[98:] V.
's Avonds nadat
het schot van acht uur als bij tooverslag alle horloges uit de vestjeszakken
had doen halen, wachtten de Van Vaernes hunne gasten; mevrouw ging haar
laatste toilet maken, mijnheer zette zich bij een der tafels neer, om
de Java-bode te lezen en Theodore wandelde met Verheide, die was blijven
dineeren,onder de buitenste veranda op en neder.
Hun gesprek was niet druk maar vooral niet intiem; 't verkeerde juist
in den kwijnenden toestand, waarvoor men in Holland nog een uitstekend
redmiddel heeft, namelijk een weerpraatje, maar op Java faalt deze stof,
en dus moest een van beiden een ander onderwerp uitdenken.
Verheide bleef staan voor een bloempot op een hoogen piedestal, waarin
een sierlijke aloë groeide.
"Dat is toch een fameus mooie plant," zeide hij.
"Vin je? Ik mag zulke planten niet, die geen bloemen dragen."
"De mijne is zoo mooi niet."
"Later, als we een jaar of dertig verder zijn, zal die ook wel
zoo groot zijn als deze."
"Ik heb commissie gegeven, op de vendutie bij den majoor Sprenkels
de partij bloempotten te koopen. Heb je ze gezien?"
"Neen, ik ben niet op den kijkdag geweest."
"'t Waren heele nette. We kunnen ze dan voor het hek plaatsen."
"Ik zie dat niet graag, bloempotten hooren in den tuin, ergens
anders staan ze ordinair."
"Nu, dat zal ook wel gaan; heb je reeds gedacht aan een bonheur
du jour?"
"Laat er een in de stad maken. Ik houd er niet van alle venduties
rond te gaan en aan ieder te toonen, dat ik bezig ben meubels te koopen
om mijn huishouden in te richten."
"Wil je dan met grootmama eens naar de stad rijden om er voor te
zorgen?"
"Och, George, je weet, dat ik weinig om die dingen geef, zorg er
zelf voor! 't Voornaamste is dat we zoo 'n ding gebruiken kunnen."
Er rolde een rijtuig over den eenzamen weg van Salemba en spoedig zag
men in de laan twee vurige oogen nader komen. De bezoekers volgden elkander
snel op; werkelijk bevond zich onder hen Van Leeuwenburgh met zijn gastheer
en diens vrouw. Na de eerste gesprekken om de theetafel, waar, volgens
Hollandsche gewoonte, mevrouw presideerde, begon Van Vaerne te vragen,
of men nu een kaartje zou leggen; een spel was compleet en om 't andere
voltallig te maken mankeerde er juist één.
"Verheide zal wel liever bij zijn meisje zitten," sprak mijnheer
plagend.
[99:]
"Dat spreekt,"
zei er een.
"Om mij behoef je het niet te laten, George!" verzekerde Theodore
bereidwillig.
"Nu, als je het me niet kwalijk neemt!"
"Volstrekt niet!"
De heeren trokken zich in de binnengalerij terug, die door een open
zijde toegang had tot de veranda. De kring was dus veel kleiner geworden.
Fernand zat tusschen mevrouw Van Vaerne en mevrouw De Reimer; Theodore
sprak met een jong meisje van hare jaren, doch scheen zich niet erg
te amuseeren, want telkens bracht zij haar waaier aan den mond, om een
kleine geeuw te verbergen.
Mevrouw Van Vaerne liet haar jongen gast goed praten; geen woord, dat
hij zeide, ontglipte Théo's aandacht, ofschoon zij hem niet scheen
op te merken; steelsgewijze zag grootmoeder haar aan, doch geen enkelen
keer betrapte ze haar op een blik naar Fernand.
