VIII.
Théo's gewone
levendigheid kwam niet terug; zij was niet scherp meer tegen haar grootmama,
zij sprak haar niet tegen, zij hoorde geduldig alle plannen van Verheide
aan, weigerde niet hem te vergezellen naar de winkels, als hij het verzocht;
zij was gedwee als een lam geworden.
"Dat komt, omdat de baboe haar niet meer opstookt," dacht
mevrouw Van Vaerne, "wie zou gezegd hebben, dat zoo'n oude slang
zulk een invloed op dat, kind uitoefende."
"Zij begrijpt," meende Verheide vol zelfvoldoening, "dat
mevrouw Verheide, niet meer zoo als juffrouw Van Vaerne, geen andere
meester zal hebben dan haar eigen willetje."
Grootpapa alleen zag haar bezorgd na.
"Mijn meisje is heel veranderd," zeide hij zuchtend.
"Ten goede," beaamde zijn vrouw.
"Dat vind ik niet! Ik had haar lief zooals zij vroeger was. Zou
ze verdriet hebben, zou zij tegen het huwelijk opzien?"
"Wat 'n idee! Geen beter man is voor haar te vinden, dan Verheide.
Hij heeft zijn huis keurig in orde en wat een deftige equipage krijgt
zij."
Dat Fernand indruk gemaakt had op haar geest, kwam bij
[120:]
geen van beiden
op;Théo had de hulde van zoovele knappe, geestige mannen afgewezen,
dat zij niet vermoeden konden, dat dit jonge mensch gelukkiger geweest
was dan al die anderen.
's Avonds, een paar dagen voor den tot ondertrouw bestemden dag, kwam
zij van de gewone receptie in hare kamer terug, bleek, vermoeid en mat;
men had over niets anders gesproken dan over de toebereidselen tot het
feest, dat in de bruidsdagen zou gegeven worden; over het diné,
het bal, het vuurwerk, de
toiletten, en zij zat er bij, stil, met neergeslagen oogen, als ging
dat alles haar niet aan, als ware zij niet bestemd, de hoofdpersoon
van alles te worden.
Met al deze gesprekken in hun onbeduidenden eigenwaan nog in de ooren,
naderde Théo haar geopend raam en staarde naar buiten in de plechtige
stilte van den tropisch en nacht.
Geen blad ritselde aan het geboomte, geen geluid drong tot haar door
daar boven in hun onbereikbare hoogten, vervolgden de sterrenbeelden
hun loop, statig, onmerkbaar haast, in de sedert eeuwen hun bepaalde
banen.
Eenigen flonkerden zacht en liefelijk als oogen eener moeder of vriendin,
anderen weer blikten star en koud als schitterende diamanten op het
meisje, dat naar hen opzag, als verwachtte zij van hen een antwoord
op de vragen van haar onrustig hart.
Wat schenen al die berekeningen, die plannen, die met zooveel ingenomenheid
uitgesprokene, banale oordeelvellingen Théo nu nog kleiner, nog
nietiger toe dan zooeven, maar toch, als een uit duizenden fijne mazen
geweven net, omgaven ze nog haar wil en handelingen en hielden haar
terug van den weg,
dien zij inslaan moest en wilde. Zou zij zich daaraan onttrekken, of
wel zich schikken in baar bestemming?
Zij drukte haar handen op dat snel kloppende, onstuimige hart, en ondervroeg
weer de sterren, want zij wilde zoo gaarne vergeten, wat haar gouvernantes
haar hadden geleerd, over die millioenen lichtjes daar boven, om te
gelooven, wat zij als kind uitgevonden had.
't Waren allen openingen, venstertjes in den hemel, waaruit haar Schepper
nederzag op de aarde. Zou een vaderhart daarboven voor haar kloppen,
zou zijn blik rusten op haar, die eenzaam haar strijd streed, mocht
zij Hem om raad vragen, zij, die geen vriend naast zich had?
En zacht gleed zij voor bet raam op haar knieën en boog diep het
hoofd, terwijl haar lippen de bede murmelden, die uit de diepten van
haar gemoed opwelde:
"O, mijn God, niemand heeft mij geleerd U te kennen, U te beminnen,
maar ik ben toch uw kind; ik heb ook recht op uw liefde. Zeg mij wat
ik doen moet! Laat uw stem klinken in mijn geest!"
Nog eenigen tijd bleef zij zoo liggen, de trotsche gestalte die, niet
te buigen scheen, en 't was of alles nog stiller, nog plechtiger
[121:]
werd om haar niet
te storen in haar strijd; wilde zij zelfs door een gedachte de eenzaamheid
rondom haar niet verbreken?
