog altijd de eerste was in zijn hart, dat niemand nog tusschen
hen beiden stond.
't Was een onuitsprekelijk zalig oogenblik; zij vergat al haar plannen,
al haar berekeningen, zij had hem en zijn volle liefde immers weer terug,
en kon nu aan niemand anders denken.
Maar toen de eerste oogenblikken vol blijdschap en vervoering voorbij
waren, bemerkte het scherpe moederoog iets op Fernand's voorhoofd, dat
wel geen wolk was, maar toch een soort van overblijfsel daarvan, iets
dat aanwees dat het niet meer zoo helder, zoo kalm was als vroeger.
Liefdevol streek zij hem de donkere lokken van de slapen weg en vroeg:
"Mijn jongen, wat zijn je plannen? 't Is nu de tijd niet meer dat
de moeder beslist over de toekomst; het is aan den volwassen zoon om
te kiezen en aan de oude moeder te gehoorzamen."
Hartstochtelijk sloeg hij de armen om haar heen.
"Laat ons leven zooals vroeger, want niets anders zou mij meer
gelukkig kunnen maken: Waarom zal ik 't u niet bekennen? Ik heb gezien
wat ons beiden ontbreekt en te laat!"
Iets als een lichte maar pijnlijke dolksteek voelde mevrouw Van Leeuwenburgh
in het hart, doch als ware haar kalmte niet verstoord, antwoordde zij:
"Ik weet het, Fernand!"
"O mama, u zou haar ook hebben liefgehad en gewaardeerd, zij is
zoo schoon, zoo geestig."
[128:]
Twee bijvoegelijke
naamwoorden, die mevrouw Van Leeuwenburgh niet gaarne zou hooren gebruiken
om haar schoondochter nader aan te duiden.
"En is zij getrouwd?"
"Toen nog niet, maar nu zeker wel."
"Dan moet je zelfs haar herinnering vergeten; zij zou je gemoedsrust
storen en waarvoor? Wij moeten niet leven in het verledene of in de
toekomst."
Zij deed nu meer dan ooit al het mogelijke om voor haar zoon een betrekking
te verkrijgen, die hem werk en eenige zorgen gaf en het gelukte haar
ook. Fernand werd benoemd tot burgemeester van een aardig stadje in
een verwijderde provincie; niemand was blijder dan mevrouw.
Zij besloot Leeuwenburgh niet te verhuren en Bruno daar als huisbewaarder
aan te stellen; 's zomers kon zij het dan voor eenigen tijd bewonen.
Eenige maanden nadat Leeuwenburgh verlaten was, kwam er een hoogst zeldzame
bezoeker bij de Van Noordens in huis: een telegram. De kapitein, die
last begon te krijgen van rheumatiek, en dus de aantrekkelijkheid van
een warme huiskamer en een gewatteerden chamber-cloack op hoogen prijs
begon te stellen, opende het stuk met veel gewicht, ofschoon er duidelijk
op het adres stond: Mevrouw Van Noorden; Nora lette nauwelijks op het
ontvangene, haar mama echter kon niet voortgaan met haar naaiwerk, want
haar handen beefden en zij voelde dat zij doodsbleek werd.
"Dat is nu ook wat moois," riep Van Noorden, "is me dat
een manier van handelen."
"Wat is er?" vroeg mevrouw en Nora zag om. "'t Is je
dochter, die telegrapheert; zij is in den Haag. Wist je daar iets van?"
Als had zij een bedwelmenden slag op het hoofd ontvangen, staarde mevrouw
verward rond.
"Wat zeg je, Van Noorden? Is Théo in Holland?"
"Daar, lees voor, Nora, wat staat er toch? Je moeder schijnt me
niet te gelooven."
Nora las:
"Aangekomen hotel Paulez.
"Verwacht brief van u wanneer ik u ontmoeten kan. Theodore."
"Is dat alles? Omijn God, zal ik haar eindelijk zien," en
zij barstte in tranen los, terwijl haar man brommend op en neer ging.
Dat is nu ook een echte groote lui's manier, wij moeten zeker bij de
dame onze opwachting komen maken. Natuurlijk één voor
één hoed-af spelen, nadat zij zich nooit in iets aan ons
heeft laten gelegen liggen. Maar daar bedriegt zij zich in! Ik als man
van eer zal dat burgervolk niet naloopen; en of ze nu al getrouwd is,
of wel met haar hooggeboren grootouders in den Haag is, daar weten we
niets van, Hotel Paulez, jawel!
[129:]
Kan het nog deftiger,
waarom niet in den Grooten Doelen, daar
logeerde vroeger mijn oom, hoe heet die ook weer...: echt parvenu's
volk, en zou ze hier willen logeeren? Ik bedank er hartelijk voor zoo'n
vreemd mensch aan mijn tafel te zien. Laat ze naar de... Misschien krijgen
wij de oude lui er ook nog bij. Hoe kunnen we in dezen warboel iemand
ontvangen. Het ziet er uit als een dessahuis, als een warong; had die
gekke oude kraai me niet behandeld als ware ik een voetveeg, dan hadden
we nu heel Leeuwenburgh ter onzer dispositie gehad en Nora zou als mevrouw
Gortz daar de honneurs hebben kunnen waarnemen, terwijl we nu..."