De oude dame zag er waarlijk imposant uit; zij was groot en zeer gezet;
haar zwarte zijden japon beantwoordde wel niet aan de eischen der mode,
maar was toch zeer kostbaar, deftig en rijk; haar grijs haar vormde
door nog dikke vlechten achter haar hoofd een groote kondé, maar
zij droeg nu een soort van zwart tullen muts er overheen, met lange
slippen, waarmede zij zeer elegant spelen kon. Er was iets in haar,
dar Fernand boeide, want zij deed hem denken aan zijn mama evenals Theodore
aan Keesje Vlug.
Zij was zeker reeds veel wijzer geworden door haar diplomatieke vragen
aan Fernand, toen zij haar kleindochter toeriep:
"Maar, Théo, ga toch wat muziek maken; dat kind is zoo stil
omdat Verheide aan het spelen is; je hebt het zelf gewild, maar aangezien
er geen dames van mijn leeftijd hier zijn, zal ik wel zijn plaats innemen.
Je weet, oude vrouwen als ik houden van een kaartje, en de dames zullen
liever met mijn kleindochter naar de pianokamer gaan, dan zich hier
vervelen. U speelt zeker ook piano, mijnheer Van Leeuwenburgh?"
"Onbeduidend weinig, mevrouw."
"Welnu, er zijn talenten onder de dames; Théo speelt genoeg
op één dag om 't goed te kennen. Nu, Verheide, ga uw meisje
maar troosten."
Theodore kon zulke toespelingen niet verdragen op haar verhouding tot
George; zij kleurde en beet zich driftig op de lippen, maar haar stem
klonk niet anders dan gewoonlijk, toen zij de dames uitnoodigde haar
naar de pianokamer te volgen.
Mevrouw Van Vaerne loste Verheide af, en hij voegde zich bij 't gezelschap,
dat om de piano stond; Fernand sprak juist met Theodore.
"U doet veel aan de muziek, juffrouw?"
"Veel wel, maar of dat vele goed is, weet ik niet; maar u dan?"
"Och, ik heb daar zooveel tijd niet aan besteed."
[100:]
"Zijn talent
is een geheel ander," sprak De Reimer, "hij is dichter."
"Zoo," zei Theodore en zag hem bewonderend aan, "dat
is wat bijzonders; musici vindt men in menigte, maar een dichter heb
ik nog nooit gezien. Improviseert u ook?"
"Laat mij ronduit zeggen, neen, juffrouw."
"En is dat werkelijk de waarheid?"
"Misschien niet geheel, maar toch zoo goed als geheel. Ik geloof
dat het mij onmogelijk zou zijn, van avond iets te improviseeren."
"U is niet slim, mijnheer Van Leeuwenburgh, alles wat u ons voordragen
wil, is voor ons geheel nieuw, dus geïmproviseerd, waarom dan de
illusie verstoord?"
Theodore was een geboren tooneelspeelster, met evenveel gemak kon zij
zich vertoonen als een trotsche koningin, als een schalksche page, een
fiere amazone, een gracieuse coquette, of een argeloos, naïef meisje
en zoo kwam het dan ook, dat er zoovele uiteenloopende meeningen over
haar bestonden, die geen van allen onwaar schenen, en toch zeer ver
van de waarheid bleven.
"U zou mij een onderwerp kunnen opgeven, waaraan ik nog nooit heb
gedacht."
"Ach, wat zou dat voor een onderwerp zijn? Zoo ver en zoo diep
gaat een onzer gedachten niet, dat ze buiten uw bereik zou liggen. Vindt
ge niet, Adèle, dat wij mijnheer op de proef moesten stellen."
"Neen" riep Fernand, "die proef zal ik niet doorstaan."
"Och, we zullen niet exigent zijn, Wat zullen we kiezen? Verheide
help me, als 't u belieft."
"Den dood."
"O foei, neen, maak van dit salon geen kerkhof. Mijnheer De Reimer,
uw naam maakt u geparenteerd aan een dichter, vindt u niets beters?"
"Een mailreis."
"Adèle?"
"Een hondje."
"Hebt ge niets, Suze?"
"Ik weet niet!"