Toen stond zij op; grootvader zou gezegd hebben: "'t Is weer mijn
oude Théo!" zoo veerkrachtig was haar stap, zoo energiek
de beweging, waarmede zij de lamp ontstak en op haar schrijftafel plaatste.
Haar hand beefde niet; in één pennestreek schreef zij
de volgende regels:
"Waarde George! Voor 't laatst noem ik u zoo; het zal u misschien
niet aangenaam zijn, omdat de zaken zoo ver gevorderd zijn, maar beter
nu iets onaangenaams, dan levenslang een rampzalig lot. Ik neem mijn
woord terug vóór het te laat is en geef u het uwe weer,
want ik voel, dat de eed, dien ik zal moeten zweren om u te beminnen,
u te gehoorzamen. Een
meineed zal worden; ik zal u diep ongelukkig maken en dat verdient ge
niet. Ik heb een treurige ziekte, die gij de macht niet zult hebben
te genezen: ik kan niet tevreden zijn met een gewoon huiselijk leven;
mijn geest haakt naar aandoeningen, naar schokken, en de kalme, geregelde
levenswijze aan uw zijde zou ik op den duur niet kunnen verdragen; ik
zou haken naar verandering; ik zou mij als een gevangene beschouwen
en wie weet welke dwaze daad ik dan verrichten? O, die u het oogenblik
zou doen verwenschen, waarop ik u mijn hand gaf.
Dat wil ik niet, ik acht u daarvoor te veel, maar ik kan er niets aan
doen; mijn karakter is zeer slecht en men heeft mij niet geleerd het
te verbeteren. Nu ben ik er te oud voor; ik kan mij niet veranderen;
't is waar dat ik wat laat tot dit inzicht kom, maar dient het engagement
er niet juist toe om elkander beter te leeren kennen?
Ik zweer u, dat deze reden de eenige is, waarom ik u verzoek alles tusschen
ons als geëindigd te beschouwen. Gij kunt gemakkelijk vele meisjes
vinden, beter dan ik geschikt u gelukkig te maken.
Alle verantwoordelijkheid van dezen stap neem ik op mij. Zeg aan ieder,
dat gij mij hebt bedankt omdat ik te excentriek ben; ik zal het niet
tegenspreken en zal morgen alles met mijn grootmama afhandelen; uwe
cadeaux en brieven liggen ter uwer beschikking en geloof mij steeds,
Uw toegenegen vriendin,
Theodore.
"Goddank!"
zij sloot met een zucht van verlichting den brief in een enveloppe,
schreef er het adres op, kleedde zich uit en sliep dien nacht beter
dan zij het in lang gedaan had.
Den volgenden morgen wandelde zij in den tuin tusschen de rozenstruiken,
die voor en naast het hoofdgebouw op ruime bedden stonden; en maakte
een grooten ruiker van de bloemen, welke zij voorzichtig met haar zakmesje
afsneed.
[122:]
Van Vaerne kwam
op de galerij staan, leunde zijn sigaar rookende, over de balustrade
en riep haar toe:
"Wel, meisje, al zoo vroeg tusschen de bloemen, dat voorspelt een
gelukkigen dag. Hoe heb je geslapen?"
"Heerlijk, grootpa," en zij ging de trappen op naar hem toe;
hij zag haar oogen glinsteren als gewoonlijk, terwijl zij hem teeder
omhelsde.
"Wel, dat doet me genoegen! Je ziet er zoo frisch uit als de rozen,
die je in de hand hebt! Spoedig dan zult ge ook zoo'n geplukte roos
zijn, maar laten we hopen dat je langer je schoonheid en jeugd zult
behouden dan die bloemen."
"Grootpa, wat zal u het stil hebben als ik niet meer in huis ben!"
"O, spreek er niet van, kind! Ik mag er niet aan denken; als mama
nu maar zoo wijs was om..."
"Dat zal ze niet licht doen, papa, dat begrijpt u wel; het huis,
wordt te groot voor u beiden."
"Maak me niet treurig, Théo, ik heb al mijn moed noodig
om die scheiding te dragen; wat heb ik me toch aan jou gewend. Onze
Marie was pas getrouwd en ik kon me nog niet goed wennen aan die eenzaamheid,
toen onverwacht die goede baboe aankwam met de eenige erfenis van mijn
besten Albert in de armen. Je waart nog zoo klein en lastig, maar ach!
wat hebt ge in 't hart van den ouden grootvader langzamerhand een voorname
plaats veroverd! En je nu afstaan! Gelukkig dat ge te Batavia blijft
en..."
