VI.
Den volgenden morgen,
toen Theodore uit de badkamer kwam, vroeg zij aan den eersten bediende,
dien zij tegenkwam:
"Mana (waar is) baboe?"
"Baboe sakiet (is ziek)"' antwoordde hij.
"Ziek, en ik weet er niets van."
Snel ging zij het erf over, naar de bijgebouwen, die door twee groote
waringinboomen zoo bedekt waren, dat men ze niet het hoofdgebouw niet
zien kon, een aangename omstandigheid want de rij kamers, waarin eenige
Javaansche huishoudens gevestigd waren, bood geen zeer verkwikkelijk
gezicht. Mevrouw Van Vaerne zorgde er voor of liet wel zorgen, dat alles
zoo netjes mogelijk in orde was, maar toch hingen er verscheidene kleedingstukken
over touwen te drogen en speelden kleine kinderen in het zand, alles
behalve zindelijk gekleed; op de baleh- balehs, onder het afdak, stonden
allerlei potten en pannen; lekken, door sirih-kauwsel veroorzaakt, lagen
op de witte muren of den steen en vloer.
Theodore boog zich, om onder de drogende kleeren te kunnen passeeren
en trad een der kamers binnen; deze zag er netter uit dan de andere.
Baboe was zeer ordelijk op hare zaken en woonde alleen.
Daar stond in een hoek de baleh-baleh door het gewone matje bedekt;
zij had een soort van gordijn er om heen gemaakt gegarneerd met veelkleurige
franje, misschien van Theodore's afgedragene japonnen afkomstig; daar
dicht bij zag men de fraaie groote sirih-doos, een cadeau nog van "nonna
Ida", verder een ander kastje, dat zij van Théo had gekregen,
een spiegeltje, een
[104:]
paar bonte prenten
aan den muur en eenige spijkers, waaraan haar kleeren hingen.
Théo ging naar de baleh-baleh; in een hoekje lag baboe zoo ineengedrongen
als een kluwen zwart garen, maar toch kon men zien, dat zij over haar
heele lichaam rilde en hooren dat zij zacht kreunde.
"Baboe," zeide Théo zacht en zette zich op de baleh-baleh
neer.
De zieke keerde zich om, een glimlach vertrok haar dorre lippen en zij
antwoordde:
"Nonna, baboe sakit."
"En wat scheelt je dan, baboe?"
"Ik weet het niet, nonna, maar ik geloof dat ik ga sterven."
"Baboe, je bent nooit ziek geweest, en nu neem je het te zwaar
op. Ik zal den dokter roepen."
"Neen, dat hoeft niet, de doekon [Javaansche dokter] is hier geweest
en heeft
mij medicijn gegeven."
"Maar dat zal niet helpen, baboe. Je klappertandt van de kou, goeie
mensch, en heb je geen deken?"
En haar fijne, blanke handen betastten de breede, vereelte voeten der
oude vrouw.
"Hoe ijskoud! Ik zal je iets warms brengen, een slokje brandewijn
en een wollen deken." Zij vloog naar binnen en kwam dadelijk weer
terug met een dikken doek en een dunne deken beladen; er zat een andere
meid bij de zieke, die haar met de gewone behendigheid der Javaansche
vrouwen wreef met een sterk riekend vocht.
"Baboe is erg ziek," zei de meid, "zij heeft van nacht
niets geslapen."
"Dat wil ik wel gelooven, als zij ook zoo bloot ligt, waarom mij
gisteravond niet gewaarschuwd? Ik zal je wel warm er instoppen, baboe,
zoo zijn je voeten goed ingewikkeld."
"Dank je, nonna! Saijang [Jammer] dat baboe sterven moet, juist
nu nonna trouwt. Mila, neem een sleutel onder mijn kussen en maak dat
kastje open, neem die doos er nu uit."
"Blijf toch liggen, baboe, wikkel je niet los!"