Ondertusschen sloeg Nora den arm om mama's hals en vroeg:
"Zal ik haar schrijven uit uw naam?"
"Neen, kindlief, ik zal het zelf doen. Wie had dat kunnen denken,
Nora?"
"'t Is een gelukkige verrassing, mama, ik ben zoo verlangend haar
te zien; we moeten maar onmiddelijk schrijven."
"En aan wie? Weet je dan, hoe ze nu nog heet? Je kunt toch niet
op het adres zetten: Aan mevrouw Verheide of juffrouw Van Vaerne, hotel
Paulez."
"Dat is waar ook! Wat zullen we dan doen, Van Noorden!"
Als men zijn raad vroeg, was de kapitein altijd gevleid en verzuimde
dan ook niet een hoogwijs antwoord te geven.
"Ja wat, dat is juist de questie," en hij schoof zijn naturelletje
ter zijde, "als het niet, te veel eer was voor die jongejuffrouw,
dan..."
"Ging u zelf naar den Haag, niet waar, papa?"
"Maar dat kun je denken! Ik deed het nog voor geen honderdduizend
gulden. Wie weet of zij er wel op gesteld is ons daar te zien; schrijf
haar een brief, vrouw! Terecht komt die altijd."
"Zouden Nora en een van de jongens, niet naar den Haag kunnen gaan,
dat was altijd hartelijker?"
"En kostbaarder. Maar ga jij er heen! Je bent de eenigste, die
haar aangaat; zij toont genoeg, dat wij in haar oogen nullen voor het
cijfer zijn."
"Ze kent ons niet, ze was zoo klein toen we haar wegzonden."
"Maar een veelbelovend ding! Jongens. wat kon ze met haar voetjes
stampen, krabben als een kat, bijten als een hond. Hoe ze nu opgevoed
mag zijn?"
Mevrouw begon weer te schreien, meer uit aandoening echter, dan omdat
Van Noordens gepraat haar griefde.
"Je begrijpt toch," ging zij voort, "dat ik er op gesteld
ben, mijn kind te zien. Ze moet dus hier komen, want ik zie tegen reizen
op en wil volstrekt niet in betrekking komen met de Van Vaerne's; plaats
hebben wij genoeg en met de meubels zullen we ons voorloopig moeten
behelpen; lang zal zij hier toch niet blijven," voegde zij er diep
weemoedig bij.
"O ja, ik zou nog maar meer beweging maken om zoo'n
[130:]
schepsel, dat je
nooit eenig bewijs van belangstelling getoond heeft, dat ons vreemd
is..."
"Omdat wij haar weggezonden hebben, daar zij voor u een lastpost
was. Ik ben voor onze kinderen altijd een goede moeder geweest, Van
Noorden, om hunnentwille verkwijn ik in dit treurige land en verdroeg
geduldig al je onredelijkheden en die scheiding van zoo vele jaren,
laat mij nu ook mijn kind voor korten tijd als moeder behandelen."
"Maar, mijn hemel! vrouw, waar moet dat heen? 't Lijkt wel of je
een liedjeszangster geworden bent, zoo aandoenlijk praat je; wat wil
je nu? Eigenlijk weet je het zelf niet, ik verkies niet dat mijn Nora
haar compliment afsteekt bij de groote luî, die hun neus voor
haar optrekken. Ga zelf naar den Haag als je wilt, dan..., desnoods
als het niet anders kan, zou ik je wel geleiden willen, maar ik doe
het zeer ongaarne."
"'t Is niet noodig, ik zal haar schrijven."
"Even goed kan ik morgen met den eersten trein vertrekken; 't Zijn
weer fameuse onkosten, vijfentwintig gulden gaan er mee heen, maar natuurlijk,
ik ben altijd de lijdende partij, dat hoort zoo."
"En breng je haar dan hier?"
"Dat moet zij weten. Ik zal haar niet daartoe aanzetten; ik heb
er behoefte aan dat volk eens goed de waarheid te zeggen, en haar er
bij; daarom alleen ga ik!"
"Laat mij dan met u meegaan, papa!" verzocht Nora op beslisten
toon.
"Wat zou je meêdoen? Dubbele kosten, anders niets! Blijf
stil thuis, ik ga immers."
"Och, papa, ik ben nooit op reis geweest."
"Dat behoeft ook niet; de plaats van jonge meisjes is in het heiligdom
van 't huis, nergens anders! Ik geloof nooit, dat het gezelschap van
die juffrouw geschikt is voor zoo'n welopgevoed meisje als jij."
En toch, den volgenden morgen vertrokken vader en dochter, beiden zoo
onberispelijk mogelijk getoiletteerd, naar het station; Nora had de
blauwe japon aan, die nog altijd haar beste was.
"Hoe ouderwetsch is die Oostersche juffrouw gekleed," zeiden
een paar naaisters, die het paar zagen langs komen.
In de residentie zou die oudmodische snit nog meer opvallen; gelukkig
dat het hooge halsboord en de onmogelijke fantasie hoed van den kapitein
de aandacht afleidden van Nora's toilet.