"Maar dit is hetzelfde niet, pa, u kan veel bij mij komen en ik
bij u, maar dat blijven visites en visites zijn zoo stijf."
"Dan komt je eens een heelen dag over!"
"En het huishouden dan en als Verheide eens ongenoegen kreeg met
mama."
"Wil je mij den slag nog zwaarder maken?"
"Laat ons wat in de laan wandelen, daar zijn we vrijer."
De laan bestond uit een zeer lommerrijk berceau door aan weerszijden
geplante kemoening-boomen gevormd.
"Ik zal het u ronduit zeggen, grootpa," zei Théo luchtig,
"ik heb Verheide bedankt."
"Wanneer, nu pas maar, kind! Wat zal mama zeggen, wat zal zij dat
kwalijk nemen!"
"Ja, dat geloof ik ook, grootpapa, maar ik kan er niets aan doen,
ik kan mij zelf toch niet ongelukkig maken uit vrees van grootmama te
bedroeven."
"Maar is er dan iets gebeurd?"
"Ik ben tot de overtuiging gekomen, dat ik niet geschikt ben voor
het huwelijk, ik kan geen juk dragen; reeds lang heb ik 't ingezien,
maar ik zag er tegen op een engagement te verbreken dat reeds zoo ver
gevorderd was. En nu blijf ik bij u, altijd, altijd, grootpa!"
"Kom je niet ontbijten?" riep grootmama uit de achtergalerij.
[123:]
"Weet ze het
al?"
"Nog niet! Neemt u mijn partij op, papaatje?"
"Maar, kindlief! dat zal haar nog driftiger maken, ik zal je ongelijk
geven, dat is het beste."
"Zooals u wil, ik kan wel alleen de gevolgen dragen van mijn daad."
Aan het ontbijt sprak men eerst over onverschillige dingen, toen vroeg
mevrouw op eens:
"Waar is Ali toch?"
"Ik heb hem uitgezonden, grootmama."
"Toch niet naar Verheide?"
"Juist, hij brengt een briefje van mij."
De oude heer sneed zijn boterham in de kleinste stukjes.
"Goddank, dat al het heen en weer loop en spoedig een einde neemt,
men kan niets meer van de jongens gedaan krijgen. We moeten van morgen
absoluut naar de bazar gaan, Théo, voor je bruidskrans: die anderen
bevallen mij niet. Er is ook een brief van tante Marie, die gaarne den
juisten dag zou willen weten van het bal. Haar man komt stellig en Suzette
ook. Wat dunkt je, papa, als we het stelden op Zondag over acht dagen?"
Van Vaerne dronk zulk een grooten teug gloeiende thee, dat hij er een
hevige hoestbui van kreeg en dus niet antwoorden kon.
Théo legde haar hand op die van mevrouw:
"Ik zou nog niets antwoorden, groootma! Nog een oogenblik, ik verwacht
een brief van Verheide, waarin hij mij mijn woord teruggeeft."
"Anne, beste Anne!" riep Van Vaerne, "schrik zoo niet:
Théo, een glas water. O God, zij krijgt een toeval!"
Maar de verslagenheid duurde niet lang.
"Dat was kinderpraat, een dolle streek, gekheid, dat meende Théo
niet, het huwelijk was zoo ver gedreven, nu zou ze trouwen of ze wilde
of niet; zoo'n gekke streek had zij nog nooit begaan en hoe papa dat
vond?"
Papa schudde slechts met zijn hoofd en zag Théo verwijtend aan.
"Maar hij was ook van 't complot, daarom hadden ze zoo lang samen
gewandeld; zij was een ongelukkige, bedrogene vrouwe, Théo handelde
weer haar afkomstig waardig; 't was een streek, een nonna, een herbergierskind
waardig. Verheide zou echter wijzer zijn. . . ."
En zoo ging ze voort haar toorn uit te storten. Théo hoorde het
geduldig aan, maar toen mevrouw Van Vaerne begon haar moeder in den
strijd te mengen, en deze woorden toe te voegen, welke men zonder blozen
niet kon aanhooren, stond zij op en ging naar haar kamer.
Van Vaerne bleef zijn eitjes opeten, telkens zorgende dat zijn mond
te vol was om niet in de verleiding te komen op de verwijtingen zijner
wederhelft te antwoorden.