Suze was een donker meisje met een paar groote, domme oogen, een breed
en mond, dien zij onophoudelijk achter haar waaier verborg, en in een
zeer opzichtig toilet gekleed.
Theodore haalde de schouders op, zoodat haar zwarte allongepruik er
van trilde.
"Poëzie is geen bloem, die ontluiken wil in een Indisch gezelschap,
dat om de piano zit. Ik dank u voor uw goeden wil, mijnheer Van Leeuwenburgh,
maar u ziet het zelf, ça ne vaut pas la peine, ik ben zelf te
dom om van uw improvisatie te genieten. Een naamgenoot van mijnheer
De Reimer zou misschien meer succes kunnen hebben. Heeft het gezelschap
lust tot dansen?"
[101:]
De flauwe oogen
van Suze glansden, mevrouw De Reimer schudde vermoeid het hoofd, de
anderen schenen er ook niet veel pleizier in te hebben. Theodore's vlugge
vingers speelden de wals uit de "Faust". Verheide hield 't
blad muziek in de hand, maar daar zij uit het hoofd. speelde, had bij
geen gelegenheid het om te slaan. Theodore speelde de eene wals na de
andere, toen werden de melodieën onduidelijker en smolten in een
schitterende fantasie samen; dadelijk echter klonken tusschen de zachte,
liefelijke tonen, die zij met de rechterhand aan het instrument ontlokte,
een paar ruwe accoorden van de bas, die als een grove draad door een
fijn en kostbaar weefsel liepen.
Fernand was de eenige, die ademloos haar spel volgde; de anderen fluisterden
onder elkander en Verheide was stil gedeserteerd naar het quadrilletafeltje,
waar zijn aanstaande schoonmoeder, die voor hem speelde, juist een prachtige
misère impériale had verknoeid.
Theodore brak plotseling af en de gesprekken hielden ook op, behalve
aan het speeltafeltje, waar men luid redeneerde over den dommen zet
der gastvrouw, die haar ongelijk niet erkennen wilde.
"Bravo!" riep men en Fernand vroeg haar:
"Zou u mij dat opgegeven hebben voor een improvisatie?"
Zij glimlachte en knikte van ja.
"Weet u ook den naam?"
"De eeuwige disharmonie der wereld, de strijd tusschen ideaal en
werkelijkheid, maar u hebt het einde vergeten: hun verzoening!"
"Dat kan ik niet, ik laat het aan u over! Mag ik u verzoeken, daaraan
uw kracht te beproeven, niet hier, neen 't was onbedacht en dom van
mij, om hier van improvisaties te spreken, maar op het papier, als u
tijd en lust er toe hebt."
"Ik zal 't beproeven, maar woorden drukken niet zooveel uit als
tonen."
"Woorden putten de ziel uit, en tonen zweven rond als de geur,
die uit een bloemkelk stijgt, zij ontnemen de bloem niets van haar schoonheid
of haar kracht. Ik heb 't dikwijls gedacht, maar aan wie zou ik 't vragen.
Me dunkt dat dichters zooveel niet voelen als anderen, die het vermogen
niet hebben uit te drukken wat in hun hart omgaat. Gelooft u dit ook,
voelt u niet dat door elken vorm, dien u uw gedachten geeft, uw schat
in u verminderd wordt?"
"Misschien wel, maar ik ben nog zoo jong, wat ik van 't leven gezien
heb is nog weinig; 't is er slechts de lichtzijde van; de schaduw heeft
duizenden schakeeringen, terwijl het licht slechts een tint kent; mij
is het nog slechts gegeven uit te drukken wat anderen hiervan voelden,
want mijn eigen gedachtenwereld is nog te zonnig, te helder."
"Dan is u wel gelukkig; er zijn van die naturen, heb ik
[102:]
wel eens gelezen,
die alles meer en dieper voelen, smart en vreugde, die meer en toch
ook minder genieten, maar in hun smart zelf nog gelukkig zijn, want
beider grenzen loopen in elkander; nu, moet u toch verlangen naar het
oogenblik, dunkt mij, waarin gij eindelijk eens iets zult zien van de
andere zijde van het leven?"