"Nonna, daar liggen twee ringen in die doos, den grootste van die
twee moet u geven aan nonna Ida en haar zeggen, dat ik altijd goed ben
geweest voor haar dochter, de andere is voor u. Mijn pending [Gordel]
is voor 't kind van Mila en mijn sarongs geef ik aan u, u moet ze maar
onder de andere bedienden ver-
deelen."
Uitgeput viel zij neer, Théo's groote oogen stonden vol tranen.
"Maar, baboe, je maakt het te erg; ik geloof niet dat je zwaar
ziek bent, wacht, ik zal grootmama er over spreken."
"Niet doen, nonna," zei Mila, "'t is beter, dat mevrouw
er niets van weet."
[105:]
"En waarom
niet?"
"Mevrouw zal haar misschien naar de kampong laten brengen."
"Dat zou ik wel eens willen zien, of zij dat durfde! Ik ben bang
dat die knoeierijen met den doekon baboe erger maken; ik zal onzen dokter
laten komen."
Zij ging naar binnen; in de achtergalerij zat mevrouw Van Vaerne te
ontbijten.
"Sta je nu pas op? Foei, Théo, 't is toch schande, dat je
zo laat nog over het erf rondslentert. Je weet, dat wij om acht uur
moeten uitrijden."
"Waarheen?"
"Naar je aanstaande huis; ik heb Verheide beloofd dat we het nieuwe
ameublement in ontvangst zouden nemen."
"Gaat u maar alleen, ma, ik kan niet."
"En waarom?"
"Baboe is ziek, en ik wil het leitje naar den dokter sturen, om
hem te verzoeken even aan te komen."
"Heb je van mijn leven! Omdat dat mensch zich in het hoofd gezet
heeft ziek te worden, luiheidsziekte misschien, zou je niet uit willen
gaan. Ik heb Verheide vast beloofd, dat wij samen de voorgalerij zouden
arrangeeren. En doe ik 't alleen, dan bevalt het je later toch niet."
"'t Zal mij wel bevallen; ik laat het geheel aan u over."
"Wat moois, ik zou me voor jouw zaken een heelen morgen gaan vermoeien,
dat is toch te veel van mij gevergd. Wil je misschien de soeur de charité
spelen? Dat komt hier niet te pas; dat is je vergooien. Wat zal Verheide
zeggen?"
"Daar geef ik niets om. Ik ga niet uit."
"Dan blijf ik ook thuis; wat een beleediging voor George!"
Zij antwoordde niet en begaf zich naar haar kamer; mevrouw stond op
en richtte haar stappen naar de bijgebouwen. Niettegenstaande haar grootmoederschap
over een meisje zoo oud als Theodore, was zij nog een actieve, vlugge
vrouw, die er van hield alles in persoon na te gaan.
Een half uur later kwam Théo in sarong en kabaja, maar onberispelijk
netjes gekleed, met de lange, natte krullen over een fijnen, witten
doek hangend, in de achtergalerij terug, waar nu ook de oude heer zijn
eitje at.
Zij kuste hem goeden morgen.
"Wel, kind, hoe is 't, ik hoor dat baboe ziek is; nu, je moet het
je maar niet te erg aantrekken, 't zal misschien niets zijn; zooals
je weet, ze is niet jong meer; 't wordt een mensch van den dag, en in
dit klimaat bereikt men de jaren van Methuzalem niet. Ik wou dat grootmama
het inzag, en als je getrouwd was er eindelijk eens aan ging denken,
naar 't vaderland terug te keeren."
"Grootmama doet alleen wat zij pleizierig vindt en niets anders."
"Och, kind, dat doen we allen, als we het maar kunnen. Maar zeg
eens, wat heb je nu toch weer met haar gehad?"
[106:] "Och pa, ik heb den dokter voor baboe laten komen, en ik
zou graag er bij willen zijn als hij haar bezoekt, en grootma zegt nu,
dat ze Verheide beloofd heeft, naar zijn huis te gaan, ik weet zelf
niet waarvoor, om een ameublement te plaatsen, geloof ik."
"Nu, maar je kunt haar toch niet alleen laten wegrijden."