Théo opende haar bureau en haalde er haar correspondentie
[124:]
uit: de weinige
briefjes, van Verheide ontvangen, legde zij apart; toen nam zij een
ander bundeltje, dat waren haar moeders brieven. Zij had ze altijd zoo
koud en stijf gevonden, maar nog nooit dacht ze er aan, dat ook zij
schuld had, dat zij altijd haar brieven zoo inkleedde als schreef zij
aan een wildvreemde. Altijd had die gedachte "verkocht door mijn
moeder" als een pijl in haar hart gezeten, Nu vroeg zij zich af:
"Wie weet of mama niet meende... dat zij een daad van opoffering
pleegde, door mij niet aan zulk een treurig leven bloot te stellen,
als haar andere kinderen. Maar waarom is zij hertrouwd, waarom niet
met mij samen maar alléén lief en leed gedragen?"
Zij vouwde den laatsten brief open:
"Lief kind!" zoo schreef de moeder, "God schenke u al
het geluk, dat ik mij voorspiegelde toen ik uw vader mijn hand gaf.
't Is wel hard voor mij, niet bij u te kunnen zijn om u den bruidskrans
op te zetten, maar, beste Theodore, op den dag van uw huwelijk zullen
uw zusters en ik niet verzuimen Gods zegen over u beiden af te roepen."
Ook Nora schreef lief en eenvoudig, zooals zij het werkelijk was.
Théo zag rond of niemand haar zag, daarna vlug en ter sluiks
als beging zij een misdaad, drukte zij die brieven aan haar lippen,
verborg ze weer en wilde schrijven, doch juist kwam iemand binnen.
"Is Ali terug?" vroeg zij zonder om te zien.
"Neen, kind, ik ben 't," sprak de bezorgde stem van haar grootvader,
"och, Théo, wat heb je dat dom aangelegd. Waarom mij niet
opgedragen, Verheide op dien slag voor te bereiden, het zal hem zoo
rauw op 't lijf vallen."
"Och papa, maak u niet ongerust. Het zal Verheide zooveel verdriet
niet doen; het zal hem een uitkomst zijn, want, geloof me, hij maakt
reeds sedert eenigen tijd vergelijkingen tusschen de zuster van Adèle
de Reimer en mij, die juist niet in mijn voordeel uitvallen. Zijn eer
is gered, want ik heb hem vrijheid gegeven, iedereen te zeggen, dat
hij 't is, die mij bedankt heeft om mijn excentriciteit."
"Maar, kind! wat geeft dat een schandaal! Mijn God! wat overkomt
ons toch!"
"Grootpapa! lieve grootpapa, troost u toch! Ik blijf bij u en hoe
meer over alles gepraat wordt, hoe eerder grootmama er toe besluit Batavia
te verlaten."
"t Is een treurig geval, 't spijt me verschrikkelijk!"
De Van Vaerne's hadden weinig tegenspoed gekend, ze begrepen niet hoe
de menschen altijd van een treurige wereld konden spreken, hun had die
wereld niets dan geluk aangebracht, soms een paar wolken, maar die dreven
schielijk voorbij. Drie slagen hadden hen zwaar getroffen: de eerste
was een teleurstelling, de benoeming van hun knappen Albert op de buitenbezittingen
door een gouverneur-generaal, die Van Vaerne slecht gezind was; de tweede
[125:]
was een ergernis
en zelfs een verdriet: Albert's onberaden huwelijk; de derde was- werkelijk
een ramp, zijn dood.
Geen wonder dat mevrouw Van Vaerne door Théo's gezicht telkens
aan die driedubbele bezoeking herinnerd werd, en dus nooit groote sympathie
voor deze kleindochter voelde.
Ons hart gelijkt een wierookvat, de wierookkorrels liggen er wel in,
maar er stijgen geen geurige wolken uit, want de wierook brandt niet,
zoo niet van boven de gloeiende kolen van het lijden er in vallen; dan
eerst ontwikkelen zich de welriekende dampen. De wierookkorrels bij
de Van Vaernes, waren haast tot asch vergaan en zoo er nu een vonk tusschen
viel, zou deze weldra door gebrek aan brandstof uitgedoofd worden.
Nauwelijks was Jan Vaerne heengegaan, of Théo schreef voort:
"Dierbare Alwine! Ik ben vrij, vrij als een vogeltje door geen
kooi meer bedreigd; ik heb den moed gehad, mijn engagement te verbreken;
ik zag er tegen op, grootvader, grootmoeder, Verheide, allen zoo te
moeten teleurstellen, en laat mij u bekennen dien machtigen koning Men
zoo publiek te trotseeren, daar was moed toe noodig, maar ik heb het
gedaan.