"Neen, O neen; een smart is er, die ik soms in mijn verbeelding
gevoel, even heftig, even diep, als bestond zij werkelijk, misschien
ook nog zwaarder, maar ik schrik er voor terug, ik duizel van angst,
als ik in dien afgrond zie."
"Ik ben dwaas er aan te denken," ging Fernand glimlachend
voort, "de smart waarvan ik spreek, is de dood mijner moeder; zij
is jong, sterk en gezond, maar toch, ik hoor nooit van een sterfgeval
spreken zonder dat ik denk: "Heden hij, morgen zij." Zonderling,
u heeft het gezegd: 't is of sommige menschen door hun gevoel eens zooveel
moeten ondervinden en denken dan anderen."
"Ja de verbeelding vermeerdert hun werkelijke gevoelens van smart
en vreugde; zij lijden niet alleen door het tegenwoordige, maar ook
door het verledene en de toekomst; 't zijn domme, onpraktische menschen
en toch ben ik zeker, dat... geen hunner die eigenaardigheid van hun
gemoedsleven zou willen ruilen, tegen dat kalme slakkengeluk van...
ja, wien ge wilt."
Zij bleef onder dit gesprek op het tabouret gezeten, met de eene hand
over de toetsen glijdend, terwijl de andere met de kanten van haar fichu
speelde. Fernand leunde op de piano en vond het hoogst interessant,
zulke vertrouwelijke dingen te kunnen aanroeren met die trotsche dochter
des huizes.
Nu stond zij op, altijd met de vorstinnenhouding, die haar zoo goed
stond, en vroeg de andere dames om ook wat te spelen. Verheide trad
nader en een bediende bracht ververschingen rond.
Fernand voegde zich bij de heeren en nadat de quadrillepartijtjes ten
einde waren, namen de gasten afscheid.
De Reimer plaagde Fernand, toen ze met hun drieën in het rijtuig
zaten, maar zijn vrouw, die Theodore een excentriek, dwaas meisje vond,
vermaande hem, zeggende dat die plagerij haar zeer ongepast voorkwam.
De volgende week immers zouden Verheide en zij in ondertrouw worden
opgenomen. Dat woord
gaf Fernand een onaangenaam prikje.
"'t Is toch jammer van het meisje," zeide hij, "me dunkt,
dat zij niets met haar aanstaande sympathiseert."
"Met u zou zij dat beter doen, niet waar?"
"Zwijg toch, man," sprak zijn vrouw, "Verheide is juist
iemand, die voor Theodore past; hij zal haar stil haar wil laten doen,
haar prachtige equipages, diamanten en fijne toiletten geven; dat is
haar genoeg; als ze daarenboven naar hartelust kan pianospelen en paardrijden.
Een hart heeft zij toch niet."
Ondertusschen stond Theodore in vol toilet voor haar spiegel
[103:]
en legde haar bijouterieën
nadenkend één voor één neder, toen vlocht
zij heur haar en bleef nog even gedachteloos of wel diep in gedachten
staan.
"O foei," sprak zij halfluid, "wat ben ik toch veroordeeld
mij te vervelen, mijn leven lang met iemand als Verheide. Jaren lang
opstaan, aankleeden, niets doen, ben ik daarvoor in de wereld? En toch.
ik geloof, dat ik anders ben dan vele meisjes; ach! wat hebben ze toch
van mij gemaakt? Was Alwine mijn gouvernante geweest in plaats van de
acht, aan wie ik mijn domheid en ongeluk te danken heb; wat zou ik een
ander mensch geworden zijn, en nu... ik moet mijn lot dragen; mijn weg
is afgebakend. Die Van Leeuwenburgh is amusanter dan ik gedacht had,
maar waar is baboe?"
Baboe sliep anders altijd op een matje voor nonna's bed, maar van avond
was zij niet te zien.