"Neen, dat is ook niet noodig. Ik zal mijn leven lang tijd hebben,
dat ameublement te zien, en Verheide moet begrijpen, dat ik nu geen
lust heb uit te gaan."
"Om een baboe, dat zal hij te sterk vinden; ik begrijp je wel,
kindlief, het doet je goed hart eer aan, maar, zie je, hij zal denken,
om zoo'n mensch zoo veel omslag te maken, dat is de moeite niet waard.
Weet je wat, Théo, grootmama is erg knorrig, doe mij 't pleizier
met haar mee te gaan. Kleed je nu spoedig, want zij is er reeds mee
bezig; je ziet immers hoe ik mij naar haar wil schik; ze heeft haar
idees en als we die contrarieeren, dan komen er wolken in huis."
"Maar de dokter dan?"
"De dokter komt niet voor elf uur op zijn vroegst en tegen dien
tijd ben je allang thuis. Kom, meiske-lief," en hij streek haar
langs de lokken, "doe je grootpapa nu dat pleizier. Spoedig zult
ge niet meer vrij zijn, om mij iets toe te staan of te weigeren."
"Grootpa, ik verkoop mijn vrijheid niet."
"Je zult doen naar het voorbeeld, dat je zooveel jaren lang onder
de oogen hebt gehad, niet waar? Nu, 't is te hopen, dat Verheide ook
zoo'n goede sul is als je grootpapa."
"Denkt u dat hij 't niet zal zijn?"
"Wel zeker, hij is een beste, brave man; maar nu, kindje-lief,
gaat ge je kleeden!"
"Grootpapa, wat krijgt u toch niet van mij gedaan, oude vleier!
Als Verheide op u leek, dan zou ik niet de baas kunnen zijn."
En zij nam zijn grijs hoofd in hare handen en kuste hem op beide wangen,
"maar dat gaat niet, 't ras der goede mannen sterft uit; weer moet
ik dus mijn kopje buigen voor grootma."
"Nu ja, kind, wat zou dat, ze is wel wat ruw soms, maar toch in
den grond is er geen betere vrouw."
"O ja, in uw oog enfin! ik kan er niet over oordeelen; ik ken zoo
weinig vrouwen. Eén slechts ken ik goed, door en door en over
die kennismaking ben ik al heel slecht tevreden. Weet u wie dat is,
grootpapaatje?"
"Neen, kind, wie zou dat zijn?"
"Degene, die voor u staat, een treurig schepsel, dat niet weet
wat zij wil, dat wil, wat zij niet weet, 0, zoo'n raar mengsel van slijk
en..."
"Diamanten."
"O neen, een zonnestraal speelt tusschen het slijk, maar het is
blijft toch wat het is. Ik ga naar baboe kijken, is zij niet erger
[107:]
dan... Grootmama
krijgt toch altijd haar zin en ik nooit de mijne, maar ik zeg 't nog
eens: is baboe erger, dan blijf ik tehuis."
Baboe sliep echter en gerustgesteld ging Théo zich kleeden; mevrouw
Van Vaerne liet het rijtuig inspannen en bleef ondertusschen een geruim
en tijd in druk gesprek met den toekan spen [Opzichter van de provisiekamer],
haar vertrouweling.
"Ben je klaar, Théo?" vroeg zij toen.
Théo antwoordde niet, kwam naar buiten met een onverschillig
gelaat, zette haar hoedje voor den spiegel op en volgde haar grootmama
in het rijtuig, altijd zonder een woord te spreken. In haar fraai toekomstig
huis gekomen, werd haar humeur niets beter; mevrouw Van Vaerne was in
haar element; zij had koelies ter harer beschikking, die het ameublement
plaatsten en verplaatsten zooals zij het wilde, die spiegels en schilderijen
ophingen volgens hare bevelen. Théo verwaardigde zich niet ergens
naar te kijken, zij nam een boek uit Verheide's bibliotheek en verdiepte
zich in haar lectuur.