"Ik beminde Verheide volstrekt niet, hij verveelde me hoe langer
hoe meer, hij heeft veel verstand van bureauzaken, hij is ordelijk,
netjes, beschaafd, maar ach! Wat zou ik een plantenleven naast hem leiden!
Maar, zult ge zeggen, met onverbiddelijke logica, waarom hem je woord
gegeven?
"Dan buig ik me neer en zeg: daarin heb ik misdreven; het zal mij
steeds een wroeging zijn, dat ik hem zoo bedrogen heb, maar nu moest
ik terugtreden, ik ben zeker dat die man na eenige maanden mij doodelijk
vervelen, waarom zal ik het niet zeggen, walgen zal.
"Toen ik hem mijn jawoord gaf, was ik moe van het leven dat ik
jaren lang voerde, ik haakte naar verandering; ik dacht: Of ik me verveel
als juffrouw Van Vaerne of als mevrouw Verheide, zal zoo wat op 't zelfde
neerkomen. Maar de eenzaamheid naast u, de dood van baboe vooral, de
nadering van den schrikkelijken dag, deden mij anders denken; toen zag
ik alles in een ander licht. Waarom het niet bekend? Ik maakte kennis
met een jongen idealist, die dweept zelfs met de smart, en ik vond dat
ik het recht niet had, mijn leven vrijwillig onder een domper te plaatsen,
afstand te doen van al het schoone, het goede, dat zeker nog in deze
wereld bestaat. Dit is alles wat hij mij geleerd heeft. Men zal misschien
zeggen, dat ik geboeid geworden ben door dien jongen, maar Men is een
wijsneuzig, dom, wreed persoontje, om wien ik niets geef.
"Van Leeuwenburgh is zeer aangenaam in de conversatie, doch evenmin
aan hem als aan een ander zou ik het recht willen toekennen, mijn heer
en mijn meester te zijn. Dat is de waarheid, Alwine, die ge weten moet
om mij billijk te kunnen beoordeelen. Mevrouw Molvink, die u deze regelen
zal voorlezen, heeft er ook
[126:]
recht op.Voor de
wereld ben ik overigens bedankt door Verheide.
"O, wat heb ik in deze dagen verlangd, naast uw stoel te zitten,
uw raad te hooren..."
Daar stormde mevrouw binnen:
"Hier is een brief voor je en nu verwacht ik, dat je mij die gekheid
uitlegt."
"Grootmama," sprak Théo ferm doch eerbiedig, "ik
moet vergeving vragen voor mijn handelwijze, maar, geloof me, ik kon
niet anders handelen, ik mag niet meineedig worden."
"Nu, leg me de zaak uit. Zeg me de waarheid, ben je niet verliefd
op dien jongen, den zoon van Antoinette?"
Théo reikte haar den pas geschreven brief over.
"Lees, grootmama! Deze brief zal u wijzer maken dan al mijn woorden."
En zij brak de enveloppe van Verheide's schrijven open.
Het waren slechts deze regelen:
"Met alle genoegen geef ik u dat woord terug; het spijt me dat
niet sinds lang gedaan te hebhen uit eigen beweging, want ik zag er
tegen op, mijn leven lang aan zulk een grillig schepsel verbonden te
zijn. Ge kunt uw geschenken en brieven laten halen en ik zal zooals
gij het verlangt, overal vertellen dat ik u bedankt heb."
"Hoe fijn!" zeide zij met een spotlach, "de toorn is
als een hevige wind, die alle onrein heden, welke op den bodem van het
gemoed liggen, omhoog jaagt. Daar, grootmama, lees! Had ik geen gelijk
om een einde aan alles te maken vóór het te laat was?"
Mevrouw Van Vaerne, die in haar opgewondenheid moeite had uit Théo's
brief wijs te worden, greep vol vuur den andere aan:
"Verdiend loon!" riep ze uit toen ze half geëindigd had,
maar toen ze aan den voet gekomen was: "dat zal hij niet durven,dat
zullen we hem anders zeggen; dat komt er nog bij."
"Grootmama," zeide Théo met neergeslagen oogen, "ook
dat moet ik dragen. Ik heb hem het recht gegeven, dat te zeggen maar
't is ook billijk, na zoovelen te hebben bedankt, mocht ik ook wel eens
la loi du talion ondervinden."
"Zwijg!" Zij wierp haar de brieven in het gezicht en met een
vuur, dat men in zulk een bejaarde dame niet zou kunnen verwachten,
vloog zij de kamer uit, iemand zoekende, bij wie zij haar hart kon uitstorten.