Eigenlijk was het haar grootmoeder niet onaangenaam, dat zij zich met
niets bemoeide en haar zelve vrij spel liet; maar toen ze op haar vragen:
"Staan die fauteuils goed, Théo, had je liever die groote
schilderijen in jouw kamer, of zal ik die étagères daar
laten ophangen?" niets anders ten antwoord kreeg dan:
"Och, 't kan me niet schelen, ma, doe zooals u het goedvindt."
Toen werd mevrouw Van Vaerne ernstig boos.
"Wat zijn dat voor kuren, ik kan dat mokken niet verdragen, dat
doen alleen inlandsche kinderen, dat heb je zeker van je moeder overgeërfd,
of van je baboe geleerd."
"Mijn moeder heeft geen schuld aan mijn opvoeding gehad,"
hernam Théo koeltjes, "laat haar er maar buiten, en ik ben
oud genoeg om mij niet te laten verleiden door kwade voorbeelden. Had
ik meer zulke goede meesteressen gehad als baboe, dan zou u misschien
tevredener zijn."
"Maar je laat mij hier werken en tobben met je eigen meubels, en
roert nog geen pink!"
"Ze zijn nog niet van mij."
"Maar van Verheide en 't is om dien goeden jongen, dat ik hier
gekomen ben, niet om jou, brutaal, ondankbaar nest, dat altijd vergeet
hoeveel je aan ons te danken hebt. Wij, die je...
"Un bienfait reproché tient lieu d'offense, en ik verkies
niet beleedigd te worden."
Zij ging bedaard de kamer uit naar de bijgebouwen, waar zij op een steenen
bank, onder het afdak, haar lectuur voortzette.
Mevrouw Van Vaerne ging voort met commandeeren en te trachten zich overal
tegelijk te bevinden; zoo te handelen,
[108:]
zoo haar energie
ontwikkelen, was haar lust en leven, daarbij kon zij dan het aangename
zelfbewustzijn voegen, dat zij een vrouw was vol opoffering en gedienstigheid,
wier verdiensten echter nooit werden erkend, vanwege de ondankbaarheid
der wereld.
Het was bij één uur, toen zij weer met de zwijgende Théo
in het rijtuig stapte om huiswaarts te rijden. Nauwelijks waren zij
binnen gekomen, of Théo snelde naar de kamer van baboe; zij naderde
de baleh-baleh en toen hare door het schitterende licht eenigszins verblinde
oogen, aan het half donker gewend waren, zocht zij vergeefs onder de
hoop dekens het ineengerolde lichaampje der oude vrouw.
"Baboe!" riep zij luid, "zou ze opgestaan zijn? Die ziekten
beteekenen weinig, ik wed dat ze nu al druk aan het sirih-kauwen is
bij kokkie," en opgeruimd ging ze naar buiten.
"Waar is baboe?" vroeg ze den staljongen, die de paarden wilde
afleiden.
"In de kampong."
"De kampong," en de groote, grijze oogen schenen stralen te
schieten, "sedert wanneer en wie liet haar brengen?"
"Njonja!"
"En waarom?"
"De dokter heeft gezegd, dat baboe de cholera had."
Zij vloog naar binnen en snelde in de kamer harer grootmoeder, die zich
wilde uitkleeden, maar nu nog naar het verhaal harer kamenier luisterde
over het gebeurde met baboe.
"Grootma!" riep zij, "wat heeft u laten doen! Hoe heeft
u het hart kunnen hebben, dat oude, zieke mensch in de warmte over te
laten brengen. God weet waarheen? Dat is alleen om mij verdriet te doen."
"Maar, Théo, wees toch bedaard! Is dit een toon tegenover
je grootmoeder? Dat oude mensch had de cholera, hoe kon ik nu toestaan,
dat zoo'n zieke op ons erf bleef, dat is immers ons allen in gevaar
stellen ook ziek te worden. Om uwentwil heb ik haar niet naar het stads-verband
[Javaansch hospitaal], doch bij de Toekan mendjaït [Naaister] in
huis laten brengen. Je begrijpt, hoeveel me dat kosten zal, maar 't
is tegenwoordig je gewoonte om mij te brutaliseeren en te krenken, wanneer
je het maar kunt. Heb ik dat aan je verdiend?"
"Ze is dus bij Djaït? Nu, dan zal ik haar wel opzoeken,"
en zij stoof de kamer uit.
"Baji," zei mevrouw Van Vaerne tot haar meid, hard genoeg
dat Théo het nog hooren kon, "zeg den koetsier dat hij niet
het rijtuig inspannen mag. De paarden zijn te moe."
Théo stond stil.
"Dan ga ik te voet," mompelde zij in zichzelf, zette een tuin-
[109:]
hoed op, nam een
pajong [Zonescherm] en zonder dat haar grootmoeder het merkte, ging
zij door de voorgalerij het huis uit.
Eerst toen het etenstijd was, miste mevrouw Van Vaerne haar.
"Waar is de nonna?" vroeg zij.
Niemand wist het, behalve de kebon [Tuinman] die haar naar buiten had
zien gaan.
Nu schrikte mevrouw toch.
"Naar de kampong, midden op den dag. Wat een dolheid? Wat zullen
de menschen zeggen die haar tegenkomen, en als Verheide het hoort. Pasang
kareta [Span het rijtuig in] en blijf met het rijtuig af wachten aan
het gardoehuisje [Wachthuisje] dan kan Sidin, de looper haar opzoeken
in het huis van Djaït."
Hoofdschuddend zette zij zich alleen aan tafel. - Van Vaerne was naar
de stad voor een vergadering van aandeelhouders eener maatschappij,
waarvan hij commissaris was - en wachtte vol toorn en ongeduld Théo's
terugkomst af. Maar dat gebeurde zoo gauw niet; de oude heer was al
thuis gekomen en had met veel bezorgdheid naar zijn kleindochter gevraagd,
de ananas en pisang van het dessert waren reeds gegeten, maar van de
voortvluchtige nog geen spoor. Mevrouw Van Vaerne had hoofdpijn en ging
slapen; juist wilde ook haar man dat voorbeeld volgen, toen het rijtuig
binnenreed en Théo er uitsprong, bleek als een doek, verward
van uitzicht en over haar heele lichaam bevend.
Nauwelijks zag zij haar grootpapa, of zij viel hem om den hals:
"Ach, grootpapa," snikte zij zenuwachtig, "ze hebben
mijn baboe vermoord, mijn goede, oude baboe. Waarom heb ik uw raad gevolgd
en ben ik niet stil thuis gebleven? Ze was al sprakeloos toen ik bij
haar aan het bed kwam. Ach, mijn God, ik vergeet het nooit! o! foei,
die grootmama, 't is de oude geschiedenis van vroeger opnieuw."
En zij lag in zijn armen, luid weenend en snikkend. 't Maakte een diepen
indruk op hem; zij kon stil zijn of knorrig, koppig of uitgelaten vroolijk,
maar bedroefd zag men haar nooit; die tranen kneedden het goede, oude
hart van Van Vaerne week als was.
"Mijn arm, lief kind!" zeide hij, "baboe was zoo oud,
het werd haar tijd. Stel je zoo niet aan, mijn schat! Je bent opgewonden
door al het gebeurde van morgen en wat zult ge verhit zijn en afgemat
door die wandeling. Kom, drink een slokje wijn met water, dat zal je
goed doen."
Hij liet haar zitten op een leuningstoel, streelde haar langs voorhoofd
en wangen en drong haar op toch iets te gebruiken, maar zij bleef doorsnikken
met alle kracht van een ingehouden smart.
Grootmoeder vertoonde zich niet; zij hoorde wel Théo huilen
[110:]
en klagen; daar
zij echter niet zonder angst was voor het scherpe tongetje harer kleindochter,
wilde zij nu liever niet onder het bereik daarvan komen. Het lag niet
in Théo's aard zich lang door eenig gevoel te laten beheerschen;
na dus eenigen tijd aan grootvaders borst haar hart te hebben verlicht,
stond zij op en ging naar haar kamer, tot Van Vaerne's groote teleurstelling
nog altijd weigerende iets te gebruiken.